Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6474

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
13/047071-00 2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS-verlenging. Hervatting dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/047071-00, 23/003891-01

Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 4 juni 2018 in de zaak tegen:

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1967,

thans gedetineerd in [detentieadres]

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het hervatten van de verpleging van overheidswege.

De procesgang

Bij arrest van 21 mei 2002 van het gerechtshof te Amsterdam is de terbeschikkinggestelde ter beschikking gesteld, teneinde van overheidswege te worden verpleegd. Bij beslissing van deze rechtbank van 18 juni 2018 werd deze terbeschikkingstelling voor de tijd van twee jaren verlengd.

Bij beslissing van deze rechtbank van 5 oktober 2017 werd de verpleging van overheidswege met ingang van 19 oktober 2017 voorwaardelijk beëindigd. Bij beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2018 werd voornoemde beslissing bevestigd, met aanvulling en wijziging van de voorwaarden.

De officier van justitie heeft bij vordering ex artikel 38k van het Wetboek van Strafrecht van 4 juni 2018, onder intrekking van een eerder uitgereikte vordering van 31 mei 2018, de hervatting van de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde gevorderd.

Bij beslissing van deze rechtbank van 18 juni 2018 is de voorlopige hervatting van de verpleging van overheidswege bevolen en is het onderzoek voor wat betreft de vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege aangehouden. Hierbij heeft de officier van justitie de opdracht gekregen aan SVG Mondriaan Reclassering Limburg en de deskundigen B. van Giessen en J.L.M. Dinjens, aanvullend te rapporteren over de terbeschikkinggestelde, over de voorwaarden waaronder voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan worden voortgezet, op welke manier het recidiverisico binnen de relatie kan worden beteugeld en hoe dat in praktische zin dient te worden ingevuld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2002;

  • -

    genoemde beslissingen van de rechtbank van 5 oktober 2017 en van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2018;

  • -

    het op 2 mei 2018 op grond van artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van de kliniek, [naam kliniek] , strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar en continuering van de verpleging van overheidswege, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;

  • -

    drie reclasseringsadviezen van SVG Mondriaan Reclassering Limburg van 15 februari 2018, 25 april 2018, 6 juni 2018 en 24 augustus 2018;

  • -

    de Pro Justitia rapportages van psycholoog B. van Giessen van 30 april 2018 en 27 augustus 2018;

  • -

    de pro Justitia rapportages van psychiater J.L.M. Dinjens van 30 april 2018 en 27 augustus 2018;

  • -

    het strafdossier in de zaak met proces-verbaalnummer PL2000-2018122430 dat betrekking heeft op een verdenking van mishandeling van zijn (ex-)partner [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op 28 mei 2018;

  • -

    een uittreksel Justitiële Documentatie van 4 juni 2018 betreffende de terbeschikkinggestelde;

  • -

    een e-mail van [geboortedatum] 2018 van [slachtoffer] ;

  • -

    een e-mail van de raadsman van de terbeschikkinggestelde van 18 juni 2018;

  • -

    de processen-verbaal van deze rechtbank van 18 juni 2018 en 25 juli 2018;

  • -

    de (tussen)beslissing van deze rechtbank van 18 juni 2018, waarbij het onderzoek in openbare raadkamer (de rechtbank begrijpt: zitting) is heropend en geschorst en de rechtbank heeft bevolen dat voornoemde deskundigen een aanvullend rapport dienden op te maken.

De rechtbank heeft op 29 augustus 2018 de officier van justitie mr. S. Sondermeijer, de terbeschikkinggestelde en diens raadsman mr. A.R. Ytsma, advocaat te Haarlem, alsmede de deskundigen J.L.M. Dinjens (psychiater), B. van Giessen (psycholoog) en J.L.J. Volders, als reclasseringswerker verbonden aan SVG Mondriaan Reclassering Limburg, ter openbare zitting gehoord. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

In de beslissing van 18 juni 2018 heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling met twee jaren verlengd. Gelet op de in die beslissing vermelden adviezen, het verhandelde ter openbare zitting van 18 juni 2018 en de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank tot dat oordeel gekomen. Aan de wettelijke vereisten voor verlenging is voldaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat de stoornis van de terbeschikkinggestelde nog aanwezig is en dat nog sprake is van het risico op herhaling.

De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien, vanwege de verdenking dat de terbeschikkinggestelde een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd, waarvoor hij zal worden gedagvaard, de voorlopige hervatting van de verpleging van overheidswege te bevelen.

