Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
13/701521-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar en het voorhanden hebben van o.a. cocaine tot een taakstraf van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/701521-16

Datum uitspraak: 13 september 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.J.M. Vreekamp, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.M.M.M. Vogels, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 maart 2015 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1: poging tot doodslag althans poging tot zware mishandeling van verbalisant [slachtoffer] door op hem in te rijden;

subsidiair : bedreiging van voormelde verbalisant door op hem in te rijden;

Feit 2: het aanwezig hebben van 11,81 gram cocaïne en/of 5,36 gram heroïne.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het onder 1 primair ten laste gelegde – poging tot zware mishandeling – en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard gelet op de in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde. Voor het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring feit 1 (primair)

Verklaring aangever

Op 20 maart 2015 omstreeks 16:47 uur wordt besloten verdachte – bestuurder van de Volkswagen Golf (hierna: Golf) met kenteken [kenteken] - aan te houden naar aanleiding van een mogelijke overtreding van de Opiumwet. Aangever, verbalisant [slachtoffer] , verklaart dat hij de Golf stil ziet staan op de Sinjeur Semeynstraat te Amsterdam . Hij neemt vervolgens waar dat het voertuig achteruit de ventweg van de Sinjeur Semeynstraat inrijdt. [slachtoffer] – in burger gekleed – zet samen met een andere burgerauto met daarin collega verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zijn voertuig ongeveer vijf meter voor de Golf neer. [slachtoffer] stapt uit zijn voertuig en pakt zijn politielegitimatiebewijs. Terwijl hij richting de bestuurderszijde van de Golf loopt houdt hij zijn legitimatiebewijs in de richting van het voertuig en roept daarbij: ‘Staan blijven, politie’!. [slachtoffer] ziet dat verdachte hem aankijkt en dat de Golf vervolgens optrekt en met snelle vaart in zijn richting rijdt. Om niet geraakt te worden moet hij opzij springen. Als de Golf stopt, staat [slachtoffer] op korte afstand van het voorwiel van het voertuig. [slachtoffer] roept nogmaals ‘Politie! Staan blijven’. [slachtoffer] ziet dat verdachte vervolgens met hoge vaart achteruit rijdt en tegelijkertijd naar rechts stuurt om een bocht te maken. Hierdoor komt de neus van de Golf weer richting de kant uit van [slachtoffer] waardoor hij voor de tweede keer opzij moet springen. Ook bij de rechter-commissaris verklaart [slachtoffer] dat hij, indien hij niet opzij zou zijn gesprongen, zou zijn geraakt door de Golf. Over de snelheid kan [slachtoffer] zeggen dat het abrupt en snel was.

Overige verklaringen

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren dat zij zien dat [slachtoffer] – nadat zij hem uit zijn burgervoertuig zien stappen – zich aan verdachte kenbaar maakt als zijnde politie. Zij merken op dat [slachtoffer] zijn politielegitimatiebewijs toont en daarbij zegt: ‘Politie, stoppen!’ of woorden van gelijke strekking. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien vervolgens dat de Golf met een abrupte en snelle beweging op [slachtoffer] afrijdt, waarna [slachtoffer] aan de kant moet springen om niet geraakt te worden door het voertuig van verdachte. Daaropvolgend rijdt de Golf met hoge snelheid achteruit en raakt een geparkeerd voertuig. Dan rijdt verdachte nogmaals met snelheid in de richting van [slachtoffer] , waardoor hij nogmaals opzij moet springen om niet geraakt te worden. Bij de rechter-commissaris verklaart [verbalisant 1] dat hij hoorde dat het voertuig van verdachte toeren maakte en dat de auto een snelle en abrupte beweging maakte in de richting van [slachtoffer] . [verbalisant 2] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij zag dat verdachte de Golf snel optrok, veel gas gaf en hoorde daarbij piepende banden.

Verklaring verdachte

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij niet wist dat [slachtoffer] een politieagent was en dat hij niet heeft gezien dat [slachtoffer] zijn politielegitimatiebewijs toonde. Hij is voorts niet op [slachtoffer] ingereden. Hij was gespannen vanwege een recente bedreiging en vond dat [slachtoffer] - in burger - dreigend op hem afkwam. Om weg te komen uit de situatie is hij alleen achteruit gereden waardoor hij een aantal stilstaande voertuigen heeft geraakt.

Conclusie rechtbank

Op grond van al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte als bestuurder van een personenauto met een verhoogde snelheid tot tweemaal toe op [slachtoffer] is afgereden. Naar het oordeel van de rechtbank kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] tweemaal met zijn auto zou hebben geraakt, indien [slachtoffer] niet opzij was gesprongen. De raadsman betoogt dat [slachtoffer] niet consistent is in zijn verklaringen. Zo verklaart hij in zijn aangifte dat hij opzij is gesprongen en blijkt uit de toelichting van zijn schadevordering dat hij achteruit zou zijn gesprongen. Naar het oordeel van de rechtbank is de toelichting van de schadevordering niet doorslaggevend nu dit formulier niet is opgesteld om de aangifte toe te lichten en aangever het formulier ook niet zelf heeft ingevuld. Daarbij komt dat [slachtoffer] ook bij de rechter-commissaris verklaart dat hij tot tweemaal toe opzij moest springen. De verklaringen van [slachtoffer] hieromtrent vinden bovendien steun in de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat verdachte kwaad opzet had om [slachtoffer] te doden of om hem zwaar lichamelijk letsel toe te bergen.

