Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6316

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
6864993
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift ex artikel 7:682 lid 1 sub a en b BW. UWV heeft terecht geoordeeld bedrijfseconomische oorzaak. Geen strijd met afspiegelingsbeginsel of herplaatsingsverplichting. Opzegging niet in strijd met artikel 7:668 lid 3 BW. Verzoeken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/245 met annotatie van mr. M. Jovovic
AR-Updates.nl 2018-1176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6864993 EA VERZ 18-359

beschikking van: 9 augustus 2018

func.: 25

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekster

nader te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. D. Simons

t e g e n

de stichting Expertisebureau Online Kindermisbruik

gevestigd te Amsterdam

verweerster

nader te noemen: Expertisebureau

gemachtigde: mr. B. Schouten

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft op 28 april 2018 een verzoekschrift ex artikel 7:682 lid 1 sub a en b Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend. Expertisebureau heeft een verweerschrift ingediend.

Op 11 juli 2018 is de zaak mondeling behandeld, gelijktijdig met de zaak van [naam 1] tegen Expertisebureau (EA 18-360).

[verzoekster] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Namens Expertisebureau zijn verschenen [naam directeur] (directeur) en [naam voorzitter van het bestuur] (voorzitter van het bestuur) en de gemachtigde. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] een akte wijziging eis ingediend. Ter zitting hebben beide partijen aan de hand van pleitaantekeningen hun standpunten nader toegelicht en heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Vervolgens zijn beide zaken aangehouden voor overleg tussen partijen over een eventuele minnelijke regeling. Bij brief resp. fax van 19 juli 2018 hebben beide partijen afzonderlijk bericht dat er geen minnelijke regeling is getroffen.

Daarna is beschikking bepaald op heden.

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

Expertisebureau is een organisatie die zich bezighoudt met het bestrijden en voorkomen van seksueel kindermisbruik en seksuele uitbuiting door middel van verschillende programma’s als Meldpunt Kinderporno (MKP), Helpwanted, Stop it Now (SIN), Meldkindersekstoerisme.nl (MKS) en Meldpunt Seksueel Misbruik Boeddhistische Gemeenschap (MBG). Expertisebureau ontvangt subsidies van de Nederlandse overheid, sponsoren en de EU.

1.2.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1975, is op 16 augustus 2010 in dienst getreden bij Expertisebureau in de functie van Analist Coördinator Stopitnow/medewerker personeelsadministratie. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 2.866,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag bij een werkweek van 24 uur. Er geldt op grond van artikel 9 van de arbeidsovereenkomst een opzegtermijn van twee maanden.

1.3.

Op 28 november 2017 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) een aanvraag van Expertisebureau ontvangen voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met onder meer [verzoekster] en [naam 1] wegens bedrijfseconomische redenen (organisatorische en technologische veranderingen). Bij brief van 29 november 2017 heeft UWV om aanvullende informatie verzocht, welke door Expertisebureau op 1 december 2017 is verstrekt.

1.4.

[verzoekster] heeft op 19 december 2017 inhoudelijk verweer gevoerd tegen de aanvraag. Beide partijen zijn door het UWV in de gelegenheid gesteld nogmaals schriftelijk te reageren. Op 30 januari 2018 heeft het UWV aan Expertisebureau toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] uiterlijk op 27 februari 2018 op te zeggen. Daartoe heeft het UWV onder meer het volgende overwogen:

Beoordeling
Uw aanvraag is gebaseerd op bedrijfseconomische redenen. Wij beoordelen uw aanvraag dan ook op deze grond. Werknemers stellen dat er (ook) sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie met de directeur en zij gaan hier uitvoerig op in. Deze grieven van werknemers hebben wij enkel meegewogen, daar waar deze argumenten invloed hebben op het toetsingskader voor bedrijfseconomische redenen.
Voor de vraag of er een bedrijfseconomische noodzaak is tot het verval van werknemers functie alsook voor de tweede vraag van ons toetsingskader, namelijk de vraag of er op correcte wijze is afgespiegeld, is het van belang om ons een beeld te vormen welke functie werknemer heeft.
U geeft aan dat werknemer gecombineerde functie van analist coördinator Stop it now/personeelsadministratie uitvoert. Werknemer geeft aan dat zij voor 20 uur per week is aangenomen als medewerker/analist voor het EOKM/Meldpunt en voor vier uur als coördinator Stop it now. Werknemer heeft de afgelopen jaren personeelsadministratie gedaan. Derhalve bent u het eens over de formele taken/verantwoordelijkheden welke werknemer in het verleden diende te verrichten. (…)
Verval van arbeidsplaatsen
Voor de werkgever moet ruimte zijn om beslissingen te kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering. Wij toetsen deze beslissingen daarom met een zekere mate van terughoudendheid. Wel beoordelen wij of de werkgever zich kan verantwoorden voor zijn beslissingen. Aan de hand van de door de werkgever aangevoerde informatie toetsen wij of dit zijn beslissingen voldoende ondersteunt.

