Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6514

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
13/659205-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

3 maanden gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan diefstal van een scooter en medeplichtigheid aan poging diefstal in vereniging d.m.v. braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659205-17 (Promis)

Datum uitspraak: 6 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,
verblijvende op het adres [verblijfadres] .

1 Zitting

Dit vonnis is op gewezen naar aanleiding van de terechtzitting van 23 augustus 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat de gemachtigde raadsman mr. F.M.M.M. Vogels naar voren heeft gebracht.

2 Beschuldiging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij:

1. primair: samen met een ander met geweld een scooter heeft gestolen van [slachtoffer 1] op 18 augustus 2016;

subsidiair: medeplichtigheid aan genoemde diefstal met geweld tegen [slachtoffer 1] ;

2. primair: samen met een ander gepoogd heeft in de woning van [slachtoffer 2] in te breken op 30 augustus 2017;

subsidiair: medeplichtigheid aan bovengenoemde inbraak.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Bewezen kan worden verklaard dat medeverdachte [naam medeverdachte feit 1] geweldshandelingen jegens [slachtoffer 1] verricht en de scooter van [slachtoffer 1] wegneemt. Voorts kan worden bewezen dat verdachte daarbij tegen [slachtoffer 1] schreeuwt, voor getalsmatige versterking van [naam medeverdachte feit 1] zorgt en op de scooter van medeverdachte wegrijdt, zodat de medeverdachte op de scooter van [slachtoffer 1] kan wegrijden.

Onvoldoende duidelijk wordt of [naam medeverdachte feit 1] vanaf het eerste moment uit is geweest op de scooter van het slachtoffer en daarom het geweld heeft toepast. Nu dit oogmerk niet kan worden bewezen komt de officier van justitie tot een bewezenverklaring van de diefstal, doch dient vrijspraak te volgen voor het daaraan gekoppelde geweldsaspect.

Verdachte heeft door zijn handelen zoals in het eerste, tweede en vijfde gedachtestreepje is verwoord een zodanige bijdrage aan deze diefstal verleend dat hij als medeplichtige aan deze diefstal zoals subsidiair is tenlastegelegd kan worden veroordeeld. Verdachte dient partieel vrijgesproken te worden van het derde en vierde gedachtestreepje.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie het medeplegen met anderen van de poging woninginbraak bewezen, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten nu niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld, dat verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair

De rechtbank gaat op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] uit van de volgende feiten:

Op 18 augustus 2016 omstreeks 18.00 uur reed [slachtoffer 1] bij zijn moeder vandaan. Bij de omgeving van de Nescio brug zag hij een scooter voor hem rijden met twee personen erop. [slachtoffer 1] kende de twee personen als [naam medeverdachte feit 1] (bestuurder van de scooter) en diens vriend ‘ [verdachte] ’ (achterop de scooter). [slachtoffer 1] reed vervolgens met zijn scooter langs hen. Hij zag dat de scooter achter hem aankwam. Bij het sportpark, ter hoogte van Kruislaan, is [slachtoffer 1] gestopt. [naam medeverdachte feit 1] en zijn bijrijder zijn vervolgens naar [slachtoffer 1] toegereden en stopten naast hem. Er vond een schreeuwpartij plaats waarbij door met name [naam medeverdachte feit 1] geweld is toegepast tegen [slachtoffer 1] . De bijrijder heeft ook hard tegen [slachtoffer 1] geschreeuwd en is dicht achter [naam medeverdachte feit 1] richting aangever gelopen. Vervolgens is [naam medeverdachte feit 1] op de scooter van [slachtoffer 1] weggereden. De bijrijder reed tegelijkertijd weg op de scooter van [naam medeverdachte feit 1] .

[slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij [naam medeverdachte feit 1] al langer kent en dat hij nog een oud telefoonnummer van [naam medeverdachte feit 1] in zijn telefoon had staan. Hij heeft de profielfoto aan de politie gezonden en bij de politie verklaard dat hij eerder met deze [naam medeverdachte feit 1] is gecontroleerd door de politie. Uit nader onderzoek door de politie is naar voren gekomen dat het hier [naam medeverdachte feit 1] betreft. Gelet op dit onderzoek en het door aangever en de getuigen verstrekte signalement van de bestuurder, waarvan de rechtbank gebleken is dat deze op belangrijke punten overeenstemmen met de zich in het dossier bevindende politiefoto van [naam medeverdachte feit 1] , acht de rechtbank bewezen dat [naam medeverdachte feit 1] de bestuurder van de scooter was.

Uit politiemutaties volgt dat verdachte een facebookprofiel heeft met de naam [verdachte] en dat hij meermalen in gezelschap van [naam medeverdachte feit 1] is gecontroleerd. De laatste mutatie dateert van circa 2,5 maand voor het tenlastegelegde feit. [slachtoffer 1] heeft verdachte op een door de politie aan hem getoonde foto als [verdachte] herkend. Ook stelt de rechtbank vast dat de politiefoto van verdachte op belangrijke punten overeenkomt met het door verdachte en de getuigen opgegeven signalement van de bijrijder. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de bijrijder op de scooter is geweest.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de bewezen gedragingen dienen te worden gekwalificeerd als diefstal en niet als diefstal met geweld, nu niet kan worden vastgesteld dat [naam medeverdachte feit 1] het geweld tegen [slachtoffer 1] heeft toegepast met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, te vergemakkelijken, het bezit van de scooter te verzekeren of de vlucht mogelijk te maken.

