Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6407

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
08-09-2018
Zaaknummer
AWB 18/6658
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorlopige voorzieningen die zijn ingediend in de zaak van twee Armeense kinderen zijn door de voorzieningenrechter afgewezen. Volgens de rechter zijn er geen redenen waarom de uitzetting van de twee kinderen naar Armenië niet kan doorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/6658

V-nummers: 272.398.6232 en 272.398.6106

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2018 in de zaak tussen

[moeder]

namens haar minderjarige kinderen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] , van [nationaliteit] nationaliteit, verzoekster,

en

[verzoeker 2] ,

geboren op [geboortedatum] , van [nationaliteit] nationaliteit, verzoeker,

samen verzoekers

(gemachtigde: mr. P. Scholtes)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat)

Procesverloop

Verweerder is van plan om verzoekers morgen uit te zetten naar Armenië. Verweerder heeft daarvoor een vlucht geboekt op 8 september 2018. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben namelijk beroep1 ingesteld tegen een besluit van 10 juli 2018, waarin verweerder hun bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning heeft afgewezen. Op dat beroep is nog niet door de rechtbank beslist en de uitkomst van die procedure willen zij graag in Nederland afwachten. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarom vandaag verzocht om een voorziening te treffen om te voorkomen dat zij worden uitgezet voordat de rechtbank op hun beroep heeft beslist. Verzoekers hebben al eerder een dergelijk verzoek gedaan. Dat verzoek is behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) tegelijk behandeld met hun hoger beroep in hun asielprocedure.2 Dit verzoek is door de Afdeling op

24 augustus 2018 afgewezen.3 Overigens is het hoger beroep van verzoekers in hun asielprocedure op dezelfde dag door de Afdeling ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben ook vandaag bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting die voor morgen is gepland. De uitkomst van dat bezwaar willen verzoekers ook graag in Nederland afwachten. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarom vandaag ook verzocht om een voorziening te treffen om te voorkomen dat zij worden uitgezet voordat verweerder op hun bezwaar heeft beslist. Op dat verzoek is in een aparte uitspraak geoordeeld.

De voorzieningenrechter heeft de stukken die namens partijen zijn ingediend tot 16.00 uur vandaag, betrokken in haar oordeel. Gelet op de voorgenomen naderende uitzetting heeft zij de stukken die na 16.00 uur zijn ingediend, niet meer betrokken bij haar oordeel.

Oordeel rechtbank

Waarom houdt de voorzieningenrechter geen zitting?

1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een zitting te laten plaatsvinden.

2. De rechtbank oordeelt als volgt.

3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan de voorzieningenrechter bepalen dat het onderzoek op een zitting achterwege blijft als “onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad”. De voorzieningenrechter heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en zal hieronder uitleggen waarom.

4. Verweerder wil verzoekers uitzetten naar Armenië en heeft daarom voor

8 september 2018 een vlucht geboekt. Dat betekent dat haast geboden is. Daarnaast heeft de Afdeling nog maar twee weken geleden uitspraak gedaan op het hoger beroep in de asielzaak en op het verzoek om een voorlopige voorziening. Met name in de asieluitspraak heeft de Afdeling de situatie van verzoekers uitgebreid uiteengezet en uitgebreid gemotiveerd waarom zij tot haar oordeel is gekomen. Verzoekers zijn dan ook niet in hun belangen geschaad, omdat de voorzieningenrechter geen zitting heeft gehouden.

Mogen verzoekers hun beroepsprocedure in Nederland afwachten?

5. Op 24 augustus 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling geoordeeld over het verzoek om een voorlopige voorziening bij de beroepsprocedure tegen het besluit van

10 juli 2018. Dit verzoek is daarom een herhaald verzoek. Een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kan geen vorm van ‘hoger beroep’ zijn tegen het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter. Deze voorzieningenrechter overweegt daarom dat een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek rechtvaardigen. De voorzieningenrechter legt dit zo uit dat sprake moet zijn van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling of dat sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.

6. Verzoekers voeren aan dat zij op grond van nieuwe informatie die na de uitspraak van de Afdeling bekend is geworden hun beroep in Nederland moeten kunnen afwachten. Zo heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder bevoegd is om verzoekers uit te zetten bij naleving van de afspraken die de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) daarover met de Armeense autoriteiten en de hulporganisatie ter plaatse heeft gemaakt. Uit nieuwe informatie blijkt dat die afspraken nu nog niet kunnen worden nagekomen. Verzoekers wijzen daarbij op een appbericht van het Nidos, een mail van vrijdag 7 september 2018 00:21 uur, een brief van Prof. dr. [naam] van 3 september 2018 en de gesprekken die de kinderombudsvrouw [naam] in TV-uitzending van Pauw heeft gevoerd. Volgens verzoekers heeft de Afdeling daarnaast niet alle beroepsgronden beoordeeld in de asieluitspraak.

