Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6562

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
13/654097-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor ontucht met een minderjarige die aan zijn zorg was toevertrouwd tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654097-17 (Promis)

Datum uitspraak: 13 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag verdachte] 1968,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.C. Fransen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2016 tot en met 17 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met de

aan zijn, verdachtes, zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer]

, geboren op [geboortedag slachtoffer] 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren

maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) één

of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende

verdachte (telkens)

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer] betast.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde handelingen in de periode van juni 2017 tot en met 17 juli 2017. Zij heeft hierbij verwezen naar de in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de ontucht bewezen kan worden verklaard, met de kanttekening dat deze een kortere periode beslaat dan ten laste gelegd.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit, ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, kan worden bewezen. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op het proces-verbaal van aangifte, het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] en de verklaring ter terechtzitting van verdachte dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] .

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ten laste gelegde periode als volgt. Verdachte heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen zoals omschreven in de tenlastelegging vijf tot zes weken voor zijn aanhouding zijn begonnen. Daarvoor was er een periode van circa anderhalf jaar alleen sprake van toespelingen naar elkaar en ‘speelse dingen’ die zij met elkaar deden, zoals het aanraken van haar borsten over de kleding, aldus verdachte ter zitting. De rechtbank heeft in het dossier geen bewijsmiddel aangetroffen waaruit volgt dat de ten laste gelegde ontuchtige handelingen al voor juni 2017 zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom de ten laste gelegde periode inkorten en uitgaan dat de ontuchtige handelingen plaatsvonden gedurende de periode van 1 juni 2017 tot en met 17 juli 2017.

Nu verdachte het ten laste gelegde heeft bekend en de raadsman hiervan geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de hieronder genoemde opgave van de gebruikte bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 30 augustus 2018;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte met nummer 2017151963-1, van 18 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 022 – 026;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2017151963-16 van 18 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pag. 027 – 034.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 juni 2017 tot en met 17 juli 2017 te Amsterdam, met de aan zijn, verdachtes, zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- de vagina van die [slachtoffer] betast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee dagen met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in de door de reclassering omtrent verdachte opgemaakte rapportage van 17 oktober 2017. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, gevorderd.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte kan zich – behoudens de duur van de proeftijd - vinden in de eis van de officier van justitie. Hij heeft verzocht de proeftijd te beperken tot één jaar.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte – destijds 49 jaar oud - heeft ontuchtige handelingen gepleegd met [slachtoffer] , de pleegdochter van zijn toenmalige partner. Hij had voor de eerste keer seks met haar toen zij slechts 13 jaar oud was. Zij was bovendien aan zijn zorg toevertrouwd. Verdachte heeft gedurende een periode van zes weken (onveilige) geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] gehad, soms meermalen per dag. Volgens verdachte ging hier een periode van circa anderhalf jaar aan vooraf waarin alleen sprake was van toespelingen en ook fysieke handelingen, zoals het aanraken van haar borsten over haar kleding. Op een gegeven moment is dit overgegaan in de ontucht zoals ten laste is gelegd en dat had nooit mogen gebeuren, aldus verdachte. Aan de ontucht is een einde gekomen nadat de pleegmoeder van [slachtoffer] er (door middel van een telefoonopname waarop seksuele handelingen hoorbaar waren) achter was gekomen dat haar partner, verdachte, een (seksuele) relatie met [slachtoffer] onderhield en daarvan vervolgens aangifte heeft gedaan.

Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] geschonden. Dit wordt niet anders nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij zelf met de seksuele relatie instemde en soms het initiatief nam. Minderjarigen bevinden zich namelijk in een kwetsbare ontwikkelingsfase en moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen niet of in onvoldoende mate in staat worden geacht zelf hun seksuele integriteit te bewaken en/of zelfstandig de (emotionele) gevolgen van seksueel contact in te schatten. Zij dienen zowel tegen zichzelf te worden beschermd als tegen personen die op seksueel gebied misbruik van hen willen maken. Dit geldt te meer indien dit seksueel contact plaatsvindt met een veel oudere volwassene. Minderjarigen worden in het algemeen onvoldoende in staat geacht weerstand te bieden aan volwassenen. Door ontuchtige handelingen te plegen met een minderjarige doorkruist een verdachte de seksuele ontwikkeling van een minderjarige, terwijl een minderjarige ongestoord hoort te kunnen groeien tot volwassenheid, zeker ook op seksueel vlak. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten nog langdurig nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Naast de impact op het slachtoffer zelf leidt seksueel misbruik van minderjarigen vaak tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] een kwetsbaar meisje was die een moeizame relatie had met haar pleegmoeder. Het was verdachte die als volwassene en bovendien vanuit zijn rol als verzorgende van [slachtoffer] duidelijke grenzen had moeten stellen. Hij wist dat het seksuele contact gezien haar leeftijd strafbaar was. Dit heeft hem echter niet weerhouden tot het begaan van het bewezen verklaarde. Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en heeft zich geen rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen voor [slachtoffer] . Hoewel verdachte oprecht overkomt in zijn spijtbetuiging, rekent de rechtbank dit verdachte zwaar aan.

