Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6387

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verhuiskostenvergoeding

Verhuizen vanuit onzelfstandige woning

WMO - verhuiskostenvergoeding - medische indicatie dat verhuizing noodzakelijk is - verhuizing vanuit een onzelfstandige woning is in dit geval geen algemeen gebruikelijke verhuizing - gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3006

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

3 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. P.N.M. Commandeur),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Procesverloop

In het besluit van 28 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een financiële tegemoetkoming voor de meerkosten van verhuizen afgewezen.

In het besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2018. Eiser en verweerder hebben zich op de zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € € 1002,-.

Overwegingen

Conclusie

1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser om een verhuiskostenvergoeding ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

De verhuizing is medisch noodzakelijk

2. Niet in geschil is dat de verhuizing van eiser medisch noodzakelijk is vanwege zijn medische klachten. Het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) heeft in een medisch advies van 24 oktober 2017 aan verweerder geconcludeerd dat de huidige woning van eiser niet langer geschikt is voor hem. Eiser heeft veel kans om te vallen vanwege zijn medische klachten en zijn huidige woning met trappen is daarom gevaarlijk. Eiser moet verhuizen naar een gelijkvloerse woning zonder trappen. Ter zitting is gebleken dat eiser in het bezit is van een urgentieverklaring voor voorrang op het verkrijgen van een sociale huurwoning.

De verhuizing is niet algemeen gebruikelijk

3.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser - ondanks de medische noodzaak - niet in aanmerking komt voor een verhuiskostenvergoeding, omdat eiser niet verhuist vanuit een zelfstandige woning.

3.2.

Verweerder stelt hiertoe dat niet voldaan is aan de voorwaarden in artikel 4.7, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening). In artikel 4.7 van de Verordening staan de aanvullende criteria voor woonvoorzieningen. In het derde lid staat dat een persoon met beperkingen alleen voor woonruimteaanpassingen in aanmerking kan komen, als hij rechtmatig een woonruimte bewoont. De rechtbank stelt vast dat in de Nadere Regels staat dat de definitie van een woonruimte een woning is met uitzondering van kamers, die zelfstandig verhuurd worden. De rechtbank is echter van oordeel dat deze bepaling niet van toepassing is op de aanvraag van eiser. Artikel 4.11 van de Verordening regelt de voorwaarden voor de Financiële tegemoetkoming meerkosten. In dit artikel wordt geen koppeling gemaakt met artikel 4.7 van de Verordening.

3.3.

Niet in geschil is dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor verstrekking in artikel 4.11 van de Verordening, zoals nader toegelicht in paragraaf 4.8.1 van de Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2018 (Nadere regels). Verweerder werpt alleen de in deze paragraaf geregelde uitsluiting tegen dat er sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing. Eiser woont nu in een onzelfstandige woning, waarbij hij voorzieningen deelt met andere bewoners. Het gaat daarom volgens verweerder om een algemeen gebruikelijke verhuizing. Eiser gaat immers voor het eerst zelfstandig wonen. De kosten van een algemeen gebruikelijke verhuizing geven de persoon met beperkingen geen meerkosten ten opzichte van anderen. Daarom wordt bij een algemeen gebruikelijke verhuizing geen financiële tegemoetkoming toegekend.

3.4.

De rechtbank volgt de redenering van verweerder niet. In de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2018 is uitgewerkt wanneer sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing. Als een van de voorbeelden wordt genoemd mensen die voor het eerst in Nederland zelfstandig gaan wonen, zoals kinderen die zelfstandig gaan wonen, en migranten die eerst bij familie of vrienden gaan inwonen, en vervolgens een eigen woonruimte betrekken. Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke feitelijke situatie van eiser. Dit geldt te meer gelet op de in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) neergelegde compensatieplicht, omdat niet in geschil is dat de huidige woning van eiser voor hem niet geschikt is. Eiser is 58 jaar oud. Eiser moet nu verhuizen vanwege zijn medische situatie en niet - zoals kinderen en migranten die hebben ingewoond - omdat hij zelfstandig wil gaan wonen. De situatie van eiser is dus heel anders dan de voorbeelden genoemd in de Nadere regels. Er is in het geval van eiser geen sprake van een algemeen gebruikelijke verhuizing, maar een medisch geïndiceerde verhuizing. Bovendien is het tegenwoordig in Amsterdam met de hoge huurprijzen heel gebruikelijk dat mensen - ook op latere leeftijd - woningen delen en dus geen zelfstandige woning hebben.

3.6.

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waar verweerder naar verwijst, ziet op een geheel andere situatie en ook op geheel andere regelgeving, namelijk van de gemeente Utrecht.1 In die uitspraak ging het om een student die was verhuisd van een geschikte woning bij zijn ouders naar een ongeschikte studentenhuis. En op dat moment een vergoeding wilde om naar een zelfstandige woning te verhuizen. De verwijzing van verweerder naar deze uitspraak gaat dan ook niet op.

Het beroep is gegrond

4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek is reden om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten, omdat de mogelijkheid bestaat dat verweerder voorwaarden wil stellen aan een besluit waarbij een verhuiskostenvergoeding wordt toegekend. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij benadrukt de rechtbank dat er in het geval van eiser geen sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing. Daarnaast is niet in geschil dat eiser voldoet aan de overige voorwaarden in de regelgeving en er geen sprake is van een uitsluitingsgrond zoals genoemd in paragraaf 4.8.1 van de Nadere regels.

De proceskosten

5.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

5.2.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Teggelaar, griffier, op 3 september 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)

Op grond van artikel 1.2.1, onder a, komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie.

Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (versie januari 2018)

Op grond van artikel 4.7, derde lid, kan een persoon met beperkingen alleen voor woonruimteaanpassingen in aanmerking komen als hij rechtmatig een woonruimte bewoont, geen tijdelijke huurovereenkomst heeft en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of

uit de slechte staat van onderhoud van de woonruimte.

Op grond van artikel 4.11, eerste lid, kan het college ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben.

Het tweede lid onder b bepaalt dat een financiële tegemoetkoming als omschreven in het eerste lid in ieder geval kan worden verstrekt voor de meerkosten in verband met verhuizen

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2018

Paragraaf 4.8.1. Financiële tegemoetkoming meerkosten verhuizen

Uitsluitingen

Algemeen gebruikelijke verhuizingen

De kosten van een algemeen gebruikelijke verhuizing geven de persoon met beperkingen geen meerkosten ten opzichte van anderen. Daarom wordt bij een algemeen gebruikelijke verhuizing geen financiële tegemoetkoming in de meerkosten toegekend. Voorbeelden zijn:

Voor het eerst in Nederland zelfstandig gaan wonen, zoals kinderen die zelfstandig gaan wonen, en immigranten die eerst bij familie of vrienden gaan inwonen, en vervolgens een eigen woonruimte betrekken. Dit geldt ook voor remigranten;

• Verhuizen om economische redenen: een verhuizing die noodzakelijk is omdat elders ander werk wordt aanvaard;

• Langzaam toenemende beperkingen, waarbij is te voorzien dat er op termijn aanpassingen in de woning nodig zijn;

• Verhuizen uit een woning waarvan duidelijk is dat bewoning tijdelijk is, bijvoorbeeld omdat er een tijdelijke huurovereenkomst is die eindig is op redelijk korte termijn.

Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie. De capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien wordt ook bij de afweging betrokken.

1 De uitspraak van de Raad van 4 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3880).