Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6564

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
13/698001-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het dealen van cocaïne gedurende een periode van ruim een jaar tot een taakstraf van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/698001-15

Datum uitspraak: 13 september 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.A. Jansen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegde dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari

2014 tot en met 20 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan [persoon 1]

en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6]

en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10]

en/of een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en)) of (telkens) vervoerd

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk

geval een of meerdere middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

I;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde – behoudens het verhandelen van heroïne – wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde heroïne. Ook is er onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte cocaïne heeft verkocht aan [persoon 10] . Hiervan dient verdachte eveneens partieel te worden vrijgesproken. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verhandelen van cocaïne in de periode van 1 januari 2014 tot en met 20 maart 2015 zoals hierna in rubriek 5 is weergegeven.

Partiële vrijspraak heroïne

Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat verdachte in de ten laste gelegde periode heroïne heeft verhandeld en spreekt verdachte hiervan partieel vrij.

Partiële vrijspraak verkoop cocaïne aan [persoon 3]

Getuige [persoon 3] verklaart bij de politie – als hem een foto van verdachte wordt getoond – dat hij de man op de foto kent als ‘ [verdachte] ’ en dat [verdachte] hem wel eens helpt met verhuizen. Getuige weet dat ‘ [verdachte] ’ af en toe cocaïne verkoopt. Getuige verklaart dat hij zelf alleen heroïne rookt en daarom geen cocaïne bij ‘ [verdachte] ’ afneemt. Als getuige wordt geconfronteerd met de 22 contactmomenten die er tussen zijn telefoonnummer en die van verdachte hebben plaatsgevonden, verklaart hij dat de inhoud van de gesprekken waarschijnlijk zijn gegaan over een verhuizing.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2015 volgt dat het verbalisant [verbalisant 1] ambtshalve bekend is dat de aan cocaïne verslaafde [persoon 11] bij getuige [persoon 3] verblijft. Verdachte verklaart voorts ter terechtzitting dat hem de naam [persoon 3] niet bekend voorkomt en hij niet weet of hij cocaïne aan [persoon 3] heeft verkocht. Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien kan naar het oordeel van de rechtbank met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte cocaïne aan [persoon 3] heeft verstrekt. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

Partiële vrijspraak verkoop cocaïne aan [persoon 10]

Op 20 maart 2015 omstreeks 15:25 uur wordt door verbalisant [verbalisant 2] (in burger) gezien dat verdachte, welke geheel is gekleed in het zwart met daaronder opvallende groen/witte sneakers, zijn woning verlaat. Kort hierop keert verdachte terug naar zijn woning. Diezelfde dag om omstreeks 16:45 uur ziet [verbalisant 2] dat verdachte wederom naar buiten komt. Hij ziet dat verdachte dan een driekwart lange, zwart kleurige jas aan heeft met daaronder wit kleurige sportschoenen. [verbalisant 2] neemt waar dat verdachte instapt in een zwarte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] . Vervolgens wordt gezien dat verdachte aan de bestuurder van de Golf iets kleins geeft. [verbalisant 2] kan niet zien wat het is. Nadat verdachte kort hierop de auto verlaat wordt de bestuurder van de Volkswagen Golf – [persoon 10] - aangehouden. Hij heeft verdovende middelen - waaronder cocaïne - bij zich.

De rechtbank is van oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen ruimte laat voor een mogelijke persoonsverwisseling. Zij vindt met name opvallend dat verdachte omstreeks 15:25 uur met opvallende groen/witte sneakers de woning verlaat en vervolgens een uur later met witte sportschoenen wordt gezien. Daarbij komt nog dat zowel verdachte als [persoon 10] ter terechtzitting verklaren dat zij elkaar niet kennen. Hun verklaringen worden versterkt doordat uit de historische telefoongegevens van verdachte blijkt dat er geen telefonisch contact is geweest met het door [persoon 10] in gebruikte telefoonnummer. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat het verdachte is die op 20 maart 2015 in de auto van [persoon 10] heeft gezeten en hem drugs heeft verkocht. De rechtbank spreekt verdachte hiervan partieel vrij.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 20 maart 2015 te Amsterdam, opzettelijk heeft verkocht aan [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] en [persoon 8] en [persoon 9] en meerdere onbekend gebleven personen, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (één) jaar.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste straf geheel voorwaardelijk op te leggen.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne gedurende een (zeer) lange periode. Verdachte heeft enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de afnemers en de maatschappij. Gebruik van drugs als – in dit geval – cocaïne is zeer schadelijk voor de gezondheid en de financiering ervan gaat dikwijls gepaard met diverse vormen van criminaliteit. De verdachte heeft dit door zijn handelen in de hand gewerkt, wat de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 8 augustus 2018 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een druggerelateerd feit. Het strafblad van verdachte heeft daardoor geen strafverzwarende invloed.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 14 mei 2018, opgemaakt door mevrouw M.A.R. Leistra. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven –onder meer het volgende in:

Verdachte werkt sinds drie jaar 24 uur per week in [restaurant] , een Surinaams eethuis. Verdachte wordt begeleid door een jobcoach. Voorheen had verdachte 30.000 euro aan schulden. Bij de baan die hij destijds had kon hij hulp ontvangen bij het treffen van afbetalingsregelingen. Verdachte is nu schuldenvrij. [persoon 12] begeleidt verdachte sinds twee jaar op de werkplek en is ingeschakeld door het UWV. Zij is erg tevreden over verdachte. Hij is een ‘harde werker’ en regelt zijn zaken goed. De huidige werkgever van verdachte heeft verklaard dat het ‘heerlijk’ samenwerken is met hem. Hij is zeer tevreden over zijn werkzaamheden. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen drie jaar lijkt te hebben doorgemaakt, is de inschatting dat het opleggen van een gevangenisstraf deze ontwikkeling zal doorkruisen.

