Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6370

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
C/13/632848 / HA ZA 17-739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een aandeelhouder van een voormalige drukkerij in Haarlem heeft geen recht op een afkoopsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/632848 / HA ZA 17-739

Vonnis van 5 september 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M. Lafarre te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.Y. Kroll te Alphen aan den Rijn voor gedaagden sub 1 en 2,

advocaat mr. M. Straus te Amsterdam voor gedaagden sub 3 en 4.

Partijen zullen hierna [eiser sub 2] , [eiser sub 1] en gedaagden worden genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid met [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] (gezamenlijk [gedaagden sub 1 en 2] ), [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] (gezamenlijk [gedaagden sub 3 en 4] ).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 14 juli 2017 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagden sub 3 en 4] met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 21 februari 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 mei 2018 met de daarin vermelde (proces)stukken,

  • -

    de brief van 20 juni 2018 van de zijde van [eiser sub 2] met daarin opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Na eiswijziging worden de vorderingen enkel door [eiser sub 2] ingesteld en is [eiser sub 1] geen partij meer in het geding.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] en [eiser sub 1] (hierna: [eiser sub 1] ) waren ieder voor respectievelijk 29,6%, 30,4% en 40% aandeelhouder in de vennootschap [vennootschap 1] (hierna: [vennootschap 1] ). [vennootschap 1] is een vennootschap die een drukkerij dreef in Haarlem.

2.2.

[eiser sub 2] was (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser sub 1] . [eiser sub 1] is op 23 oktober 2013 ontbonden. [gedaagde sub 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 4] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 3] .

2.3.

In 2012 is gesproken over het samengaan van [vennootschap 1] met [vennootschap 2] (hierna: [vennootschap 2] ). [vennootschap 2] is een drukkerij in Mijdrecht. De enig aandeelhouder van [vennootschap 2] is Protima Holding B.V. (hierna: Protima).

2.4.

Vervolgens hebben [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] en [vennootschap 2] onderhandeld over het samengaan van [vennootschap 1] met [vennootschap 2] . De uitkomst van die onderhandelingen hield – kort gezegd – in dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] 100% van de aandelen in [vennootschap 1] zouden verkrijgen (dus ook de aandelen die [eiser sub 2] via [eiser sub 1] hield in [vennootschap 1] ) en die aandelen vervolgens aan [vennootschap 2] zouden overdragen. Daarna zouden de aandelen in [vennootschap 2] door Protima stapsgewijs – onder bepaalde voorwaarden – aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] worden verkocht.

2.5.

In voorbereiding op het samengaan van [vennootschap 1] met [vennootschap 2] hebben [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] op 1 juli 2013 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de Vaststellingsovereenkomst) gesloten. In de Vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Overwegende dat

- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – gezamenlijk 60% van het aandelenbelang in [vennootschap 1] vertegenwoordigend – hun belang wensen in te brengen in [vennootschap 2] (…), volgens de overeenkomst d.d. 31 mei 2013(hierna te noemen: “ [vennootschap 2] Overeenkomst”), zoals aangehecht in bijlage 1 van deze vaststellingsovereenkomst,

(…)

Artikel 1: verkoop aandelen:

1.1.

[eiser sub 1] zal (…) – onder de ontbindende voorwaarde dat de [vennootschap 2] Overeenkomst niet wordt gesloten – haar gehele aandelenbelang zoals gehouden in [vennootschap 1] in gelijke delen overdragen aan [gedaagde sub 1] (50%) en [gedaagde sub 3] (50%), ten bedrage van tweemaal € 0,20 (…), totaal € 0,40 (…).

(…)

Artikel 2: Afkoop overige verplichtingen

(…)

2.3.

Ter compensatie van het niet kunnen participeren en/of meedelen in de waardevermindering sub 2.1 bedoeld, wordt een éénmalige afkoopsom door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 2] [ [eiser sub 2] , rechtbank] vergoed van totaal € 300.000, (…) (hierna:

“Afkoopsom”). Deze afkoopsom is direct betaalbaar onder de volgende voorwaarden:

a) zodra [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] conform de [vennootschap 2] Overeenkomst het 100% aandelenbelang hebben verworven in 4 tranches ultimo 31 december 2017 (…).