Gelet op de ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf zonder meer op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur en modaliteit daarvan is naast de ernst van het feit rekening gehouden met de hierna vermelde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 8 augustus 2018. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het strafblad van verdachte heeft daardoor geen strafverzwarende invloed.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 20 oktober 2017 waaruit blijkt dat er bij verdachte geen sprake is van een (seksuele) stoornis. Psycholoog P.C. Dalebout concludeert voorts dat verdachte een beperkt zelf- en probleeminzicht heeft en de neiging vertoont tot externaliseren. Hij zoekt snel de oorzaak van de problemen buiten zichzelf. Daarvan is met name sprake wat betreft het ten laste gelede. Verdachte heeft daarin de neiging naar [slachtoffer] te wijzen en zijn eigen initiatieven te minimaliseren. Ondanks dat verdachtes inzicht volgens behandelend psycholoog M. Koerts recentelijk is gegroeid, vindt de rechtbank de bevindingen uit de Pro Justitia rapportage zorgelijk.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van de rapportage van GGZ Reclassering Inforsa van 17 oktober 2017. Hieruit komt naar voren dat (veel) stress een negatief effect op het al beperkte cognitieve vermogen van verdachte heeft. Mogelijk is er sprake van problematisch alcoholgebruik al lijkt dat geen rol te hebben gespeeld bij het delict. Ook is verdachte niet goed in staat om de lange termijn gevolgen van zijn handelen te overzien en heeft hij weinig zelfinzicht. Door de problemen en stress kan hij gemakkelijk verkeerde en destructieve keuzes maken, waardoor de problemen alleen maar groter worden. Het recidiverisico wordt daarom ingeschat als hoog / gemiddeld. Ook dit baart de rechtbank zorgen. De reclassering adviseert aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich ambulant laat behandelen voor alcoholproblematiek en overige psychische klachten. Ook moet verdachte zich bij de reclassering melden en moet hem verboden worden contact te (laten) leggen met [slachtoffer] .

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Van een vaste lijn is echter geen sprake. De straffen variëren van een voorwaardelijke gevangenisstraf met een werkstraf tot al dan niet (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraffen van meerdere maanden of jaren, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] , de omstandigheid dat verdachte (mede) de zorg had over haar terwijl zij op dat moment een moeizame relatie had met haar pleegmoeder en de relatief lange periode waarin de ontucht zich heeft afgespeeld, alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is en er geen ruimte bestaat voor een werkstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Naast reeds genoemde omstandigheden weegt de rechtbank ook mee dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanuit het oogpunt van generale preventie op zijn plaats is. De rechtbank zal hierdoor een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is verzocht. De rechtbank wil met de op te leggen gevangenisstraf ook bereiken dat het door de reclassering geschetste risico op herhaling ingeperkt wordt. Zij zal daarom een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Eveneens is de rechtbank van oordeel dat voor het inperken van het recidiverisico van belang is dat verdachte wordt behandeld voor mogelijke alcoholproblematiek en overige psychische klachten. De rechtbank zal aan de deels voorwaardelijke gevangenisstraf dan ook de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht verbinden, met de verplichting dat verdachte zich ambulant moet laten behandelen. Een kortdurende klinische opname acht zij niet noodzakelijk. Wel moet verdachte zich melden bij de reclassering en mag hij geen contact hebben of zoeken met [slachtoffer] .

Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te beperken tot 1 jaar, zoals door de raadsman is bepleit en door de reclassering is geadviseerd in de mail van 29 augustus 2018.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt:

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich zal melden bij de toezichthouder van Inforsa Reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich laat behandelen voor alcoholproblematiek en overige psychische klachten bij de Forensisch Ambulante Zorg van Inforsa, of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    zich zal houden aan het contactverbod. Veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met de benadeelde / het slachtoffer, in de zaak, [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De Reclassering Nederland wordt daarbij opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 september 2018.