Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6365

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
13/752107-17
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Bulgaars vervolgings-EAB, onschuldverweer, detentieomstandigheden Bulgarije, evenredigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752107-17

RK-nummer: 17/7814

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 december 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2011 door het District Prosecutor’s Office – town of Blagoevgrad (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. E.M. Rengelink, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Bulgaarse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het District Prosecutor’s Office – town of Blagoevgrad van 6 november 2011, met correspondentienummer No 2908/2012.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Bulgarije strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Bulgarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. De opgeëiste persoon is slechts aangemerkt als verdachte omdat zij niet in staat was als getuige af te reizen naar Bulgarije. De opgeëiste persoon is onschuldig aan de gestelde feiten.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat noch door de Nederlandse rechtbank noch door het Openbaar Ministerie moet worden beoordeeld of er sprake zou kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid. De afweging die Bulgaarse justitiële autoriteit heeft gemaakt bij het uitvaardigen van het EAB dient te worden gerespecteerd.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Zij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. Indien een EAB wordt uitgevaardigd door een andere lidstaat dient de uitvoerende justitiële autoriteit op de juistheid van de daarin opgenomen feiten en de rechtmatigheid van die daaraan ten grondslag gelegde beslissing – in beginsel – te vertrouwen. Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is niet aannemelijk geworden dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 Verweer inzake detentieomstandigheden

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat er een concreet gevaar is dat de opgeëiste persoon in Sliven Prison een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal ondergaan. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:4443) en het CPT-rapport van 4 mei 2018. Verder acht hij de in onderhavige zaak overgelegde verklaring van de Bulgaarse autoriteiten onvoldoende om de vereiste concrete en nauwkeurige beoordeling te kunnen maken of sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding om nadere informatie op te vragen over de detentieomstandigheden.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat – gelet op de waarborgen zoals deze zijn ontvangen van het Ministerie van Justitie van Bulgarije bij brief van 2 augustus 2018 – de situatie in Sliven Prison, waar de opgeëiste persoon zal worden geplaatst na overlevering, inmiddels op orde is. Het CPT-rapport waar de verdediging naar verwijst is weliswaar gepubliceerd op 4 mei 2018, maar de bezoeken zijn geruime tijd geleden – tussen 25 september en 6 oktober 2017 – afgelegd. Voorts verwijst de verdediging meer specifiek naar een onderdeel over Sliven Prison, waaruit blijkt dat ten tijde van het bezoek van het CPT aan de gevangenis verschillende aanpassingen werden doorgevoerd die naar verwachting eind augustus 2018 zouden zijn afgerond. Op grond van deze verklaring, in combinatie met de brief van 2 augustus 2018, dient te worden aangenomen dat dit nu het geval is. Alles tezamen zijn de gegeven waarborgen voldoende om aan te nemen dat voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest dreigt.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie. De rechtbank heeft in eerdere zaken op grond van het Public statement van het CPT van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest (Aranyosi en Căldăraru, HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90).

Uit het CPT-rapport van 4 mei 2018 blijkt dat de onderzochte gevangenissen – waaronder Sliven Prison – ten tijde van de bezoeken (opnieuw) niet aan de normen voldeden. De thans beschikbare informatie geeft geen aanleiding af te wijken van voornoemd oordeel dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Echter, de beschikbare informatie sluit dit gevaar wel uit voor de opgeëiste persoon. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het CPT-rapport van 4 mei 2018 beschrijft de situatie in Sliven Prison ten tijde van de bezoeken:

Material conditions observed at Sliven IDF were totally unacceptable: the establishment was severely overcrowded (cells, crammed with bunk beds, accommodated up to four inmates on a mere 7 m² of living space), with stuffy, filthy and dilapidated cells devoid of direct access to natural light (the small windows giving into the corridor), and inmates had no access to a toilet – never at night and often not even during the day. In short, conditions could be considered inhuman and degrading.

De garanties ontvangen van het Ministerie van Justitie van Bulgarije bij brief van 2 augustus 2018 betreffen deze specifiek door het CPT genoemde omstandigheden. De autoriteiten garanderen dat de opgeëiste persoon 4 m2, een zelfstandige sanitaire aansluiting en een raam tot haar beschikking heeft. In iedere gang bevinden zich toiletten en douches. Voorts zal zij de beschikking hebben over koud en (gedurende bepaalde tijdstippen) warm water, verwarming, een bed en een kluisje en zal zij toegang hebben tot frisse lucht. Tevens beschikt de gevangenis over een winkel, medische voorzieningen en kunnen de gedetineerden deelnemen aan verschillende klasjes en educatieve programma’s. Bovendien kunnen zij werken en sporten.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op voornoemde toezeggingen – voldoende concrete op de situatie van de opgeëiste persoon toegespitste informatie is verstrekt over de door het CPT genoemde punten met betrekking tot de situatie in Sliven Prison. Aldus sluiten de garanties het gevaar voor de opgeëiste persoon op een onmenselijke of vernederende behandeling uit. Derhalve kan dit verweer niet tot weigering van de overlevering leiden.

