Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:652

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
13/751363-15
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beroep op gelijkstelling verworpen. Reële en daadwerkelijke arbeid gedurende 5 jaar en duurzaam EU-verblijf niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751363-15

RK nummer: 16/723

Datum uitspraak: 8 februari 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 januari 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 18 maart 2015 door het Circuit Law Court in Świdnica (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,

opgegeven adres [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

1.1.

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 maart 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. A.G.P. de Boon en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd.

1.2.

De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 2 juni 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. A.G.P. de Boon en door een tolk in de Poolse taal.

1.3.

Bij tussenuitspraak van 16 juni 2016 is het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om nadere informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit te krijgen over het vonnis van 24 december 2008 (X K 1558/08).

1.4.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 18 oktober 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. J.S. Dobosz en door een tolk in de Poolse taal.

1.5.

Bij tussenuitspraak van 1 november 2016 heeft de rechtbank de overlevering ten aanzien van het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 17 december 2008, met kenmerk: X K 1558/08, geweigerd.

1.6.

In deze tussenuitspraak is verder het onderzoek ten aanzien van het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 26 januari 2007 (X K 955/06) heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) een vraag voor te leggen.

1.7.

De uitspraak van 1 november 2016 is hierbij herhaald en ingelast en als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

1.8.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 16 februari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon is bijgestaan bijstaan door mr. F. Celem, waarnemer van zijn raadsman J.S. Dobosz, en door een tolk in de Poolse taal.

1.9.

Bij tussenuitspraak van 16 maart 2017 heeft de rechtbank het onderzoek ten aanzien van de vordering met betrekking tot het EAB van 18 maart 2015 - voor zover dat ziet op het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 26 januari 2007 (X K 955/06) – heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Popławski af te wachten.

1.10.

De uitspraak van 16 maart 2017 is hierbij herhaald en ingelast en als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

1.11.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 29 juni 2017 arrest gewezen in de zaak Popławski (HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503). Het arrest Popławski is niet (meer) relevant voor het onderhavige overleveringsverzoek.

1.12.

De behandeling van de vordering met betrekking tot het EAB van 18 maart 2015 - voor zover dat ziet op het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 26 januari 2007 (X K 955/06) is voortgezet en gesloten op de openbare zitting van 25 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan bijstaan door zijn raadsman mr. J.S. Dobosz, en door een tolk in de Poolse taal.

1.13.

De rechtbank heeft op de zitting van 2 juni 2016 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, van OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege de heropeningen niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijnen uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

- Een vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 26 januari 2007, onherroepelijk geworden op 2 februari 2007 (Reference number: X K 955/06);

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van tien maanden (X K 955/06) door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB moet de straf nog in haar geheel ten uitvoer worden gelegd. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Voor het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 17 december 2008, dat ook in het onderhavige EAB is vermeld, heeft de rechtbank de overlevering reeds op 1 november 2016 geweigerd.

4 Strafbaarheid, feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet deels achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Dit feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:

oplichting

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 6, tweede lid, in samenhang met het vijfde lid, van de OLW

5.1.

Aan de orde is de vraag of de opgeëiste persoon op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW gelijk dient te worden gesteld met een Nederlander voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel.

5.2.

Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelijkgesteld worden met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger. Voorts hoeft een duurzaam verblijfsrecht niet te worden aangetoond door overlegging van een document. Dit kan ook door aan te tonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

Het is aan de opgeëiste persoon om zijn beroep op gelijkstelling te onderbouwen en aan te tonen dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank onafgebroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

5.3.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij gedurende vijf jaar reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Dit betreft de jaren vanaf 2016. Nu niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon teruggerekend vanaf de datum van deze uitspraak, ten minste vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven, komt hij niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 6, vijfde lid van de OLW. De rechtbank dient niet te treden in de vraag of de opgeëiste persoon op een eerder moment duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen. Dat is in de visie van de officier van justitie voorbehouden aan de vreemdelingenrechter. De officier merkt in dit verband op dat ook niet is aangetoond dat in 2013 voldoende is gewerkt.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de overleving voor het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 26 januari 2007 (X K 955/06) toegestaan dient te worden.

5.4.

De raadsman heeft zijn standpunt gehandhaafd en betoogd dat de opgeëiste persoon wel gelijk gesteld dient te worden met een Nederlander. Er is sprake van een ononderbroken rechtmatig verblijf, ook al zouden er gaten zijn in het arbeidsverleden. Het rechtmatig verblijf kan ook worden verkregen als de opgeëiste persoon beschikt over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij terug zal vallen op het sociale bijstandsstelsel. De opgeëiste persoon heeft nooit een beroep gedaan op de openbare kas en wordt wanneer nodig door zijn moeder onderhouden. Tevens heeft hij geleefd van zijn spaargeld. Hij heeft hierdoor zowel rechtmatig verblijf gehad als economisch actieve alsook als economische niet-actieve EU-burger. Bovendien heeft hij zijn status als werknemer nooit verloren op grond van artikel 7, lid 3 onder b van Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn). Na vijf jaar heeft hij duurzaam rechtmatig verblijf verkregen op grond van artikel 16 van de Verblijfsrichtlijn. Gelet hierop zou het niet mogen uitmaken dat hij in 2016 of 2017 niet zou hebben gewerkt. De raadsman gaat ervan uit dat de opgeëiste persoon op 16 februari 2016 duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn kan hij het duurzaam verblijfsrecht enkel verliezen door een afwezigheid van twee of meer jaar uit Nederland. Gelet hierop dient er een Terugkeergarantie aangevraagd te worden.