7. In de uitspraak van de Afdeling met betrekking tot de herhaalde asielaanvraag heeft de Afdeling getoetst of de uitzetting van verzoekers naar Armenië in strijd is met artikel 3 van het EVRM4. De Afdeling heeft daarbij diverse stukken betrokken, waaronder rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en het persoonlijke verhaal van verzoekers. Volgens hen is terugkeer naar Armenië, gelet op hun jonge leeftijd, de kinderbeschermingsmaatregelen en de omstandigheid dat zij geworteld zijn in Nederland, een zeer ingrijpende gebeurtenis die van de verzoekers veel zal vergen. In die uitspraak is ook meegenomen het perspectief dat verzoekers in Armenië hebben. Zo is gekeken naar huisvesting, inkomen, en of de moeder in Armenië voor haar kinderen kan zorgen zoals zij dat in Nederland heeft gedaan (stabiliteit en toekomstperspectief).

8. Ook heeft de Afdeling aan de hand van artikel 3 van het IRVK gekeken naar de belangen van de kinderen. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de DT&V alleenstaande minderjarigen alleen uitzet als adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is. In dat kader is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat verweerder er alles aan gedaan heeft wat in redelijkheid van hem kan worden verwacht om de uitzetting van verzoekers zo goed mogelijk te laten verlopen en verzoekers niet aan hun lot over te laten. De Afdeling is toen tot de conclusie gekomen dat artikel 3 van het EVRM en de rechten van het kind zich niet verzetten tegen uitzetting van verzoekers naar Armenië. Onder verwijzing naar deze uitspraak heeft de Afdeling ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De Afdeling heeft bepaald dat verzoekers niet in Nederland mogen blijven en dat als zij niet vertrekken, verweerder bevoegd is hen uit te zetten onder naleving van de afspraken die de DT&V daarover met de Armeense autoriteiten en de hulporganisaties ter plaatse heeft gemaakt.

9. De vraag is of wat verzoekers nu inbrengen te kwalificeren is als ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling of dat sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter is van oordeel van niet en zal hieronder uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

10. In het appbericht van het Nidos en de mail van 7 september jl. wordt gesproken over de psychische gesteldheid van de moeder; die zou zo slecht zijn dat zij nu niet goed voor verzoekers kan zorgen. Volgens deze stukken maakt het Stresscentrum zich hier zorgen over. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze stelling niet onderbouwd. Zo staat geen diagnose in de mail en is ook geen andere medische onderbouwing daarvan aanwezig.

11. Daarnaast zou hulporganisatie Caritas niet de hulp bij onder meer school en huisvesting bieden die zou zijn afgesproken. De voorzieningenrechter begrijpt uit het verweerschrift van verweerder echter dat inmiddels huisvesting is gevonden voor verzoekers in een kerkelijk gasthuis en dat zij een vergoeding zullen ontvangen van € 1.800 voor een periode van drie maanden. Over de school heeft verweerder in het verweerschrift vermeld dat als het echt niet lukt om op tijd een school voor verzoekers te vinden, en moeder dat toestaat, hulporganisatie Caritas bereid is te bemiddelen bij een school met een kerkelijke achtergrond. Daarnaast is DT&V, zoals ook is gezegd bij de Afdeling, bereid eventuele verzoeken om extra ondersteuning van hulporganisatie FAR bij de re-integratie in welwillende overweging te nemen. Dit geldt ook voor Caritas en ook na vertrek aanstaande zaterdag, aldus verweerder.

14. Het rapport van Prof. dr. [naam] gaat over “kinderen die aan een chronische PTSS lijden, zoals [verzoekster] en [verzoeker 2] ”. Uit het rapport blijkt echter niet dat hij verzoekers zelf heeft onderzocht. Een verzoek om een voorlopige voorziening, zoals deze bij de voorzieningenrechter voorligt, kan op grond van dit rapport dan ook niet worden toegewezen.

15. Het interview van de kinderombudsvrouw met Pauw in zijn uitzending over hoe de situatie van verzoekers zal zijn in Armenië is naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar conclusie die is gebaseerd op haar weging van de stukken. Niet is gebleken dat die conclusie is gebaseerd op nieuwe feiten en omstandigheden die niet eerder bij de Afdeling bekend waren.

16. Gelet op het bovenstaande hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat de gemaakte afspraken niet worden nagekomen of dat verweerder zich niet inzet om de gemaakte afspraken na te komen. Dit betekent dat wat verzoekers hebben ingebracht geen belangrijke wijzingen betreffen van de relevante feiten en omstandigheden.

17. Verzoekers hebben verder uitgebreid aangevoerd dat de Afdeling niet alle gronden van het beroep heeft behandeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekers in dat kader hebben aangevoerd niet kan leiden tot ernstige onvolkomenheden in de uitspraak van de Afdeling.

Conclusie

18. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat er ondanks het gestelde belang geen aanleiding is de gevraagde voorziening toe te wijzen. Er is daarom ook geen reden om de geplande uitzetting te verhinderen met het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is door de griffier per e-mail aan partijen meegedeeld op 7 september 2018.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 [1] Dit beroep is ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland en heeft als nummer 18/5200

2 [2] ECLI:NL:RVS:2018:2815

3 [3] ECLI:NL:RVS:2018:2816

4 Zie rechtsoverweging 10.3 en 10.4 van de uitspraak ECLI:NL:RVS:2018:2815.