De rechtbank heeft vervolgens de beslissing op de vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege aangehouden en daartoe overwogen;

“De rechtbank overweegt dat de stap van een verblijf van de terbeschikkinggestelde in klinieken naar het naar buiten gaan in het kader van de voorwaardelijke beëindiging zeer groot is gebleken. De rechtbank stelt vast dat sprake is van risico’s in de (intieme) relationele sfeer. De rechtbank wenst nader te worden geïnformeerd over de voorwaarden waaronder een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan worden voortgezet, op welke manier het recidiverisico binnen de relatie kan worden beteugeld en hoe dat in praktische zin dient te worden ingevuld. De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht de reclassering en de deskundigen Van Giessen en Dinjens hierover een rapport op te laten maken.”

Aan het aanvullende advies van SVG Mondriaan Reclassering Limburg van 24 augustus 2018 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Het traject van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidsweg ging van start op 17 mei 2018. Betrokkene werd op 22 mei 2018 geplaatst in [naam instelling 1] . Hij werd ook aangemeld bij FPP [naam instelling 2] , om een individueel behandel-, c.q. begeleidingstraject en/of systeemtherapie op te starten.

Op 28 mei 2018 heeft betrokkene zijn vriendin [slachtoffer] mishandeld in haar woning te Etten-Leur. Hij verbleef dat weekend bij zijn vriendin en hun 4-jarige dochter. De aanleiding was een discussie over de vraag of [slachtoffer] nog contact had met een ex-vriend. Volgens [slachtoffer] heeft betrokkene haar telefoon afgepakt en die tegen haar hoofd en/of neus gegooid. Ook heeft hij haar geslagen en/of tegen de bank geduwd en haar keel dichtgeknepen. Op dit laatste is ze later teruggekomen.

Volgens de reclassering zullen partnercontacten onder toezicht en/of begeleiding in het algemeen kunnen plaatsvinden binnen het kader van verloven binnen de tbs met verpleging. Binnen het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging is dit – zeker in deze casus – feitelijk niet realiseerbaar. De reclassering is van mening dat er binnen het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging maar een beperkt aantal aanpassingen mogelijk is om het recidiverisico, met name op relationeel geweld, te beperken.

In het geval er een (tijdelijk) contactverbod als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, is de kans reëel dat betrokkene en [slachtoffer] elkaar zien indien zij dit willen.

Als betrokkene dit niet kenbaar maakt, heeft de reclassering er ook geen weet van. Het risico op relationeel geweld kan met deze voorwaarde dus niet worden uitgesloten.

In het geval betrokkene in een RIBW met 24-uurs begeleiding zou worden geplaatst met de restrictie dat zijn vriendin hem daar tijdens het weekend kan bezoeken, kan evenmin worden uitgesloten dat zij elkaar toch ontmoeten. Dus ook middels plaatsing in een 24-uurs setting kan de reclassering theoretisch het risico op partnergeweld inperken, maar wat de reclassering betreft blijft sprake van het creëren van een bepaalde mate van ‘schijnveiligheid’.

Voor wat betreft het opnemen van een voorwaarde inhoudende dat betrokkene in een FPA wordt geplaatst geldt dat betrokkene niet gemotiveerd is voor een plaatsing in een FPA en dat uit eerdere rapportages al duidelijk is geworden dat het effect van een nieuw klinisch behandeltraject als gering wordt ingeschat.

Uit het voorgaande blijkt dat het mogelijk is de huidige voorwaarden iets aan te passen. De reclassering is echter van mening dat het traject van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging impliceert dat het verantwoord moet zijn dat betrokkene met een bepaalde mate van vrijheid en eigen verantwoordelijkheid naar buiten kan gaan. In het traject van betrokkene was een ambulant kader gecreëerd, waarbinnen de maximale inzet van forensische begeleiding en toezicht gewaarborgd was. De reclassering ziet weinig mogelijkheden om het traject van betrokkene om een ander wijze voort te zetten.

Betrokkene heeft vele jaren in klinieken verbleven waarbij de kernproblematiek, als gevolg van de constante strijd die bestond tussen betrokkene en de klinieken, niet of nauwelijks is behandeld. Hij heeft niet kunnen oefenen met relationele dynamieken in het kader van verloven. Hij heeft het voordeel van de twijfel gekregen, omdat er geen agressie-incidenten in de klinieken hebben plaatsgevonden. Nu is gebleken dat het binnen een aantal dagen is misgegaan, is voortzetting van het traject van de voorwaardelijke beëindiging niet zonder risico’s.