(…)

2.6.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] verklaren ieder voor hun deel – onder uitsluiting van hoofdelijke aansprakelijkheid – , zijnde € 150.000 (…) aansprakelijk en uitwinbaar te zijn voor de verplichtingen jegens [eiser sub 2] uit hoofde van deze Vaststellingsovereenkomst. Daartoe zijn persoonlijke borgstellingsovereenkomsten voorafgaand aan de levering van de aandelen (…) overeengekomen.

2.7.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] verplichten zich alle informatie met betrekking tot deze overeenkomst aan [eiser sub 2] / [eiser sub 1] op eerste afroep ter beschikking te stellen. In ieder geval – maar niet limitatief – de aandelentransacties inzake [vennootschap 1] en [vennootschap 2] , aandeelhouders overeenkomsten met betrekking tot dividendbepaling en tranchevaststelling, aandeelhoudersregisters en jaarstukken van betrokken ondernemingen, allonges volgens artikel 13 van de [vennootschap 2] overeenkomst en afwikkeling van de overeenkomst met de Stichting [ [naam stichting] , rechtbank]

Het niet nakomen van [gedaagde sub 3] en of [gedaagde sub 1] van deze verplichting tot verschaffen van informatie betekent zonder tussenkomst van de rechter of matiging, het direct opeisbaar zijn door [eiser sub 2] van een dwangsom ter hoogte van € 25.000, onverlet overige rechten tot verhaal van schade.

(…)

Artikel 3. Ontbinding

3.1.

In geval [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] conform het bepaalde in de [vennootschap 2] overeenkomst niet kunnen voldoen aan de gestelde opschortende voorwaarden in artikel 8 en besloten wordt tot ontbinding van de [vennootschap 2] overeenkomst, dan zal de Vaststellingsovereenkomst van rechtswege zijn ontbonden. Zoveel mogelijk zal dan de situatie worden hersteld zoals die bestond ten tijde van de ondertekening van de Vaststelling overeenkomst. In ieder geval zal het 40% aandelenbelang worden terug geleverd aan [eiser sub 1] en zal [eiser sub 2] worden herbenoemd tot bestuurder van de vennootschap [vennootschap 1] .

Voor het overige zullen partijen te goeder trouw streven naar het vinden van een passende oplossing conveniërend door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Op generlei wijze zijn [gedaagde sub 1] noch [gedaagde sub 3] gerechtigd de belangen van [eiser sub 1] en of [eiser sub 2] te behartigen, cq aandelen of rechten in deze aan anderen aan te bieden, cq in te kopen of anderszins acties te ondernemen die schadelijk zijn voor [eiser sub 1] en of [eiser sub 2] .

3.2.

Ontbinding van de [vennootschap 2] overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] enerzijds en [vennootschap 2] anderzijds zoals bepaald m.b.t. het verwerven van de eerste Tranche in artikel 10 en artikel 18 heeft dezelfde werking inzake de Vaststellingsovereenkomst zoals bepaald in het voorgaande lid 3.1.

(…)”.

2.6.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] hebben op 1 juli 2013 eveneens een borgstellingsovereenkomst gesloten. Daarin hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] verklaard zich ten behoeve van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te stellen als borg tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] uit hoofde van de Vaststellingsovereenkomst, ieder tot een bedrag van € 150.000,-.

2.7.

Op 18 juli 2013 hebben [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , Protima en [vennootschap 2] een overeenkomst gesloten (hierna: de Koopovereenkomst). De Koopovereenkomst hield in de verkoop en koop van alle aandelen in het kapitaal van [vennootschap 1] door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] aan [vennootschap 2] , (het voornemen tot) de verkoop van aandelen in het kapitaal van [vennootschap 2] door Protima aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] en de inkoop van aandelen in het kapitaal van [vennootschap 2] . Artikel 10 van de Koopovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 10. Voorgenomen koop/verkoop en levering van Aandelen [vennootschap 2] (winstgerechtigde aandelen)

1. Partijen komen overeen (…) dat met werking vanaf 1 januari 2014 Protima zal verkopen aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] gelijk [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] zullen kopen van Protima een nog nader te bepalen deel van de Aandelen [vennootschap 2] (Tranche I). Met inachtneming van het hierna bepaalde zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] evenwel verplicht tenminste 10% van het geplaatste kapitaal, althans van de winstgerechtigde aandelen (…) van Protima te kopen. De koopprijs voor Tranche I wordt naar rato bepaald van de Koopprijs [vennootschap 2] (…)

De koopprijs Tranche I zal door [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] uiterlijk op de hierna vermelde Overdrachtsdatum Tranche I dienen te worden voldaan aan Protima. Op [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] rust een inspanningsverplichting om deze koopprijs Tranche I door eigen middelen of door derden te (laten) financieren. Uitsluitend indien en voor zover een dergelijke financiering onmogelijk blijkt zal [vennootschap 2] – binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders en mogelijkheden – aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] onder gebruikelijke zakelijke voorwaarden gelden ten titel van leen ter beschikking stellen teneinde Tranche I te kunnen (doen laten) verwerven.

