Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6350

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1664
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) mocht een verblijfsvergunning aan een Turkse ondernemer weigeren. De man wilde in Nederland een stukadoorsbedrijf beginnen en had daarvoor een verblijfsvergunning nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/13340 (voorlopige voorziening) en AWB 18/1664 (beroep)

V-nr.: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 september 2018 in de zaak tussen

[eiser] , van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker,

hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. S. Akkas),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Met het besluit van 13 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.

Op 28 juli 2017 heeft eiser tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op diezelfde datum heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het primaire besluit op te schorten, waaronder de dreigende uitzetting van eiser, totdat verweerder een besluit op het bezwaar heeft genomen.

Met het besluit van 12 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft op 8 maart 2018 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen, wordt thans aangemerkt als strekkend tot het opschorten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waaronder de dreigende uitzetting van eiser, totdat op het beroep is beslist. Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Met de beslissing van 18 juni 2017 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat een nader onderzoek ter zitting plaats zal vinden op 29 juni 2018. Dit omdat een door eiser bij Tolk en Vertaalcentrum Nederland gereserveerde tolk in de Turkse taal ongeveer een half uur voor aanvang van het onderzoek ter zitting om onbekende redenen is geannuleerd. Aangezien de rechtbank het belangrijk acht dat eiser actief kan participeren in de behandeling van zijn zaak, is het verzoek van eiser om de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op een andere datum plaats te laten vinden ingewilligd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2018. Wederom is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1962 en van Turkse nationaliteit, heeft op 4 mei 2017 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (in verband met de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Turkije) met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. Eiser is sinds 1 mei 2017 tezamen met een andere vennoot ( [vennoot] ) eigenaar van de vennootschap onder firma ‘ [VoF] ’, waarmee de onderneming ‘ [VoF] ’ wordt gedreven (hierna: de onderneming). Eiser heeft bij zijn aanvraag de volgende stukken overgelegd: een Bijlage Antecedentenverklaring, een kopie van zijn paspoort, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en een ondernemingsplan (mei 2017).

Standpunt verweerder

2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder stelt daartoe onder meer dat het door eiser bij zijn aanvraag overgelegde ondernemingsplan summier is, in algemene bewoordingen is opgesteld en onvoldoende is onderbouwd. Hierdoor kan de onder de verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken werkzame Rijkdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RvO) niet beoordelen of met eisers werkzaamheden als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Dat door eiser onvoldoende stukken zijn overgelegd, klemt te meer nu eiser reeds voor een vijfde maal een dergelijke aanvraag heeft ingediend en dus van hem mag worden verwacht dat hij weet welke stukken benodigd zijn, aldus verweerder. Verweerder heeft in het primaire besluit – samengevat – als volgt puntsgewijs aangestipt op welke punten het door eiser overgelegde ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd of onvoldoende duidelijk is:

- Gesteld is dat de onderneming veel verschillende werkzaamheden doet, terwijl in het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel enkel de werkzaamheid stukadoren staat.

- De stelling dat eiser jarenlange werkervaring heeft in de branche en dat hij beschikt over expertise, brede kennis, ervaring en een netwerk, is niet onderbouwd met stukken.

- De stelling dat eiser een marktonderzoek heeft laten verrichten door een onafhankelijk professioneel marketingbureau en dat dit onderzoek als bijlage is meegestuurd, volgt verweerder niet. Eiser heeft dit niet onderbouwd door een marktonderzoek te overleggen.

- Eiser heeft niet met brongegevens onderbouwd wat de doelgroep van de onderneming is.

- De stelling dat de onderneming zich zal inspannen om de beste werknemers te werven, is niet onderbouwd met een specificatie en begroting van de arbeidscreatie.

- Een gedegen markt- en concurrentieanalyse ontbreekt. In paragraaf 3.4 staat een summiere beschrijving van de markt en/of doelgroep in heel Nederland. Deze analyse is niet toegespitst op de branche en/of regio waar de onderneming actief is. In paragraaf 3.3 is een algemene beschrijving gegeven van de concurrentiepositie van de onderneming. Er is echter niet gespecificeerd wie de directe concurrenten zijn, wat hun sterke/zwakke punten zijn en waarin de onderneming zich van deze concurrenten onderscheidt. De marktanalyse is niet onderbouwd met de benodigde documenten, zoals branchegegevens van de specifieke markt waarop de onderneming zich richt, prognoses van balansen, omzetten en resultaten, kopieën van concrete intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers en eventueel al verkregen opdrachten.

- De stelling dat het lastig is een keuze te maken voor leveranciers is niet toegelicht.