7 Evenredigheid

7.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman acht de overlevering disproportioneel, in de allereerste plaats gelet op de situatie dat de opgeëiste persoon na overlevering haar tweeëneenhalf jarig zoontje met hechtingsproblematiek moet achterlaten, maar bovendien ook omdat zij haar woning en inkomen zal kwijtraken, terwijl zij bereid is op allerlei wijzen medewerking te verlenen aan het strafrechtelijk onderzoek, waaronder ten overstaan van een Nederlandse rechter-commissaris een verklaring af te leggen of af te reizen naar Bulgarije om een verklaring af te leggen. Hij is van mening dat de overlevering op grond van humanitaire gronden moet worden geweigerd.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

In de jurisprudentie is veelvuldig geoordeeld dat de inbreuk die detentie maakt op het recht als omschreven in artikel 8 EVRM een bij de wet voorzienbare inmenging van dit recht is, en aldus gerechtvaardigd is. Hoe schrijnend onderhavige situatie mogelijk ook is, deze omstandigheid staat aan de overlevering niet in de weg.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank verwijst naar haar eerder bij uitspraak van 4 maart 2009 gegeven oordeel (ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6183), dat gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit een beroep op de onevenredigheid van een EAB slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overlevering dient te worden geweigerd, of dat de behandeling moet worden aangehouden teneinde te laten onderzoeken of er – voor de opgeëiste persoon minder ingrijpende – alternatieven mogelijk zijn. De rechtbank verwerpt het verweer.

8 Verzoeken van de raadsman

8.1

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank vanwege de betrokkenheid van een minderjarig kind van tweeëneenhalf jaar een terugkeergarantie als voorwaarde voor een eventuele overlevering te bedingen. In dit kader beroept de verdediging zich op artikel 3 van het IVRK en artikel 8 EVRM.

Tevens verzoekt de verdediging de rechtbank te bepalen dat de reclasseringsrapportage die over de opgeëiste persoon is opgemaakt bij overlevering met haar mee zal reizen.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen terugkeergarantie dient te worden gevraagd. Uit de verklaring van de opgeëiste persoon bij de rechter-commissaris, afgelegd op 30 november 2017, blijkt dat zij zich nog geen vijf jaar in Nederland bevindt. Het dossier bevat zelfs geen stukken die onderbouwen dat de verklaring – “ik ben nu 3,5 jaar in Nederland waarvan de laatste 3 jaar op het inschrijvingsadres in Amsterdam” – juist is. Nu zij niet kan worden gelijkgesteld aan een Nederlander, dient geen terugkeergarantie te worden verkregen. Een beroep op artikel 8 EVRM maakt dit niet anders.

De officier van justitie heeft geen bezwaar tegen het verzoek van de verdediging om de reclasseringsrapportage van de opgeëiste persoon aan de uitspraak te hechten, indien de overlevering wordt toegestaan.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie. Een terugkeergarantie kan alleen worden gevraagd indien de overlevering van een Nederlander of een met een Nederlander gelijkgestelde wordt verzocht. De opgeëiste persoon verblijft nog geen vijf jaar in Nederland en kan derhalve niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Aldus bestaat geen wettelijke basis voor het honoreren van een verzoek om een terugkeergarantie. De overlevering dient te worden toegestaan. De reclasseringsrapportage van de opgeëiste persoon zal – zoals verzocht - aan de uitspraak worden gehecht.

De raadsman heeft verzocht om de reclasseringsrapportage aan de uitspraak te hechten. De officier van justitie heeft ingestemd met dit verzoek. Gegeven het feit dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit er niet toe overgaat de uitspraak aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te zenden kan niet aan dit verzoek worden voldaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit pleegt schriftelijk mededeling te doen omtrent de uitkomst van de procedure met een overzicht van de relevantie aspecten van de zaak. Gegeven de instemming van de officier van justitie gaat de rechtbank er van uit dat de officier van justitie de betreffende – inmiddels in de Bulgaarse taal vertaalde – rapportage met de schriftelijke mededeling aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zal doorgeleiden.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 van de OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het District Prosecutor’s Office – town of Blagoevgrad ten behoeve van het in Bulgarije tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2018.

Verklaart de jongste rechter buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.