2. Levering van Tranche I (…) zal plaatsvinden uiterlijk op 31 december 2014 (…).

(…)

4. Indien levering van Tranche I uiterlijk op de Overdrachtsdatum niet mogelijk blijkt doordat de koopprijs Tranche I aantoonbaar niet gefinancierd kan worden door eigen middelen van [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 1] en/of middelen van derden en ook blijkt dat [vennootschap 2] – naar het redelijk oordeel van Protima, bijvoorbeeld gebaseerd op vermogenseisen en/of andere (wettelijke) eisen – de overdracht van Tranche I niet kan financieren heeft ieder der Partijen het recht zonder enige schadeplichtigheid deze overeenkomst te ontbinden. In dat geval zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] gehouden de door hen alsdan gehouden stemgerechtigde aandelen in [vennootschap 2] aan Protima (om niet) terug te leveren.”

2.8.

De koopprijs Tranche I is vastgesteld op een bedrag van € 175.000,-. Deze koopprijs hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet aan Protima betaald, waardoor de levering op de Overdrachtsdatum van 31 december 2014 niet heeft plaatsgevonden.

2.9.

Bij brief van 4 december 2014 heeft Protima de Koopovereenkomst ontbonden per 1 januari 2015.

2.10.

[eiser sub 2] heeft op 27 februari 2015 een e-mail gestuurd naar de e-mailadressen [mailadres 1] en [mailadres 2] . In die e-mail verzoekt hij, verwijzend naar artikel 2.7. van de Vaststellingsovereenkomst, om een aantal stukken.

2.11.

[eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben bij verschillende brieven gericht aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] aanspraak gemaakt op betaling van de dwangsom uit hoofde van artikel 2.7. van de Vaststellingsovereenkomst en op betaling van een schadevergoeding als gevolg tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen op grond van de Vaststellingsovereenkomst. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] zijn bij deze brieven als borg door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] aangesproken tot betaling van de schade en de dwangsom.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 2] vordert, na wijziging van eis, – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden, hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 25.000,- ten titel van dwangsom uit hoofde van artikel 2.7 van de Vaststellingsovereenkomst, te vermeerderen met wettelijke rente;

II. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de Vaststellingsovereenkomst en/of een onrechtmatige daad hebben gepleegd;

III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van € 150.000,- aan schadevergoeding, nader op te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van € 150.000,- aan schadevergoeding, nader op te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

V. gedaagden, hoofdelijk, veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[eiser sub 2] stelt – kort weergegeven – dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de Vaststellingsovereenkomst. Volgens [eiser sub 2] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] nagelaten de in artikel 2.3. aanhef en onder a van de Vaststellingsovereenkomst opgenomen Afkoopsom van € 300.000,- te betalen. Als gevolg daarvan heeft [eiser sub 2] schade geleden. Die schade, ter hoogte van de door [eiser sub 2] gederfde Afkoopsom, dienen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 2] te betalen. Subsidiair zijn, in geval de rechtbank oordeelt dat de Vaststellingsovereenkomst is ontbonden, [gedaagde sub 1] en Schierting hun verplichtingen op grond van artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst niet nagekomen doordat het aandelenbelang van [eiser sub 1] in [vennootschap 1] niet aan [eiser sub 1] is terug geleverd en [eiser sub 2] niet is herbenoemd als bestuurder van [vennootschap 1] . Verder hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet voldaan aan hun verplichting uit hoofde van artikel 2.7. van de Vaststellingsovereenkomst. [gedaagde sub 1] en Schiersting hebben hem niet de informatie gegeven waarom [eiser sub 2] bij brief van 27 februari 2015 heeft verzocht. Bovendien was op dat moment reeds bekend dat de Koopovereenkomst was ontbonden en hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] ten onrechte die cruciale informatie niet aan [eiser sub 2] meegedeeld. Gelet hierop zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] gehouden de in artikel 2.7. van de Vaststellingsovereenkomst opgenomen dwangsom aan [eiser sub 2] te betalen. Nu [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] zich ten aanzien van de verplichtingen uit hoofde van de Vaststellingsovereenkomst jegens [eiser sub 2] persoonlijk borg hebben gesteld, kunnen zij ook hiervoor worden aangesproken, aldus steeds [eiser sub 2] .

