Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6363

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
13/751461-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Pools executie-EAB, art 12 OLW, art 6 lid 5 OLW, detentieomstandigheden Polen, zaak Hof van Justitie C-216/18 PPU

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751461-18

RK nummer: 18/3955

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 april 2018 door the District Court in Gdansk in Polen en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [Justitieel Complex] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.J. Stobbe, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Sentence of the Regional Court in Wejherowo van

3 augustus 2017, geldend sinds 11 augustus 2017 (II K 139/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog 2 jaar, 5 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1.

Inhoud van de stukken

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:

Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:

(…)

[X] No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision.

1. If you have ticked “No”, please confirm the existence of one of the following:

(…)

[X] b. The person was not summoned in person but by other means actually received official information of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision, in such a manner that it was unequivocally established that he or she was aware of the scheduled trial, and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial;

(…)

[X] The person did not request a retrial or appeal within the applicable timeframe;

(…)

If you have ticked the points 1.b, 1.c or 1.d above, please provide information about how the relevant condition has been met:

[opgeëiste persoon] was properly advised on rights and obligations of the accused person. The judgement was issued under Article 335 of the Code of Criminal Procedure – the convicted person agreed on the penalty with the prosecutor. At the trial on 3 August 2017 resulting in the decision the requested person did not appear after having been properly notified. The convicted person did not use assistance of a defense counsel – obligatory defence did not apply. The convicted person knew the content of the judgement, as the convicted person had applied for postponement of penalty execution, after which, not waiting for the resolution, according to information from the police, escaped abroad.

Op verzoek van de officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 11 juli 2018 het volgende verklaard:

With reference to the European Arrest Warrant issued on 6 April 2018 concerning requested [opgeëiste persoon] , and in reply to your letter of 6 July 2018, I inform that the notification of the trial date and time under Article 335 of the Polish code of criminal procedure for 3 August 2017 (presence non-mandatory) was collected by the convicted person personally on 20 June 2017.

It follows from the above that the convicted person knew personally about the date and time of the trial resulting in the verdict, and did not appear for the trial without an excuse.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanwezigheidsrecht van de opgeëiste persoon is geschonden, nu hij niet ter terechtzitting aanwezig is geweest. Derhalve had de opgeëiste persoon een beroepsmogelijkheid moeten hebben in Polen, nu iedere veroordeelde een fundamenteel recht op een beroepsmogelijkheid heeft. In het EAB wordt de overlevering verzocht voor de executie van een zeer hoge straf, terwijl de opgeëiste persoon geen bijstand had van of vertegenwoordigd is door een raadsman – en dus geen strafmaatverweer is gevoerd – en hij niet ter terechtzitting is verschenen. Hij heeft getracht alsnog beroep in te stellen, maar advocaatkosten in Polen zijn zeer hoog, aldus de raadsman.

Op vragen van de voorzitter heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij zich niet herinnert dat hij de brief betreffende de zittingsdag heeft opgehaald. Hij heeft ook geen brief ontvangen, aldus de opgeëiste persoon.

Verder heeft hij verklaard dat zijn instemming met de straf is verkregen door hem op het politiebureau te martelen met een knuppel en door hem een pistool tegen het hoofd te houden.

4.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Er heeft eerst een zitting bij de officier van justitie plaatsgevonden waar de opgeëiste persoon heeft toegegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten strafbare feiten, waarna een bekrachtigingszitting bij de rechter is gevolgd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de bekrachtigingszitting, maar desondanks niet is verschenen. Derhalve is sprake van een onherroepelijk vonnis waartegen inmiddels geen beroepsmogelijkheid meer bestaat. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW, aldus de officier van justitie.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie. De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman zo dat hij een beroep op de weigeringsgrond van artikel 12 OLW heeft willen doen. De opgeëiste persoon is in persoon opgeroepen voor de bekrachtigingszitting bij de rechtbank en was aldus op de hoogte van deze zittingsdatum. Derhalve is de situatie als bedoeld in artikel 12 onder a OLW van toepassing en doet de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voor. De opgeëiste persoon heeft geen beroep ingesteld tegen het vonnis. Het vonnis is onherroepelijk geworden en er staat geen beroepsmogelijkheid (meer) open. Voorts bevatten de stukken geen aanknopingspunten dat de verklaring van de opgeëiste persoon onder druk zou zijn verkregen. De opgeëiste persoon heeft dit niet eerder naar voren gebracht en overigens op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank kan en zal deze verklaring van de opgeëiste persoon niet in haar beoordeling betrekken.

5 Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

I: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

II: poging tot diefstal;

III: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

6 Artikel 6, lid 5, OLW

6.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon meer sociale banden heeft met Nederland dan met Polen, nu hij hier een baan en een sociaal leven heeft.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet tot een weigering van de overlevering kan leiden. De verdediging heeft niet aangevoerd of aannemelijk gemaakt dat de opgeëiste persoon sinds vijf jaar in Nederland verblijft en kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Overigens blijkt dit ook niet uit de stukken.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie. Voor zover de raadsman een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de OLW geldt dat de opgeëiste persoon nog geen vijf jaar in Nederland verblijft. Reeds hierom kan hij niet worden gelijkgesteld met een Nederlander.

