Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6567

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
13-654185-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak afpersing: Geen oogmerk. Mishandeling bewezen. Tijdsverloop. Verdachte hoeft de straf niet meer te 'voelen'. Gevangenisstraf van drie dagen met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/654185-15

Datum uitspraak: 4 september 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, eenmaal of meermalen met kracht

  • -

    de nek van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of aan de nek van voornoemde [slachtoffer] heeft getrokken en/of - tegen de benen, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt en/of

  • -

    op het achterhoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 11 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen met kracht

- de nek van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of aan de nek van voornoemde [slachtoffer] te trekken en/of

  • -

    tegen de benen, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schoppen en/of

  • -

    op het achterhoofd van voornoemde [slachtoffer] te slaan,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 11 augustus 2015 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een shirt, in elk geval een kledingstuk, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door voornoemde shirt vast te pakken en/of kapot te scheuren en/of te trekken en/of te rukken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1. primair en 2. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde afpersing aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk had om aangever de telefoon afhandig te maken. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en het onder 2. tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces, als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen eigen goed (zijn telefoon), waartegen hij zich mocht verdedigen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

De broer van aangever had via Marktplaats van verdachte een telefoon gekocht. Aangever ging namens zijn broer de telefoon bij verdachte ophalen. De overdracht van de telefoon en de betaling van het geld vond plaats bij de auto van verdachte die bij zijn woning stond. Verdachte zat in zijn auto en aangever stond ernaast. De telefoon had verdachte op het dak van de auto gelegd. Verdachte was het geld van aangever aan het tellen/bekijken toen aangever nog een inkopersverklaring uit zijn auto wilde gaan halen om door verdachte te laten ondertekenen. Omdat aangever het geld al aan verdachte had gegeven wilde hij de telefoon meenemen naar zijn auto. Hij pakte daarom de telefoon vast. Verdachte zag dat en greep op dat moment ook naar de telefoon omdat hij nog niet klaar was met het tellen/bekijken van het geld. Er ontstond een kleine worsteling om de telefoon waarbij verdachte aangever bij zijn nek vastpakte, waarna aangever zich kon losrukken en, omdat hij bang was geworden, met de telefoon, begon weg te rennen. Hierop zette verdachte de achtervolging in, waarbij hij aangever tegen de benen schopte om hem te laten stoppen. Ook pakte verdachte aangever bij zijn polo en trok hij hem naar beneden, waarbij de polo van aangever kapotscheurde. Uit angst heeft aangever de telefoon daarna weggegooid. Verdachte heeft de telefoon vervolgens opgeraapt. Aangever is verder weggerend en heeft vervolgens de politie gebeld. Aangever had striemen in de nek doordat verdachte hem daar had vastgepakt.

4.3.2

Vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de onder 1. primair ten laste gelegde afpersing niet bewezen. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat verdachte het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen. De rechtbank gaat er vanuit dat zowel aangever als verdachte uit wantrouwen allebei naar de telefoon hebben gegrepen. Aangever wilde er zeker van zijn dat de telefoon niet van diefstal afkomstig was en wilde verdachte niet achter laten met de telefoon en het geld toen hij de inkopersverklaring ging halen. Verdachte vertrouwde het geld en aangever niet toen aangever de telefoon wilde meenemen. Vervolgens is het uit de hand gelopen.

Nu de rechtbank niet de overtuiging heeft dat verdachte het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen, zal verdachte van het onder 1. primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3.3

Het oordeel over het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde

Ter onderbouwing van haar beroep op noodweer/noodweerexces heeft de raadsvrouw de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

Nadat verdachte het geld had ontvangen en hij de telefoon had overhandigd aan aangever, dacht verdachte dat hij werd belazerd met vals geld en dat aangever er met zijn telefoon vandoor wilde gaan. Toen aangever wegrende met de telefoon, was er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van enig goed, waartegen verdachte zich mocht verdedigen, hetgeen hij ook heeft gedaan.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer/noodweerexces.

De rechtbank stelt voorop dat niet (meer) met zekerheid kan worden vastgesteld of het geld vals was. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. Het dossier bevat daarvoor geen enkel aanknopingspunt. De rechtbank acht dus niet aannemelijk dat aangever verdachte wilde belazeren en daarom de telefoon mee wilde nemen. Zoals hiervoor onder 4.3.1 overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat toen aangever de inkopersverklaring wilde halen, hij de telefoon wilde meenemen naar zijn auto omdat hij het (niet valse) geld al had betaald aan verdachte. Van een wederrechtelijke aanranding van de telefoon is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake. Dat betekent dat het beroep op noodweer en noodweerexces niet slaagt.

