Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6464

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 958
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond - Wet WIA - wel volledig, niet duurzaam - onderzoek zorgvuldig - curatieve sector meegewogen - geen blijk van duurzame ao - geen derdedeskundige nodig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/958

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [naam]).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser per 5 juni 2017 een loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-)uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.

Bij besluit van 11 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en daarbij het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is niet verschenen en heeft te kennen gegeven alleen een kopie van de uitspraak te willen ontvangen.

Overwegingen

Wat aan deze procedure is voorafgegaan

1. Eiser heeft laatstelijk gewerkt als facilitair medewerker voor gemiddeld 36 uur per week. Op 1 december 2014 is hij uitgevallen voor zijn werk door psychische klachten. Op 8 september 2016 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens is aan de (voormalig) werkgever van eiser een loonsanctie opgelegd vanaf 25 november 2016, die vervolgens is bekort per 5 juni 2017.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser per 5 juni 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van

80-100%. Aan dit besluit ligt een rapportage van een primaire verzekeringsarts van 24 april 2017 ten grondslag. Volgens de verzekeringsarts heeft eiser geen benutbare mogelijkheden.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit van 11 januari 2018 ligt een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag van 9 januari 2018. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep acht eiser wel volledig – maar niet duurzaam – arbeidsongeschikt. Eiser heeft daarom recht op een loongerelateerde WGA-uitkering, maar niet op een IVA-uitkering, aldus verweerder.

4. Partijen zijn het er over eens dat eiser op datum in geding volledig arbeidsongeschikt is. In deze zaak is uitsluitend in geschil of de volledige arbeidsongeschiktheid van eiser ook duurzaam is. Als dat zo is, heeft hij recht op een IVA-uitkering.

Het standpunt van eiser

5. In beroep voert eiser in essentie aan dat hij vanwege psychische en lichamelijke klachten volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid is. Hij heeft daarom recht op een IVA-uitkering. Het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onzorgvuldig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk zijn rapport opgesteld zonder de opgevraagde informatie van de behandelend psychotherapeut af te wachten. Volgens eiser volgt uit de informatie van zijn bedrijfsarts dat zijn klachten wél als duurzaam moeten worden aangemerkt. Hij verzoekt de rechtbank om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Bespreking van de medische beroepsgronden

Het beoordelingskader van de rechtbank

6. Voor de beoordeling van het beroep van eiser zijn de volgende uitgangspunten van belang. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van haar verzekeringsartsen en arbeidskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapportages. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.

7. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

8. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in zijn uitspraak van 4 februari 20091, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

Het medisch onderzoek van verweerder

9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 9 januari 2018 de dossiergegevens van eiser bestudeerd, eiser gezien op de hoorzitting van 30 november 2017 en eiser na afloop van deze hoorzitting lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser negen maanden eerder lichamelijk en psychisch onderzocht in het kader van de loonsanctiezaak en in zijn rapport van 27 maart 2017 uitvoerig verslag gedaan van de psychische klachten van eiser. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van het rapport van de primaire verzekeringsarts, het bezwaarschrift bestudeerd en uitgebreide medische informatie van derden beoordeeld en bij het onderzoek betrokken. De verzekeringsarts heeft daarnaast informatie opgevraagd bij de behandelend psychotherapeut maar heeft – ondanks het versturen van een herinneringsbrief – vóór de afsluitingsdatum van zijn rapport geen reactie ontvangen van de psychotherapeut. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat de inhoud van de ontvangen informatie van de curatieve sector niet leidt tot een ander medisch oordeel. De situatie van de knie gaat nog steeds vooruit en er is geen eindtoestand, zo citeert hij de orthopedisch chirurg. Ook gebruikt eiser geen scootmobiel meer. De beperkingen van de knie zijn dus niet duurzaam, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De psychische klachten hebben geen rol gespeeld in het oordeel dat eiser volledig arbeidsongeschikt is. Er zijn nu wel psychische beperkingen, maar deze zijn niet zeer ernstig. Eiser is daarvoor in behandeling en de klachten van depressie en PTSS zijn goed te behandelen. Daarom ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om aan te nemen dat de beperkingen duurzaam zijn.

10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de brief van de psychotherapeut van 17 februari 2018 op 10 april 2018 een nader rapport opgesteld. Hij heeft geschreven dat de brief van de psychotherapeut is betrokken en niet leidt tot een ander medisch oordeel omdat eiser volledig arbeidsongeschikt is vanwege de operatie en revalidatie van de knie. Hij acht het evident dat die situatie kan verbeteren en ziet dat bevestigd in de brief van de orthopedisch chirurg. Eiser is niet volledig arbeidsongeschikt geacht in verband met de psychische klachten. Uit de brief van de psychotherapeut blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook dat de behandeling rond datum in geding is gericht op verbetering van het functioneren.