- Er is niet onderbouwd of toegelicht welke prijzen er worden gewaardeerd.

- Er is niet aangegeven aan welk administratiekantoor de administratie is uitbesteed.

- De stelling dat de onderneming lid is van de Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven en dat eiser in het bezit is van een VCA-certificering is niet onderbouwd.

- Omdat eiser de onderneming met een medevennoot drijft, is het opmerkelijk dat in paragraaf 5.2 staat “Zoveel mogelijk zal hij zelf het werk moeten uitvoeren” en in paragraaf 5.5 staat “Relatiebeheer is hij druk mee bezig om dit zo goed mogelijk te optimaliseren”.

3. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en in de bezwaarfase alleen een stuk van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van februari 2017 overgelegd, getiteld: ‘Kansrijke beroepen: Waar is de arbeidsmarkt krap? Landelijk overzicht’.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard, het primaire besluit gehandhaafd en in aanvulling hierop – samengevat – het volgende overwogen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan het vereiste dat met zijn werkzaamheden als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. In het kader van het documentatievereiste mag van eiser in redelijkheid worden verlangd dat hij zijn aanvraag en ondernemingsplan met voldoende stukken onderbouwd. Uit het aanvraagformulier, het beleid in de Vreemdelingencirculaire 20001 (Vc 2000) en bijlage 8aa. behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) blijkt om welke stukken dit gaat. Deze stukken heeft eiser (ook in de bezwaarfase) niet overgelegd en ook is door eiser niet gemotiveerd aangegeven over welke stukken hij redelijkerwijs (nog) niet kan beschikken. Dat uit het in de bezwaarfase door eiser overgelegde rapport van het UWV volgt dat er behoefte is aan stukadoors en er ten aanzien van dit beroep sprake is van een krapte op de arbeidsmarkt, doet aan dit documentatievereiste niet af. Omdat het door eiser overgelegde ondernemingsplan onvolledig is en in algemene bewoordingen is opgesteld en niet met voldoende stukken is onderbouwd, kan de RvO niet beoordelen of eiser aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning2 voldoet.

Standpunt eiser

5. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat zijn ondernemingsplan voldoende is onderbouwd. Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt heeft verweerder een veel te gedetailleerd ondernemingsplan gevraagd; verweerder had genoegen moeten nemen met het door eiser ingediende ondernemingsplan. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser onvoldoende gespecificeerd op welke punten een nadere toelichting is vereist. Bij eventuele onvolledigheden had verweerder eiser in de bezwaarfase in de gelegenheid moeten stellen om vragen te beantwoorden of aanvullende gegevens te overleggen.

Volgens eiser heeft verweerder miskend dat eiser een levensvatbare onderneming heeft, waarmee een zelfstandig Nederlands belang is gediend. Volgens vaste jurisprudentie is er sprake van een wezenlijk Nederlands belang, indien de onderneming een bijdrage aan de Nederlandse economie levert. Zo’n bijdrage doet zich slechts voor indien de bedrijfsmatige activiteit van de onderneming in een behoefte voorziet en geen negatieve invloed heeft op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. Eiser is een zeer ervaren stukadoor. Dit is een veelgevraagd beroep. Eiser voorziet met zijn werkzaamheden in een steeds groter wordende behoefte. Van een negatieve invloed op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie is geen sprake. Vanwege de aantrekkende economie, de vergrijzing en de snelle groei in de bouwsector is er thans sprake van een krapte in de arbeidsmarkt voor stukadoors. Dit wordt bevestigd in een rapport van het UWV van februari 2017. Dit rapport heeft verweerder ten onrechte niet bij zijn besluitvorming betrokken.

Oordeel rechtbank

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser tegenwerpt dat het hij niet de stukken heeft overgelegd die volgens paragraaf B6/4.5 van Vc 2000 vereist zijn voor het voorleggen van eisers aanvraag ter advies aan de RvO. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gespecificeerd op welke punten van het ondernemingsplan volgens verweerder een nadere toelichting was vereist. Immers, in het primaire besluit is door verweerder uitdrukkelijk en puntsgewijs opgesomd op welke punten een nadere onderbouwing (met stukken) werd vereist. Zo stelt verweerder zich onder meer op het standpunt dat het door eiser overgelegde ondernemingsplan geen toereikende markt- en concurrentieanalyse toegespitst op het eigen product of de eigen dienst bevat.