Ambtshalve overweegt de rechtbank nog dat verdachte ook geen beroep op putatief noodweer(exces) toekomt. Een beroep op putatief noodweer kan slagen als verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht denken dat sprake was van een noodweersituatie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dat in dit geval redelijkerwijs niet mocht denken. Aangever heeft niets gedaan op grond waarvan verdachte redelijkerwijs mocht denken dat hij werd belazerd. Het had bovendien op de weg van verdachte gelegen om eerst aan aangever te vragen waarom hij de telefoon wilde meenemen en eventuele vermoedens over vals geld aan aangever mee te delen, in plaats van aangever direct bij de nek vast te pakken waardoor aangever bang werd en is weggerend met de telefoon. Dat heeft verdachte niet gedaan, zo heeft hij op de zitting verklaard. Door het gewelddadige optreden van verdachte is het uit de hand gelopen.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde:

op 11 augustus 2015 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door

  • -

    de nek van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en

  • -

    tegen de benen van voornoemde [slachtoffer] te schoppen

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

op 11 augustus 2015 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een shirt, toebehorende aan [slachtoffer] , heeft vernield door voornoemd shirt vast te pakken en kapot te trekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is, mede gelet op het in rubriek 4.3 overwogene, ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1. primair (afpersing) en 2. (vernieling) bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zal worden toegewezen, met uitzondering van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 500,-. Dit geldbedrag kan immers middels een beslagbeslissing terug naar aangever. Het overige inbeslaggenomen geld kan terug naar verdachte.

De rechtbank komt tot een veel lagere en andere straf dan door de officier van justitie is gevorderd doordat de rechtbank afpersing niet bewezen acht. De rechtbank zal verdachte voor de mishandeling en vernieling een straf opleggen gelijk aan het voorarrest, te weten een gevangenisstraf van drie dagen.

Deze straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en vernieling. Hierdoor heeft het slachtoffer [slachtoffer] pijn en letsel ondervonden en heeft hij schade geleden doordat zijn polo kapot is getrokken. Het incident was wellicht gebaseerd op één groot misverstand, maar verdachte heeft niet geprobeerd om dit misverstand met woorden uit de wereld te helpen. Verdachte trad direct hardhandig op en dat rekent de rechtbank hem aan. De gebeurtenis is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 25 juli 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank zal hem dan ook aanmerken als ‘first offender’.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 20 november 2015. Hieruit blijkt dat verdachte destijds vertelde dat hij in het dagelijks leven prima functioneert. De reclassering heeft geen aanwijzingen die anders doen vermoeden en ziet om deze reden geen aanknopingspunten voor het adviseren van reclasseringsinterventies. Geadviseerd wordt de zaak af te doen zonder het opleggen van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank overweegt dat voor een mishandeling en vernieling van een kledingstuk, gepleegd door een ‘first offender’ in beginsel geldboetes of werkstraffen worden opgelegd. Het betreft in dit geval echter strafbare feiten die drie jaar geleden zijn gepleegd. De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak op zitting dient te worden behandeld, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is dus met een jaar overschreden. Verdachte is sinds de onderhavige strafbare feiten ook niet opnieuw met politie of justitie in aanraking gekomen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest voldoende is gestraft. Hierbij wenst de rechtbank op te merken dat het expliciet niet de bedoeling is dat deze op te leggen straf het verkrijgen van een VOG in de weg zal staan.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 656,40 aan materiële schadevergoeding en € 293,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering tot materiële schadevergoeding bestaat uit het geldbedrag dat aan verdachte is betaald voor de telefoon, te weten € 500,-, de waarde van de vernielde polo, € 120,-, en reiskosten die zijn gemaakt voor afspraken met de politie en slachtofferhulp, € 36,40.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1. subsidiair en 2. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank zal het gevorderde geldbedrag van € 500,- niet toewijzen, nu dit geldbedrag onder verdachte in beslag was genomen en middels een beslagbeslissing aan aangever zal worden teruggegeven. De waarde van de polo is gemotiveerd betwist. De rechtbank begroot de waarde op € 50,-. De reiskosten zullen volledig worden toegewezen. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 86,40 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank ziet anders dan de raadsvrouw in het tijdsverloop geen reden om de wettelijke rente op een ander moment in te laten gaan.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1. subsidiair en 2. bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 150,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1. subsidiair en 2. bewezen geachte feiten zijn toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 236,40 (tweehonderdzesendertig euro en veertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde:

Mishandeling;

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde:

Vernieling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de gedeeltelijke teruggave aan [slachtoffer] van:

2. Geld Euro

600.00

5027965

te weten voor een bedrag van € 500,-

Gelast de gedeeltelijke teruggave aan [verdachte] van:

2. Geld Euro

600.00

5027965

te weten voor een bedrag van € 100,-

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

3. Geld Euro

10.00

5027966

4. Geld Euro

26.70

5027967; euromunten

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , destijds wonende op het adres [adres slachtoffer] , tot een bedrag van € 86,40 (zesentachtig euro en veertig eurocent) aan materiële schade en € 150,- (honderdvijftig euro) aan immateriële schade, beide te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 augustus 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening,

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen de som van € 236,40 (tweehonderdzesendertig euro en veertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 augustus 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vier dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2018.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.