De zorgvuldigheid van het onderzoek

11. Het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de hiervoor onder 6 genoemde vereisten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een dossieronderzoek heeft verricht en de hoorzitting heeft bijgewoond, waarbij hij een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verklaringen van de curatieve sector in zijn oordeel betrokken.

12. Dat de verzekeringsarts bewaar en beroep de reactie van de psychotherapeut niet heeft afgewacht, maakt het onderzoek nog niet onzorgvuldig. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser zelf psychisch heeft onderzocht, zowel na de hoorzitting als negen maanden eerder in het kader van de loonsanctiezaak. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aanwezige informatie van de curatieve sector meegewogen en de diagnoses overgenomen. Volgens vaste rechtspraak2 mag een verzekeringsarts varen op zijn eigen medisch oordeel wat betreft het aannemen van beperkingen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 1 december 2017 de psychotherapeut van eiser om informatie gevraagd en drie weken later een herinneringsbrief gestuurd. Uiteindelijk heeft de psychotherapeut bijna drie maanden na het verzoek om informatie gereageerd. Gelet op de doorlooptijden voor het tijdig nemen van de beslissing op bezwaar en het onderzoek zoals hiervoor is vermeld, had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de psychotherapeut niet hoeven afwachten. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nadere rapport van 10 april 2018 alsnog inhoudelijk gereageerd op de informatie van de psychotherapeut en gemotiveerd overwogen waarom hij daarin geen aanleiding ziet om tot een andere medische beoordeling te komen.

Is de arbeidsongeschiktheid duurzaam?

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van eiser niet duurzaam is. Hij schrijft in zijn rapport van 9 januari 2018 dat eiser niet belastbaar was in afwachting van zijn operatie en veel tijd en energie nodig had voor zijn revalidatie. Eiser is om die reden niet belastbaar geacht en niet vanwege zijn psychische klachten. De verzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk opgeschreven waarom de knieklachten niet duurzaam zijn. Hierbij heeft hij zijn eigen observatie en de verklaring van de orthopeed betrokken, waaruit blijkt dat de knie vooruit gaat en er nog geen sprake is van een eindtoestand. Dat de psychische klachten niet duurzaam zijn heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook duidelijk gemaakt, door vast te stellen dat eiser daarvoor in behandeling is, dat de behandeling gericht is op verbetering en dat de klachten goed behandelbaar zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en voldoende gemotiveerd dat sprake is van een meer dan geringe kans op herstel. Eiser heeft geen nieuwe medische gegevens in het geding gebracht die aanknopingspunten bieden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

14. De rechtbank ziet in de informatie van de bedrijfsarts van eiser evenmin reden om het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Hierbij is van belang dat het behoort tot de specifieke taak en expertise van de verzekeringsarts (en niet de bedrijfsarts) om uit het geheel van medische onderzoeksbevindingen de beperkingen van een verzekerde in kaart te brengen en te beoordelen of deze een duurzaam karakter hebben. Daarbij is ook van belang dat de bedrijfsarts in zijn verklaringen van 17 juni 2016, 15 september 2016, 27 oktober 2016 en

5 december 2016 niet expliciet stelt dat de psychische klachten wél duurzaam zijn. Hij vermeldt op de vraag op welke termijn herstel en volledige hervatting van het werk te verwachten is ‘dat dit nog niet aan te geven is en van meerdere factoren afhankelijk is’ en later ‘op lange termijn’. Dit sluit verbetering niet uit. Uit deze verklaringen kan niet worden afgeleid dat de psychische klachten van eiser duurzaam zijn, dan wel dat door deze verklaringen daarover twijfel is ontstaan.

15. De rechtbank ziet gelet op wat hiervoor is overwogen geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zodat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan het bestreden besluit ten grondslag mochten worden gelegd.

16. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen, omdat bij de rechtbank geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische beoordeling. De rechtbank wijst het verzoek om het benoemen van een deskundige daarom af.

Conclusie

17. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht aan eiser een WGA-uitkering heeft toegekend.

18. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Centrale Raad van Beroep van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.

2 Zie bijvoorbeeld: Centrale Raad van Beroep van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4282 en Centrale Raad van Beroep van 15 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4312.