Ook ter terechtzitting is gebleken dat het momenteel goed gaat met verdachte. Verdachte heeft spijt betuigd en heeft verklaard verantwoordelijkheid te nemen voor zijn delictgedrag. Hij is sinds het plegen van onderhavig feit, dat van ruim drie jaar geleden dateert, niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Hij heeft een baan en de gedeeltelijke zorg over zijn 1-jarige dochter. Dit is voor de officier van justitie mede aanleiding geweest om een taakstraf te vorderen. Hoewel in beginsel – gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud – een zwaardere straf(modaliteit) passend is, zal de rechtbank de officier van justitie vanwege deze omstandigheden deels volgen in haar vordering, maar wel tot een hogere straf komen dan is geëist.

In beginsel zou naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 220 uren passend en geboden zijn.

De rechtbank houdt echter rekening met het feit dat de redelijke termijn met bijna 1,5 jaar is overschreden (tussen de inverzekeringstelling en dit vonnis ligt 3 jaar en bijna 6 maanden). Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de taakstraf met 20 uur te verlagen.

De rechtbank ziet gelet op het tijdsverloop, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding tot oplegging van een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is.

9 Ten aanzien van het beslag

Onder verdachte zijn geldbedragen genoemd onder nummers 1 tot en met 5, een Volkswagen Polo genoemd onder nummer 6, telefoons genoemd onder nummers 9 tot en met 12, simkaarten genoemd onder nummers 13 en 14, verpakkingsmateriaal genoemd onder nummer 15, een document genoemd onder nummer 16 en een bankpas genoemd onder nummer 17 van de beslaglijst in beslag genomen.

9.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geld, de inbeslaggenomen Volkswagen Polo, telefoons en simkaarten verbeurd worden verklaard. De overige inbeslaggenomen voorwerpen kunnen retour naar de rechthebbende.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de inbeslaggenomen Volkswagen Polo niet verbeurd kan worden verklaard omdat de auto inmiddels niet meer op naam van verdachte staat. Subsidiair heeft zij gesteld dat een verbeurdverklaring van de auto niet geïndiceerd is. Verdachte heeft net zijn leven weer op de rit en een verbeurdverklaring van de auto zal hem financieel hard raken.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het geld / telefoons / simkaarten (goednummers 1 -5, 9-14)

Gebleken is dat de geldbedragen zijn verkregen uit de baten van het ten laste gelegde misdrijf. De telefoons en simkaarten zijn gebruikt voor het plegen van het ten laste gelegde. Deze goederen zullen derhalve verbeurd worden verklaard.

Ten aanzien van het verpakkingsmateriaal / document / bankpas (goednummers 15-17)

Het verpakkingsmateriaal, het document en de bankpas behoren aan verdachte toe en zullen aan hem worden geretourneerd.

Ten aanzien van de Volkswagen (goednummer 6)

Vast is komen te staan dat verdachte niet alleen drugs heeft gedeald in zijn Volkswagen Polo maar ook op straat. Verder is de auto al door verdachte aangeschaft voor aanvang van de tenlastegelegde periode. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanleiding om de Volkswagen Polo verbeurd te verklaren. Zij zal bepalen dat de auto retour gaat naar verdachte. Nadat verdachte zekerheid heeft gesteld is de auto feitelijk al teruggegeven aan verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Verklaart verbeurd:

  • -

    Voorwerp 1, te weten een geldbedrag van € 100,-, goednummer 4946246;

  • -

    Voorwerp 2, te weten een geldbedrag van € 20,-, goednummer 4946247;

  • -

    Voorwerp 3, te weten een geldbedrag van € 5,-, goednummer 4946248;

  • -

    Voorwerp 4, te weten een geldbedrag van € 7.70, goednummer 4946250;

  • -

    Voorwerp 5, te weten een geldbedrag van € 550,-, goednummer 4946305;

  • -

    Voorwerp 9, te weten een zaktelefoon (Apple 5), goednummer 4946236;

  • -

    Voorwerp 10, te weten een zaktelefoon (Samsung), goednummer 4946237;

  • -

    Voorwerp 11, te weten een zaktelefoon (Nokia), goednummer 4946322;

  • -

    Voorwerp 12, te weten een zaktelefoon (Nokia), goednummer 4946351;

  • -

    Voorwerp 13, te weten een simkaart, goednummer 4946356;

  • -

    Voorwerp 14, te weten een simkaart, goednummer 4946357.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    Voorwerp 6, te weten een Volkswagen Polo, goednummer 4915875;

  • -

    Voorwerp 15, te weten verpakkingsmateriaal (Lyca), goednummer 4946359.

  • -

    Voorwerp 16, te weten een document, goednummer 4946318;

  • -

    Voorwerp 17, te weten een bankpas (ING), goednummer 5007683.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 september 2018.