3.3.

Gedaagden voeren verweer. Zij stellen dat de Koopovereenkomst per 1 januari 2015 is ontbonden, waardoor op grond van artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst die Vaststellingsovereenkomst eveneens is ontbonden. Derhalve zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet meer gehouden de verplichtingen uit hoofde van de Vaststellingsovereenkomst, waaronder de betaling van de Afkoopsom en de informatieplicht in artikel 2.7. van de Vaststellingsovereenkomst, na te komen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering

Ontbinding van de Vaststellingsovereenkomst

4.1.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is de vraag of de Vaststellingsovereenkomst van rechtswege is ontbonden, zoals gedaagden stellen en door [eiser sub 2] wordt betwist. Volgens hem is de ontbinding door Protima van de Koopovereenkomst niet rechtsgeldig, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 10.4. van de Koopovereenkomst.

4.2.

De rechtbank oordeelt als volgt. De Koopovereenkomst is gesloten tussen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] , Protima en [vennootschap 2] . [eiser sub 2] was bij deze overeenkomst geen partij. De Koopovereenkomst bindt alleen de bij die overeenkomst betrokken partijen. [eiser sub 2] kan daaraan in beginsel geen rechten ontlenen. De stelling van [eiser sub 2] dat artikel 10.4. van de Koopovereenkomst dient te worden gekwalificeerd als een derdenbeding, is onjuist. Artikel 10.4. van de Koopovereenkomst schept immers voor [eiser sub 2] geen recht om een beroep op deze bepaling te doen (zie artikel 6:253 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waar is bepaald dat een overeenkomst (alleen dan) voor een derde het recht schept een prestatie van een van de partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt). Indien [eiser sub 2] had gewild dat dit anders was geweest, had hij ervoor zorg kunnen en moeten dragen dat in de Koopovereenkomst een beding met die strekking zou worden opgenomen. Hij was immers – zoals uit de Vaststellingsovereenkomst blijkt en hij ter zitting heeft verklaard – op de hoogte van de inhoud van de Koopovereenkomst.

4.3.

De Hoge Raad heeft (onder meer in de arresten [partij] / [partij] van 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, en [partij] / [partij] van 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496) uitgemaakt dat een contractant (in casu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] die met [vennootschap 2] de Koopovereenkomst hebben gesloten) zijn gedrag onder omstandigheden mede moet laten bepalen door belangen van derden die betrokken zijn bij de uitvoering van het contract (in casu [eiser sub 2] ). Deze jurisprudentie kan [eiser sub 2] evenwel niet baten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hebben de Koopovereenkomst niet ontbonden. Van uitvoering van de Koopovereenkomst door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] was derhalve geen sprake. Zij waren – net als [eiser sub 2] – ‘slachtoffer’ van de ontbinding van de Koopovereenkomst door Protima. Nog daargelaten dat in deze arresten niet kan worden gelezen dat onder ‘uitvoering’ ook moet worden begrepen het aanvechten van de uitvoering door de wederpartij bij het contract, heeft [eiser sub 2] ook niet naar voren gebracht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] dat had moeten doen. De rechtbank acht het bovendien onaannemelijk dat, indien de Koopovereenkomst – ook in de ogen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – niet rechtsgeldig was ontbonden omdat aan de voorwaarden van artikel 10.4. niet was voldaan, zij dan zelf die ontbinding niet hadden aangevochten. Zij hadden er immers alle belang bij dat de Koopovereenkomst en daarmee de deal met [vennootschap 2] in stand zou blijven. Gedaagden hebben ten slotte uitvoerig toegelicht dat protesteren tegen de beslissing van Protima ook niet aan de orde was omdat het destijds eenvoudigweg – gezien de prestaties van de onderneming – niet mogelijk was de koop van de aandelen te financieren.

4.4.