Vervolgens is aan de orde of sprake was van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van [slachtoffer] dan wel op het aan hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen gedood zou worden, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in aanzienlijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Ten aanzien van de snelheid van de auto op het moment van de bijna aanrijding van [slachtoffer] zijn in dit geval geen objectieve meetgegevens beschikbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de verklaringen van [slachtoffer] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte -vanuit stilstand optrekkend- met een zodanige snelheid heeft gereden op het moment dat hij [slachtoffer] passeerde, dat indien [slachtoffer] niet was weggesprongen, de kans op diens overlijden aanmerkelijk was geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een voetganger door een auto die met een verhoogde snelheid rijdt – zoals in dit geval – de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Ook verdachte moet zich daar bewust van zijn geweest.

De vraag is vervolgens of verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat uit de genoemde bewijsmiddelen, in samen bezien, kan worden opgemaakt dat het rijgedrag van verdachte er veeleer op was gericht om koste wat kost te voorkomen dat de politie hem zou aanhouden, ook indien dat betekende dat hij anderen daarmee in gevaar bracht. Door in dit geval het stopteken van [slachtoffer] te negeren en met verhoogde snelheid (tweemaal) op hem af te rijden, heeft verdachte het er op aan laten komen dat [slachtoffer] tijdig zou wegspringen. Daarmee heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat – indien [slachtoffer] niet zou wegspringen – hij door de aanrijding die dan zou zijn gevolgd, zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Gelet hierop acht de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] bewezen.


De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring feit 2

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde zoals hierna in rubriek 5 is weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1 primair:

op 20 maart 2015 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (verbalisant van politie Eenheid Amsterdam) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met zijn, verdachtes, auto (Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] ), met verhoogde snelheid, terwijl hij, verdachte, die auto bestuurde, op die [slachtoffer] is ingereden, terwijl die [slachtoffer] op korte afstand van die auto afstond;

Ten aanzien van feit 2:

op 20 maart 2015 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 11,81 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 5,36 gram van een materiaal bevattende heroïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt aan verdachte – gelet op zijn persoonlijke omstandigheden – een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een auto tot tweemaal toe op een politieagent in te rijden. Hij heeft daarmee de agent ernstig in gevaar gebracht. Het feit dat de agent geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is een omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is, maar uitsluitend aan de snelle reactie van de betreffende politieagent. Zoals onder meer blijkt uit de toelichting van de vordering benadeelde partij heeft het handelen van verdachte grote impact op de agent gehad. Naast het gevolg voor het slachtoffer heeft een dergelijk delict ook negatieve invloed op de gevoelens van veiligheid in de samenleving. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan voorhanden hebben van cocaïne en heroïne. Gebruik van harddrugs is zeer schadelijk voor de gezondheid en de financiering ervan gaat dikwijls gepaard met diverse vormen van criminaliteit. De verdachte heeft dit door zijn handelen in de hand gewerkt. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 8 augustus 2018. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een gewelds- en druggerelateerd feit. Omdat voormelde veroordelingen dateren van enige tijd geleden heeft het strafblad van verdachte geen strafverzwarende invloed.

Ter terechtzitting is gebleken dat het momenteel de goede kant op lijkt te gaan met verdachte. Hij is recentelijk begonnen met een thuisstudie en heeft co-ouderschap over zijn drie kinderen. Ook is hij sinds het plegen van onderhavige feiten niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Dit is voor de officier van justitie mede aanleiding geweest om een taakstraf te vorderen. Hoewel in beginsel – gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud – een zwaardere straf(modaliteit) passend is, zal de rechtbank de officier van justitie vanwege deze omstandigheden in haar vordering volgen. De rechtbank merkt op dat zij in haar strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van bijna 1,5 jaar (tussen de inverzekeringstelling en dit vonnis ligt 3 jaar en bijna 6 maanden).

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is.

Ten aanzien van het beslag

Onder verdachte zijn telefoons genoemd onder nummers 2 en 3 van de beslaglijst in beslaggenomen. Nu is gebleken dat de telefoons aan verdachte toebehoren worden deze aan hem geretourneerd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ter zake van het onder 1 ten laste gelegde een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 300,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij (aanzienlijk) te matigen en rekening te houden met de financiële draagkracht van verdachte.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien verdachte het oogmerk had leed en/of angst toe te brengen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 maart 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.


Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, zodat hij dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 300,- (driehonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 maart 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

poging tot zware mishandeling;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    voorwerp 2, te weten een Samsung e1120 telefoon (35805403901254)

  • -

    voorwerp 3, te weten een Samsung s5 telefoon (356765065108464)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , toe tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente daarover vanaf 20 maart 2015 tot aan de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen de som van € 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 maart 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 september 2018.

Bijlage

[Bijlage]