7 Detentieomstandigheden

7.1.

Standpunt van de verdediging

De opgeëiste persoon leidt aan epilepsie en er is sprake van verslavingsproblematiek. Momenteel wordt hij hiervoor met succes behandeld – wat blijkt uit de brief van dhr. [naam] – hetgeen in Polen niet is gelukt. Volgens de verdediging is het de vraag of de opgeëiste persoon dit traject in Polen kan voortzetten, gelet op de detentieomstandigheden. De raadsman heeft daarbij gewezen op een aantal - deels in de Poolse taal gestelde – producties, die zien op de Poolse detentieomstandigheden. Op vragen van de rechtbank heeft de raadsman verklaard dat het nieuwsartikelen betreft die afkomstig zijn van het internet.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De verdediging heeft stukken overgelegd waaruit volgens de verdediging zou blijken dat de detentieomstandigheden in Polen niet voldoen. Deze rechtbank heeft echter reeds meermaals geoordeeld dat die omstandigheden niet van dien aard zijn dat een algemeen gevaar op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan worden aangenomen. De overgelegde stukken maken dat niet anders.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel de rechtbank benadrukt dat zij de inspanningen van de opgeëiste persoon om de verslavingsproblematiek het hoofd te bieden waardeert en het belang daarvan onderkent, kan dit niet tot weigering van de overlevering leiden. De stukken die door de verdediging zijn overgelegd, geven geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een algemeen gevaar op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dient te worden aangenomen. Ook het aannemen van een algemeen gevaar voor drugsverslaafden is niet aan de orde. Hoewel uit het CPT-rapport van 25 juli 2018 blijkt dat de behandeling van drugsverslaafden op een aantal punten kan worden verbeterd, levert dit geen grond op voor het aannemen van een algemeen gevaar. Immers blijkt uit ditzelfde rapport dat in alle onderzochte instellingen ‘methadone programmes’ beschikbaar zijn en er dus wel degelijk aandacht is voor de behandeling van drugsverslavingen.

8. Verweer inzake het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 25 juli 2018 in zaak C-216/18 PPU

8.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018 in zaak C-216/18 PPU – de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd. De raadsman heeft verklaard dat de uitvoerende autoriteit op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren uitgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat dient na te gaan of er een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat dat verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van bedoelde staat niet onafhankelijk zijn wegens structurele of fundamentele gebreken in die staat. Nu in Polen structurele fundamentele gebreken in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bestaan, wegens onder meer de afwezigheid van onafhankelijke rechters, is sprake van een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces. Op vragen van de voorzitter heeft de raadsman verklaard dat het ontbreken van een beroepsmogelijkheid, de vraag of de opgeëiste persoon een eerlijke rechtsgang heeft gehad en de zeer hoge straf als omstandigheden moeten worden aangemerkt die ertoe leiden dat specifiek de opgeëiste persoon een gevaar loopt op schending van zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat het vonnis op een poging autodiefstal ziet waarvoor de opgeëiste persoon een gevangenisstraf voor de duur van tweeëneenhalf jaar opgelegd heeft gekregen, zonder de mogelijkheid van hoger beroep. Nu het Hof in het toetsingskader uiteenzet dat de aard van het strafbare feit bij de beoordeling moet worden betrokken, twijfelt de verdediging aan de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht.

8.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juli 2018 in zaak C-216/18 PPU in het kader van deze zaak niet van toepassing is, nu onderhavige zaak ziet op een executie-EAB. De officier van justitie heeft medegedeeld dat – zoals zij reeds heeft uiteengezet in het kader van artikel 12 OLW – in onderhavige zaak sprake is van een onherroepelijk vonnis dat de Poolse uitvaardigende autoriteit wenst te executeren. De uitspraak van het Hof van Justitie ziet op een vervolgings-EAB en dus niet op een executie-EAB. Voorts ziet het EAB op een vonnis uit 2017 en op dat moment speelde de discussie omtrent de Poolse rechtsstaat nog niet, aldus de officier van justitie.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof van Justitie geen beletsel voor de verzochte overlevering. Van belang is dat de onderhavige zaak een executie-EAB betreft. Voor zover de raadsman heeft gesteld dat in de strafprocedure, die aan het uitvaardigen van het EAB ten grondslag ligt, sprake is geweest van berechting door een rechterlijke instantie die niet onafhankelijk was, is deze stelling niet aannemelijk geworden. Uit de informatie die is verstrekt ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 van de OLW blijkt verder dat voor de opgeëiste persoon wel degelijk beroep open heeft gestaan tegen het vonnis van 3 augustus 2017. Hij heeft de beroepstermijn echter ongebruikt laten verlopen.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 310, 311, 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7, 12 van de Overleveringswet.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Gdansk in Polen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp , voorzitter,

mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2018.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.