Het voorgaande brengt met zich dat de Koopovereenkomst rechtsgeldig door Protima per 1 januari 2015 is ontbonden. Op grond van artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst is daardoor de Vaststellingsovereenkomst van rechtswege ook per 1 januari 2015 ontbonden. Dit betekent dat de verplichting van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] op grond van artikel 2.3. aanhef en onder a van de Vaststellingsovereenkomst om aan [eiser sub 2] de Afkoopsom van € 300.000,- te betalen, is komen te vervallen. Evenmin waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] gehouden om uit hoofde van artikel 2.7. van de Vaststellingsovereenkomst de door [eiser sub 2] op 27 februari 2015 verzochte informatie te verschaffen. Hoewel het op het eerste gezicht niet goed te begrijpen is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] [eiser sub 2] niet uit eigen beweging hebben ingelicht over de situatie dat de Koopovereenkomst was ontbonden, en ook ter zitting niet echt duidelijk is geworden waarom zij dat niet hebben gedaan, waren ze daartoe dus niet verplicht. In aanvulling hierop wordt overwogen dat de bepaling betreffende de informatieverplichting is opgenomen in Deel 2 van de Koopovereenkomst getiteld “Voornemen tot verkoop en koop aandelen [vennootschap 2] /inkoop aandelen” en niet in het algemene deel aan het eind: “Deel 3: Slotbepalingen”. Gelet daarop kan de bepaling redelijkerwijs niet worden gezien als een algemene verplichting tot het geven van informatie, maar moet deze zo worden uitgelegd dat deze specifiek ziet op het geven van informatie die verband houdt met de verkoop van aandelen [vennootschap 2] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] (en dus informatie die relevant is voor het verschuldigd worden van de Afkoopsom aan [eiser sub 2] ). Ook om die reden waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet gehouden uit eigen beweging mee te delen dat de Koopovereenkomst was ontbonden.

Artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst

4.5.

Ten aanzien van de ontbinding van de Vaststellingsovereenkomst heeft [eiser sub 2] gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet hebben voldaan aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst. Volgens [eiser sub 2] heeft hij na de ontbinding van de Vaststellingsovereenkomst op grond van dit artikel recht op terug levering van zijn aandelenbelang van 40% in [vennootschap 1] . Evenmin hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] met [eiser sub 2] gekeken naar het vinden van een passende oplossing, hetgeen artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst verlangt, aldus steeds [eiser sub 2] .

4.6.

Gedaagden betwisten deze uitleg. Volgens hen was het bepaalde in artikel 3.1. van de Vaststellingsovereenkomst met verwijzing naar artikel 8.1. van de Koopovereenkomst enkel van toepassing indien niet aan de opschortende voorwaarden was voldaan en aan de Koopovereenkomst in juli 2013 dus in het geheel geen uitvoering zou zijn gegeven. De verplichting tot het terug leveren van het aandelenbelang ziet dan ook uitsluitend op de situatie dat de koop met [vennootschap 2] niet tot stand zou zijn gekomen. Alleen in dat geval zouden de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] van [eiser sub 1] verworven aandelen aan [eiser sub 1] moeten en kunnen worden terug geleverd, aldus gedaagden.

4.7.

Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag hoe artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst dient te worden uitgelegd. Bij de beantwoording daarvan komt het naast de taalkundige uitleg van de bewoordingen aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen aan het beding waarvan nakoming wordt gevorderd en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.8.