6.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3 (hierna: de Afdeling) kan verweerder in redelijkheid verlangen dat een vreemdeling de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 vereiste stukken overlegt die nodig zijn om te beoordelen of die vreemdeling aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet, mits de vreemdeling daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het stellen van deze documentatievereisten is volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling4 niet in strijd met de standstill-bepaling, neergelegd in artikel 41 van het Aanvullend Protocol5. Evenmin is de invulling van de voorwaarde dat er met de werkzaamheden als zelfstandig een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend in strijd met deze standstill-bepaling.6

6.3.

In paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, is vermeld dat verweerder een ondernemingsplan dat informatie bevat over – onder meer – een marktanalyse toegespitst op het eigen product of de eigen dienst beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van een adviesaanvraag bij het ministerie van Economische Zaken (lees: bij de RvO). Ook op het door eiser gebruikte aanvraagformulier en in bijlage 8aa. behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000 staat dat een ondernemingsplan een dergelijke analyse behoort te bevatten.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het door eiser overgelegde ondernemingsplan een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de door de onderneming aangeboden diensten ontbreekt. De rechtbank overweegt daartoe dat het ondernemingsplan enkel zeer algemene (markt)informatie bevat. Bovendien is dit onderdeel van het ondernemingsplan niet nader onderbouwd of geconcretiseerd met de stukken die zijn voorgeschreven in bijlage 8aa. behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 20007 voor specifiek het marktgebied van de onderneming. Nu dit is nagelaten en eiser ook anderszins geen markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de door de onderneming aangeboden diensten heeft overgelegd, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom niet aan het documentatievereiste uit paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 voldaan en heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder bij de door hem te beantwoorden vraag of de aanvraag voor advies wordt voorgelegd aan de RvO doorslaggevende betekenis kon toekennen aan het ontbreken van een op de onderneming toegespitste markt- en concurrentieanalyse.8

6.5.

De stelling van eiser dat er met zijn werkzaamheden als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend vanwege de vraag naar stukadoors in Nederland, waardoor er van hem geen gedetailleerd ondernemingsplan kan worden gevergd, kan hem – wat daar ook van zij – niet baten. Deze door eiser gestelde vraag naar stukadoors laat het documentatievereiste uit paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 naar het oordeel van de rechtbank namelijk onverlet. Omdat eiser, zoals onder 6.4. is geoordeeld, niet aan dit vereiste heeft voldaan, heeft verweerder eisers aanvraag niet ter advisering voorgelegd aan de RvO en is in zijn geval niet toegekomen aan de vraag of met zijn werkzaamheden als zelfstandige een wezenlijk Nederland belang wordt gediend.

7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde hoorplicht. Immers, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Omdat eiser, zoals onder 6.4. is geoordeeld, niet aan het documentatievereiste uit paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 heeft voldaan, terwijl dit documentatievereiste eiser bij zijn aanvraag al genoegzaam duidelijk had kunnen zijn9, bestond er naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen twijfel over de conclusie dat het bezwaar van eiser ongegrond was. Verweerder was daarom – anders dan eiser stelt – niet gehouden om eiser in de bezwaarfase te bevragen of om uitdrukkelijk de gelegenheid te bieden om aanvullende gegevens te overleggen, maar heeft met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb niet ten onrechte van het horen van eiser in de bezwaarfase afgezien.

Beslissing rechtbank

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank af, omdat bij deze uitspraak op het beroep wordt beslist. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier rechter, tevens voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000.

2 Bijlage 8aa. behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000.

3 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 6 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:410, r.o. 1.3.

4 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 13 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3376.

5 Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, Brussel, 23 november 1970.

6 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling van 4 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:977.

7 In deze bijlage staat onder meer: “De marktanalyse bevat minimaal informatie over de kenmerken van de specifieke markt, de doelgroep, de concurrentie (het onderscheidend vermogen), potentieel marktaandeel, marketing, risico’s, prijsbeleid. Voor onderbouwing van de marktanalyse moeten de volgende bewijsmiddelen toegevoegd worden: – Branchegegevens van de specifieke markt, waarop de onderneming zich richt; – Prognoses van balansen, omzetten en resultaten; – Kopieën van concrete (omvang in tijd en geld) intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers; eventuele al verkregen opdrachten; – gegevens ter onderbouwing van de competenties van de ondernemer zoals: ○ een kopie van referenties en arbeidsovereenkomst(en) van de voormalige dienstbetrekking(en); ○ kopieën van behaalde diploma’s. Betreft het een buitenlands diploma? Dan moet deze voorzien zijn van een waardering van Nuffic/stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB);”

8 Vgl. een uitspraak van de Afdeling van 23 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1326, r.o. 4.

9 Vgl. een uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:410, r.o. 1.2.