5.5.

Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het arrest van het Europese Hof inzake Popławski niet relevant is voor de beoordeling van het gelijkstellingsverweer.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.6.

Volgens de gegevens van de IND heeft de opgeëiste persoon zich op 28 februari 2011 gemeld en is het verblijf als gemeenschapsonderdaan op die datum ingegaan. Voorts bestaat bij de IND niet de verwachting dat het verblijfsrecht verloren zal gaan als gevolg van de veroordeling waarvoor de overlevering wordt gevraagd. De rechtbank constateert dat genoemde datum correspondeert met de inschrijving in de basisregistratie personen op een Nederlands adres. Voorts constateert de rechtbank dat op eerdere zittingen het openbaar ministerie heeft bevestigd dat het onafgebroken verblijf vanaf die datum niet in geschil is. De rechtbank gaat daar van uit. Beoordeeld dient te worden of is aangetoond dat dit verblijf in de vijf jaar voorafgaand aan de (eind)uitspraak in deze overleveringsprocedure rechtmatig is geweest.

5.7.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon op 28 februari 2016 een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen omdat zijn verblijf in de vijf jaar daaraan voorafgaand steeds rechtmatig is geweest en dat hij dit duurzaam verblijfsrecht sindsdien niet heeft verloren.

5.8.

De rechtbank constateert dat uit de overgelegde gegevens volgt dat de opgeëiste persoon in het jaar 2013 minder heeft verdiend dan de helft van de toepasselijke norm volgens de sociale bijstandswetgeving en dat niet is gebleken dat hij zich in die periode heeft ingeschreven als (aanvullend) werkzoekende of anderszins aanvullende inspanningen op de arbeidsmarkt heeft gedaan. Ook verdere gegevens over de concrete omstandigheden waarin de opgeëiste persoon in die periode heeft verkeerd ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon in het jaar 2013 zijn werknemerschap volgens de verblijfsrichtlijn heeft behouden.

5.9.

De verdediging heeft betoogd dat hij in deze periode (en latere periodes van een gering of ontbrekend inkomen uit arbeid) rechtmatig heeft verbleven als economisch niet-actieve EU onderdaan omdat hij kon beschikken over voldoende middelen van bestaan. Betoogd is dat hij heeft geleefd van spaargeld en aanvullend is onderhouden door zijn moeder. Volgens de verdediging is echter reeds beslissend dat hij geen beroep heeft gedaan op een uitkering krachtens de sociale bijstandswetgeving. In dit verband heeft hij verwezen naar de conclusie van de Advocaat Generaal in de bij het Europese Hof van Justitie dienende zaak Gusa (C- 442/16).

5.10.

De rechtbank constateert dat inderdaad niet is gebleken van een sociale bijstandsuitkering, maar dat evenmin enig stuk is overgelegd omtrent het gestelde spaargeld en het gestelde onderhoud door de moeder. Wel is gebleken dat de opgeëiste persoon in Nederland meerdere malen voor diefstal is veroordeeld, waaronder een winkeldiefstal in 2013. Voorts heeft hij ter zitting verklaard dat hij in sommige periodes (ook) “zwart” heeft gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat ook indien geen sociale bijstandsuitkering is aangevraagd, in een en ander een indicatie ligt dat geen sprake is geweest van voldoende (legale) middelen van bestaan. De rechtbank overweegt dat het Europese Hof van Justitie in zijn arrest van 20 december 2017 inzake Gusa (C-442/16) het door de raadsman aangehaalde standpunt van de Advocaat Generaal niet heeft bevestigd.

5.11.

Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet is aangetoond dat het verblijf van de opgeëiste persoon in het jaar 2013 rechtmatig is geweest en derhalve evenmin dat dit jaar kan meetellen voor de vraag of een duurzaam verblijfsrecht is verkregen. Nu de rechtbank heden uitspraak doet, volgt hieruit eveneens dat niet is aangetoond dat in de vijf jaar teruggerekend vanaf heden, derhalve tot februari 2013 het verblijf steeds rechtmatig is geweest. Dit brengt mee dat de gegevens vanaf het jaar 2014 niet meer relevant zijn.

5.12.

Het beroep op gelijkstelling met een Nederlander wordt afgewezen.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Circuit Law Court in Świdnica (Polen) voorzover deze is verzocht voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd bij het vonnis van het District Law Court of Wałbrzych van 26 januari 2007 (X K 955/06).

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.