De deskundige heeft dit advies ter zitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Hij heeft daartoe onder meer verklaard, op de vraag of het kader van de voorwaardelijke beëindiging steviger kan worden neergezet, dat de voorwaarden kunnen worden aangepast, maar dat een contact onder toezicht in de praktijk lastig is te realiseren en te controleren. Zelfs in een RIBW met 24-uurs begeleiding kan betrokkene met zijn vriendin afspreken. Het recidiverisico kan worden verminderd, maar niet worden uitgesloten.

Het is mogelijk dat betrokkene opnieuw in [naam instelling 1] kan worden geplaatst, als ook bij FPP [naam instelling 2] . In het kader van het eventueel voortduren van de voorwaardelijke beëindiging is dan in de beginperiode een fysiek contactverbod geboden.

Aan het aanvullende advies van psycholoog drs. B. van Giessen van 27 augustus 2018 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Met de mishandeling van [slachtoffer] , een week nadat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege was uitgesproken, kan feitelijk niet anders geconcludeerd worden dat het recidiverisico hoog is en voorkomt uit de persoonlijkheidspathologie van betrokkene. Hij is geneigd de strijd aan te gaan, zijn eigen koers te varen, te externaliseren of bagatelliseren en hij heeft een beperkt vermogen tot empathie. De copingvaardigheden blijken beperkter dan werd aangenomen.

Zonder de beschermende maatregel tbs neemt het recidiverisico op relationeel geweld snel toe, zo is gebleken. Naast relationele problemen kunnen in de toekomst ook conflicten met de reclassering leiden tot een toename van het recidiverisico. Op grond van de voorgeschiedenis van betrokkene zal dit risico op de langere termijn ten minste matig zijn. Er dienen daarom zoveel mogelijk beschermende factoren te worden ingezet om de kans op recidive zo klein mogelijk te houden.

Doordat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege snel plaatsvond, was er weinig tijd om de ambulante behandeling en systeemtherapie te starten. Dat neemt niet weg dat de mishandeling, ook als is er sprake van een interactioneel component, als een zorgelijke gebeurtenis moet worden gezien. De psycholoog adviseert de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te continueren, met aanpassing van de aanpassing van de voorwaarde(n) dat betrokkene alleen onder begeleiding / toezicht contact mag hebben met zijn vriendin [slachtoffer] .

De deskundige heeft dit advies ter zitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Hij heeft daartoe onder meer verklaard dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat, tenminste matig. Iedereen is van het incident met [slachtoffer] geschrokken en van het feit dat het zo snel uit de hand is gelopen. Er dient aan de hand van systeemgesprekken te worden gekeken wat er aan de hand is met betrokkene. Hij heeft een training nodig zodat hij leert wanneer hij een time-out moet nemen. Dat er nog steeds sprake is van achterdocht is zorgelijk. Als de spanning oploopt en betrokkene wordt gekrenkt, dan durft de psycholoog zijn hand er niet voor in het vuur te steken dat het niet zal escaleren. Dit is namelijk precies wat er gebeurd is voorafgaand aan het indexdelict. De behandeling tijdens de tbs met dwangverpleging is niet goed gelukt, omdat betrokkene het indexdelict nooit heeft erkend. Het is moeilijk in de nabije toekomst te bepalen hoe hoog het risico is. Deskundige Van Giessen adviseert betrokkene nog een kans te geven en door te gaan met de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

Aan het aanvullende advies van psychiater J.L.M. Dinjens van 27 augustus 2018 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Er is ten opzichte van de risicotaxatie van het rapport van 30 april 2018 een gewijzigde inschatting van het risico op recidive op korte termijn. Op middellange termijn loopt het recidiverisico gradueel op naar matig tot hoog, met name indien betrokkene relaties zou aangaan. Er is sprake van ernstige persoonlijkheidspathologie, waarbij de kernproblematiek, ondanks jarenlang verblijf in de verschillende tbs-klinieken beperkt bewerkbaar is gebleken.

Betrokkene is enkele dagen na de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging gerecidiveerd in huiselijk geweld. Dit heeft plaatsgevonden binnen de relationele sfeer, waarbij elementen in de persoonlijkheid van betrokkene, zoals wantrouwen, jaloezie en krenkbaarheid zijn getriggerd en hij niet meer beschikte over inhibitie-mechanismen. Betrokkene minimaliseert, bagatelliseert en externaliseert de escalatie en neemt hierin nauwelijks verantwoordelijkheid of berouw. Deze omgang met delictgedrag vormt een patroon, wanneer er gekeken wordt naar eerdere delicten in de relationele sfeer.

