Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6561

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
13/684102-18, 13/166315-14 (TUL) en 13/062693-17 (TUL) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 2 weken voor bedreiging van zijn vader. Een proeftijd 2 jaar met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden waaronder een behandelverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684102-18, 13/166315-14 (TUL) en 13/062693-17 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 13 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y. Karga naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 1 maart 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

1. bedreiging van [persoon 1] ;

2. vernieling van keukenservies en/of glazen toebehorende aan [persoon 1] .

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het onder 1 ten laste gelegde – de bedreiging – en het onder 2 ten laste gelegde – vernieling van keukenservies - wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op grond van de aangifte en de getuigenverklaring van [persoon 2] .

4.2

Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsvrouw dient verdachte van de ten laste gelegde bedreiging te worden vrijgesproken. De bewoordingen die de getuige zou hebben gehoord zijn te algemeen en evident anders dan de bewoordingen zoals deze zijn ten laste gelegd. De getuigenverklaring levert daarom onvoldoende steunbewijs op voor de aangifte.

Ook heeft de raadsvrouw vrijspraak van de ten laste gelegde vernieling bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Uit het dossier blijkt dat aangever enkel heeft gehoord dat er met spullen is gegooid maar niet dat deze daadwerkelijk zijn vernield.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde

Aangever heeft verklaard dat verdachte hem op 1 maart 2018 mondeling heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze verklaring in voldoende mate ondersteund door de verklaring van zijn dochter, de getuige [persoon 2] . Zij was in de woning aanwezig toen verdachte en aangever een woordenwisseling kregen. Op enig moment heeft zij gehoord dat verdachte hen – de rechtbank begrijpt de op dat moment aanwezige personen in de woning - bij naam noemde en zei dat hij hen allemaal zou gaan doodmaken. Gelet op de aangifte, in relatie tot de door [persoon 2] gehoorde bewoordingen is de rechtbank van oordeel dat is bewezen dat verdachte zich op 1 maart 2018 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [persoon 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4.3.2

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Aangever heeft verklaard dat hij op 1 maart 2018 omstreeks 05:30 uur verdachte in de keuken van de woning met spullen hoorde gooien. Ook hoorde hij dat er dingen kapot gingen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze verklaring onvoldoende ondersteund door enig ander bewijs. De getuige [persoon 2] heeft weliswaar verklaard dat zij vernielingen hoorde maar dat zij dit – net als aangever – niet heeft gezien. Nu verdachte heeft ontkend en ook het proces-verbaal van bevindingen niet vermeldt dat er vernielde glazen en/of keukenservies is aangetroffen, zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

op 01 maart 2018 te Amsterdam, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga je doodmaken".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de rechter-commissaris in het schorsingsbevel van 2 maart 2018. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd als bijzondere voorwaarde ook een behandelverplichting aan verdachte op te leggen. Ten slotte heeft de officier van justitie verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn vader. De bedreiging vond plaats in de woning waar zowel aangever als verdachte regelmatig verbleven. Het handelen van verdachte heeft niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij aangever maar ook bij degene die er getuige van zijn geweest. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 8 augustus 2018. Heruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging. De rechtbank houdt hier bij de strafoplegging in strafverzwarende mate rekening mee. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van onderhavig feit in een tweetal proeftijden. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de rapportage van GGZ Reclassering Inforsa van 5 juli 2018. Uit de rapportage volgt dat verdachte in het huidige schorsingstoezicht is aangemeld voor een verslavingsbehandeling door het Forensisch Ambulante Zorgteam. Verdachte heeft aangegeven bereid te zijn om zijn medewerking te verlenen aan een verslavingsbehandeling. De rapporteur en mevrouw E. Vilters – toezichthouder Reclassering Inforsa – zijn van mening dat continuering van de aangeboden zorg, binnen een drangkader, geïndiceerd is. Mevrouw Vilters stelt dat zij mogelijkheden ziet verdachte verder te begeleiden. De reclassering adviseert aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich ambulant laat behandelen voor zijn alcoholproblematiek en dat een kortdurende klinische opname kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject. Ook moet verdachte zich bij de reclassering melden en indien nodig worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor een bedreiging uit van een geldboete van € 250,--. Strafverzwarend acht de rechtbank de reeds genoemde recidive en de omstandigheid dat de bedreiging in huiselijke kring plaatsvond.

Ter terechtzitting is gebleken dat het momenteel de goede kant op lijkt te gaan met verdachte. Hij is sinds het plegen van onderhavig feit niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen, heeft sinds kort een fulltime baan en heeft verklaard open te staan voor begeleiding. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met aftrek van voorarrest passend en geboden. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van twee jaar verbinden, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering, een ambulante behandelverplichting en de mogelijkheid tot opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, noodzakelijk. Deze verplichtingen zullen als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden verbonden. Het verzoek tot een opname voor een kortdurende klinische behandeling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, nu dit in het rapport is opgenomen onder het kopje “optionele toevoeging” gevolgd met een standaard formulering zonder verdere toelichting. Zij ziet daarom geen noodzaak deze verplichting als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke straf te verbinden. De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden niet bepalen. In dit geval is namelijk geen sprake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.

9 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

9.1

Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/166315-14

Bij de stukken bevindt zich de op 13 maart 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/166315-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 13 januari 2016 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 210,--, met bevel dat deze straf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het voorwaardelijk strafdeel dat nog niet ten uitvoer is gelegd, te weten een bedrag van € 110,-- van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde geldboete, de tenuitvoerlegging te gelasten.

9.2

Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/062693-17

Bij de stukken bevindt zich de op 13 maart 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/062693-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 13 juli 2017 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 (elf) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 7 (zeven) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt:

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Reclassering Inforsa op het volgende adres: [adres 1] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich laat behandelen voor zijn alcoholproblematiek bij Arkin of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    indien door de reclassering geïndiceerd, zal verblijven in een nader te bepalen 24-uurs voorziening of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    veroordeelde mag zich niet bevinden op de [adres 2] , zolang de reclassering dit (na overleg met de moeder van verdachte) noodzakelijk acht;

  • -

    veroordeelde mag zich niet bevinden op de [adres 3] , zolang de reclassering dit (na overleg met de vader van verdachte) noodzakelijk acht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de nog openstaande straf in de zaak met parketnummer 13/166315-14, voorzover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 13 januari 2016, zijnde een geldboete van € 110,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 2 dagen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf in de zaak met parketnummer 13/062693-17, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 13 juli 2017, namelijk 7 dagen gevangenisstraf.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 september 2018.