Verdachte is behulpzaam geweest bij het plegen van de diefstal. Verdachte is immers in de richting van [slachtoffer 1] gelopen en heeft fysiek overwicht gegeven door bij [naam medeverdachte feit 1] te blijven staan. Hierbij heeft verdachte hard tegen [slachtoffer 1] geschreeuwd. Vervolgens is verdachte op de scooter van [naam medeverdachte feit 1] weggereden waardoor [naam medeverdachte feit 1] op de scooter van [slachtoffer 1] weg kon rijden. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte medeplichtig is aan de diefstal van de scooter, zoals vermeld in rubriek 4.

3.3.2.

Bewezenverklaring feit 2 subsidiair

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid

aan de poging tot inbraak in vereniging, zoals subsidiair onder 2 is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Op grond van de bevindingen van de politie, met

name de wijze waarop verdachte en de twee medeverdachten, [medeverdachte 1 feit 2] en [medeverdachte 2 feit 2] , door de

politie zijn aangetroffen en op grond van de verklaring van [medeverdachte 2 feit 2] dat hij was met de twee

jongens met wie hij is aangehouden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte en de

medeverdachten op 30 augustus 2017 in de [adres] zijn gezien door de meldster

van een poging inbraak. Op basis van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die bezig was het slot te forceren. Getuige [getuige 3] heeft

verklaard dat er één jongen bij de woning stond en één jongen naast de woning. De derde jongen stond bij een zilvergrijze auto. Hoewel de beelden donker zijn, bevestigen deze de laatstgenoemde verklaring. Op de beelden is te zien dat er één jongen voor de voordeur staat en één jongen, die schichtig om zich heen kijkt, op de hoek van de straat. Nu de rechtbank op grond van het dossier niet kan vaststellen dat verdachte bij de deur stond, komt de rechtbank niet tot een veroordeling voor medeplegen, maar stelt de rechtbank vast dat verdachte op zijn minst op de uitkijk moet hebben gestaan, waardoor zijn aandeel in ieder geval leidt tot medeplichtigheid, zoals vermeld in rubriek 4. Verdachte wordt vrijgesproken van het primair onder feit 2 tenlastegelegde.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat :

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

[naam medeverdachte feit 1] op 18 augustus 2016 te Amsterdam, op de openbare weg de Kruislaan, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter, toebehorende aan [slachtoffer 1] .

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door

- samen met voornoemde [naam medeverdachte feit 1] in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te lopen en fysiek overwicht te geven door dicht bij voornoemde [naam medeverdachte feit 1] te blijven staan en

- hard tegen voornoemde [slachtoffer 1] te schreeuwen en

- op de scooter van voornoemde [naam medeverdachte feit 1] weg te rijden waardoor voornoemde [naam medeverdachte feit 1] op de scooter van voornoemde [slachtoffer 1] kon wegrijden.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

[medeverdachte 1 feit 2] en/of [medeverdachte 2 feit 2] op 30 augustus 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door voornoemde [medeverdachte 1 feit 2] en/of [medeverdachte 2 feit 2] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen, een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak opzettelijk met zijn/hun mededader(s), naar voornoemde woning zijn toegegaan, waarna voornoemde [medeverdachte 1 feit 2] en/of [medeverdachte 2 feit 2] en/of zijn/hun mededader(s) (door middel van de zogenaamde 'kerntrekmethode') een (cilinder)slot van een (toegangs)deur van voornoemde woning heeft/hebben verbroken en verwijderd,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan bij voornoemd misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Strafoplegging

6.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan heeft de verdediging verzocht ten aanzien van feit 2 een taakstraf op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte is medeplichtig geweest aan een diefstal van een scooter en aan een poging tot woninginbraak. Gedragingen als die van verdachte zijn ernstig, niet alleen omdat een diefstal en een poging tot inbraak materiële schade opleveren voor de slachtoffers, maar ook omdat dergelijke delicten leiden tot onrust en gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en hun omgeving. De wijze waarop de diefstal ten aanzien van feit 1 is gepleegd, weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte. Het betreft hier geen ‘eenvoudige’ diefstal, maar een incident dat een grote impact heeft gehad op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zelfs getracht om zijn aangifte in te trekken uit angst.

Op dergelijke feiten kan volgens de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is ook gelet op het strafblad van verdachte van 27 juli 2018 waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. Nu er sprake is van recidive heeft het strafblad van verdachte strafverzwarende invloed. De rechtbank houdt in straf verlichtende zin rekening met de omstandigheid dat feit 1 twee jaar oud is.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 48, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

medeplichtigheid aan diefstal.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

medeplichtigheid aan poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. H.E. Spruit en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Todorov, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 september 2018.