In artikel 3.1. van de Vaststellingsovereenkomst is – kort gezegd – bepaald dat indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet zouden kunnen voldoen aan de opschortende voorwaarden als bedoeld in artikel 8 van de Koopovereenkomst, de Vaststellings-overeenkomst van rechtswege zal worden ontbonden en het aandelenbelang van [eiser sub 1] in [vennootschap 1] aan haar zou worden terug geleverd. In artikel 3.2. van de Vaststellingsovereenkomst staat dat ontbinding van de Koopovereenkomst met betrekking tot het verwerven van de eerste Tranche – de situatie die ter beoordeling voorligt – dezelfde werking heeft als het bepaalde in artikel 3.1. Volgens [eiser sub 2] moet artikel 3.2. in samenhang met artikel 3.1. worden gelezen en betekent dit dat de ontbinding door Protima, (ook) tot gevolg heeft dat het aandelenbelang van [eiser sub 1] in [vennootschap 1] aan haar dient te worden terug geleverd. Dit standpunt van [eiser sub 2] wordt niet gevolgd. Hoewel de bewoordingen van deze artikelleden ongelukkig zijn gekozen, is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 3.1. betreffende de teruglevering van het aandelenbelang, de herbenoeming van [eiser sub 2] als bestuurder van [vennootschap 1] en het vinden van een passende oplossing, enkel ziet op de situatie dat niet aan een van de in artikel 8 van de Koopovereenkomst opgenomen opschortende voorwaarden is voldaan. Dit is redelijkerwijs ook de enige logische uitleg van deze bepaling. Nadat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] aan de opschortende voorwaarden van artikel 8 van de Koopovereenkomst hadden voldaan – tussen partijen is niet in geschil dat zij hieraan hebben voldaan – zijn alle aandelen [vennootschap 1] , ook die welke werden gehouden door [eiser sub 1] , immers aan [vennootschap 2] verkocht en geleverd. Vanaf dat moment waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] geen eigenaar meer van de aandelen [vennootschap 1] . Derhalve waren zij in geval van ontbinding op grond van artikel 10.4. van de Koopovereenkomst niet langer beschikkingsbevoegd de aandelen van [eiser sub 1] in [vennootschap 1] aan [eiser sub 1] dan wel [eiser sub 2] terug te leveren. [eiser sub 2] heeft dit ook redelijkerwijs zo moeten begrijpen. Hij heeft immers – zoals uit de Vaststellings-overeenkomst blijkt en hij ter zitting heeft verklaard – de Koopovereenkomst gezien en wist wat de deal van [vennootschap 2] inhield: namelijk eerst het verkrijgen van de aandelen van [vennootschap 1] door [vennootschap 2] waarna de aandelen van [vennootschap 2] in verschillende tranches aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zouden worden verkocht en geleverd. Derhalve wist [eiser sub 2] dat, nadat [vennootschap 2] de aandelen [vennootschap 1] had verkregen, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] niet meer bevoegd en dus in staat waren de aandelen van [eiser sub 1] terug te leveren. Bovendien heeft [eiser sub 2] ook anderszins redelijkerwijs dit niet op deze manier kunnen begrijpen. Als immers zijn standpunt zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – die veel geld hebben geïnvesteerd om het eigen vermogen van [vennootschap 1] aan te zuiveren tot nihil – door de ontbinding van de Koopovereenkomst uiteindelijk met lege handen zouden komen te staan, terwijl [eiser sub 2] wel zijn aandelenbelang van 40% zou terugkrijgen. Vanzelfsprekend kan dat niet de bedoeling zijn geweest.

Conclusie

4.9.

Het voorgaande brengt met zich dat geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] en zij derhalve niet schadeplichtig zijn. Dit betekent dat [eiser sub 2] evenmin een vordering heeft tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] uit hoofde van hun borgstellingen. De vorderingen zullen daarom jegens alle gedaagden worden afgewezen.

Proceskosten

4.10.

[eiser sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagde sub 3] worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] worden begroot op:

griffierecht € 1.924,-

salaris advocaat € 3.414,- (2 punten × tarief € 1.707,-) +

totaal € 5.338,-

Over de proceskosten zal wettelijke rente zijn verschuldigd als gevorderd.

4.11.

De kosten aan de zijde van [gedaagden sub 3 en 4] worden begroot op:

griffierecht € 1.924,-

salaris advocaat € 3.414,- (2 punten × tarief € 1.707,-) +

totaal € 5.338,-

4.12.

Gedaagden hebben voorts gevorderd dat [eiser sub 1] eveneens wordt veroordeeld in de proceskosten, aangezien de vorderingen ten aanzien van haar zijn ingetrokken. Nu de vorderingen van [eiser sub 1] dezelfde zijn als die van [eiser sub 2] en gedaagden daartegen geen extra verweer hebben hoeven te voeren, worden deze kosten begroot op nihil.

4.13.

Verder zal [eiser sub 2] worden veroordeeld in de nakosten voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden begroot op de wijze zoals in de beslissing vermeld. Anders dan [gedaagden sub 3 en 4] heeft gevorderd zal de wettelijke rente over deze nakosten, zoals gebruikelijk en redelijk, eerst zijn verschuldigd vanaf veertien dagen na het vonnis en niet na twee dagen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] tot op heden begroot op € 5.338,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten van [gedaagden sub 3 en 4] tot op heden begroot op € 5.338,-,

5.4.

veroordeelt [eiser sub 1] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden sub 1 en 2] tot op heden begroot op nihil,

5.5.

veroordeelt [eiser sub 1] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden sub 3 en 4] tot op heden begroot op nihil,

5.6.

veroordeelt [eiser sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser sub 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden, tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.