Betrokkene geeft aan te willen leren van zijn fouten en hiertoe nauwelijks de kans te hebben gekregen dit onder begeleiding en behandeling te oefenen in de praktijk. Hij wil de relatie met [slachtoffer] graag voortzetten of indien dit niet mogelijk blijkt te zijn, streven naar een omgangsregeling met zijn dochtertje. De vraag werpt zich op in hoeverre dit een reële optie is en of omzetting naar verpleging van overheidswege niet te vroeg en disproportioneel is. De hervatting van de verpleging zal immers naar alle waarschijnlijkheid tot een gecompliceerd en langdurig traject leiden, waarin een verblijf in een longstay voorziening een serieuze mogelijkheid zal kunnen zijn.

Gezien de geactualiseerde risicotaxatie, in samenhang met de pathologie, ziet de psychiater weinig mogelijkheden tot voortzetting van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. De risico’s zullen zowel op de korte, middellange als lange termijn aanzienlijk blijven, wanneer er geen sprake is van een hoogbeveiligde en gestructureerde omgeving.

Het formuleren van stringentere voorwaarden, zoals verblijf in een 24-uurs setting en/of een contactverbod is een mogelijkheid, maar zal naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een herhaling van zetten of een schijnveiligheid kunnen suggereren die niet kan worden waargemaakt. Ook de reclassering voorziet de risico’s en heeft gerede twijfels bij de uitvoering van de continuering van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

De deskundige heeft dit advies ter zitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. Hij heeft daartoe onder meer verklaard dat in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is geprobeerd een impasse te doorbreken. Dat is niet gelukt. Hij blijft bij zijn aanbeveling dat hij weinig mogelijkheden ziet om de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging voort te zetten.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de voorwaarden, zoals geformuleerd ten tijde van het voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, onvoldoende zijn gebleken om het gevaar dat de terbeschikkinggestelde wederom geweld toepast tegen ander te voorkomen. De psycholoog en de psychiater zijn het – ondanks dat zij wisselende bewoordingen gebruiken – min of meer eens over de mate waarin het risico op recidive wordt ingeschat, namelijk als matig tot hoog. Tegen deze achtergrond en mede in het licht van de gebeurtenissen op 28 mei 2018, die gelijkenissen vertonen met de aanloop naar het indexdelict, kan van voorzetting van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging naar het oordeel van de rechtbank alleen sprake zijn indien de risico’s op (partner)geweld voldoende kunnen worden ingeperkt middels het stellen van voorwaarden.

Uit bovenstaande rapporten en de toelichting daarop door de verschillende deskundigen, blijkt dat zij het erover eens zijn dat de huidige voorwaarden onvoldoende zijn gebleken om recidive te voorkomen. De psycholoog en de psychiater verschillen van mening over de vraag of aanpassing van de voorwaarden het recidiverisico tot een aanvaard niveau kan inperken. Voor het aanpassen van de voorwaarden in die zin dat contact met toezicht met [slachtoffer] vooralsnog afdoende is om het recidivegevaar af te wenden, zoals geadviseerd door de psycholoog, ziet de rechtbank geen ruimte nu de reclassering heeft gesteld dat zij daar onvoldoende toezicht op kan houden. Sterker nog, dit zou tot schijnveiligheid kunnen leiden, aldus zowel de reclassering als de psychiater.

Gezien de aard en de ernst van het feit waarvan de terbeschikkinggestelde wordt verdacht, welk feit hij ontkent dan wel bagatelliseert, in samenhang bezien met het door de terbeschikkinggestelde gepleegde indexdelict, het verhoogde recidiverisico, alsmede de weerstand die de terbeschikkinggestelde sinds de start van de tbs in 2005 heeft tegen de ingezette behandelingen in de diverse klinieken, waardoor de pathologie nauwelijks is behandeld, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen een hervatting van de verpleging van overheidswege eist.

De rechtbank onderkent dat hervatting van de verpleging van overheidswege ingrijpend is voor de terbeschikkinggestelde, maar zij is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen.

De rechtbank zal, overeenkomstig het bepaalde in artikel 509n van het Wetboek van Strafvordering, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege opheffen en gelasten dat de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde zal worden hervat.

Beslissing

De rechtbank:

- heft op de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

- gelast dat de verpleging van overheidswege van [terbeschikkinggestelde] wordt hervat.

Deze beslissing is gegeven door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 12 september 2018.

De voorzitter is buiten staat

mede te ondertekenen

.