(…) In de ontslagaanvraag heeft u een duidelijke toelichting gegeven waarom u heeft besloten om een reorganisatie door te voeren. (…) U wilt zich richten op uw kerntaken, hetgeen betekent dat u activiteiten in het kader van MKS afstoot. In de notulen van de bestuursvergadering [van 9 oktober 2017, ktr] wordt opgemerkt dat de werkwijze van het meldpunt inefficiënt is en dat er veel meldingen blijven liggen. Daarbij wordt minder dan 50% van de tijd van de werknemers besteed aan het behandelen van de meldingen, de corebusiness. (…) “Het werken op de diverse meldpunten en hulplijnen zorgt voor onrust in het werken en steeds vaker vragen medewerkers of ze de diversiteit van hun taken mogen verminderen.” En “steeds vaker knellen activiteiten voor de diverse programma’s met de meldingen van het Meldpunt Kinderporno.” (…)

Wij zijn derhalve van mening dat het besluitvormingsproces in aanloop naar onderhavige reorganisatie voldoende basis heeft. (…) Wij vinden uw uiteenzetting over het hoe van de door u gewenste reorganisatie uitvoerig en duidelijk. (…)
U wilt functies meer afbakenen zodat zij gericht zijn op de kern van de functie en u wilt dat de werkzaamheden van deze functie worden verricht in de tijdsblokken waarin de werkzaamheden zouden moeten worden verricht. Door werknemers wordt de arbeidsomvang van de nieuwe functies en de afbakening van de nieuwe functies ter discussie gesteld. Zij zijn van mening dat u uw beweegredenen onvoldoende heeft toegelicht. Wij zijn deze mening niet toegedaan. U heeft een toelichting gegeven dat u uw medewerkers niet langer dan vier uur per dag wilt blootstellen aan (strafbaar) pornografisch materiaal. Werknemers zouden hier graag een wetenschappelijke onderbouwing voor zien. Dit is voor ons geen vereiste. U bent de werkgever en u wilt uw werknemers beschermen tegen een te lange blootstelling van dergelijke beelden. Het is dan ook uw keuze om deze afbakening door te voeren. (…) Dat het werk gelijktijdig dient te worden verricht omdat er toezicht dient te zijn op elkaars werk, vinden wij bovendien begrijpelijk. U heeft daarnaast aangegeven dat deze werkzaamheden in de ochtend dienen te worden verricht. Dit zodat afbeeldingen of websites zo snel mogelijk verwijderd kunnen worden. Wij vinden uw toelichting bovendien helder daar waar het gaat om het combineren van werkzaamheden. U vindt het namelijk belangrijk dat er geen concurrentie komt van andere werkzaamheden en u wilt de taken afbakenen. Gezien het belang van deze werkzaamheden bij het MKP en het feit dat u achterstanden niet wilt laten oplopen maar juist wilt inlopen, komt ons deze keuze aannemelijk voor. Daarnaast heeft u helder uiteengezet dat de werkzaamheden in het kader van het MKOP en de werkzaamheden in het kader van Helpwanted niet gecombineerd kunnen worden in één functie. De werkzaamheden moeten volgens u namelijk gelijktijdig worden verricht. Zoals hierboven aangegeven moeten de werkzaamheden van MKP in de ochtend worden verricht omdat de afbeeldingen en sites dan direct kunnen worden verwijderd. De werkzaamheden in het kader van Helpwanted dienen ook in de ochtend te worden verricht omdat meldingen van de vorige avond/nacht dan direct kunnen worden opgepakt en niet blijven liggen tot later op die dag. Uw uitleg in deze komt ons aannemelijk voor.
Dat de toekomstige werkzaamheden in omvang, uitgebreidheid (geen combinatie met andere werkzaamheden) en op de te verrichtte tijden een wezenlijke verandering met zich meebrengen in de uitoefening van de functies, is ons inziens voldoende onderbouwd. U zet in bijlage 3 van uw aanvraag op heldere wijze uiteen dat de combinatiefuncties komen te vervallen en niet meer zullen terugkeren in de nieuwe organisatie. Taken worden namelijk geclusterd in de functies Begeleider MKP, Dataprotectie officer, communicatiemedewerker, contentanalist (8 keer) en hulplijn medewerker Help Wanted (4 keer). (…)
Dit geldt ook voor de gecombineerde functie van werknemer. Daarbij geeft u voor het onderdeel van werknemers functie met betrekking tot de coördinatietaak SIN nog aan dat dit onderdeel wordt overgenomen door de directeur en dat administratieve taken worden overgenomen door de administratief medewerker.
Ontslagvolgorde
(…) De nieuwe functies zijn naar ons oordeel aanzienlijk anders dan de oude functies binnen uw organisatie. (…) Zo is het salarisniveau van de nieuwe functies contentanalist en hulplijnmedewerker Help Wanted lager. Ook zijn er in de nieuwe organisatie geen combinatiefuncties meer. (…) Het niveau van de functies is lager dan voorheen. U heeft de weging van de zwaarte van de functie bij een extern bedrijf neergelegd (…). (…) en wij hebben geen redenen om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van EPROM. (…)
Daar u aannemelijk heeft gemaakt dat alle oude functies komen te vervallen en nieuwe functies niet onderling uitwisselbaar zijn met de oude functies, staat afspiegeling niet aan het ontslag van werknemer in de weg.
Herplaatsing
Naast een redelijke grond voor ontslag moet de werkgever nagaan of de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, herplaatst kan worden binnen de onderneming of de groep. Van een werkgever mag daarom verwacht worden dat hij zich inspant om een werknemer van wie de arbeidsplaats vervalt te herplaatsen.
De redelijke termijn is gelijk aan de wettelijke opzegtermijn. De wettelijke opzegtermijn voor werknemer bedraagt twee maanden. In twee ronden is er duidelijkheid ontstaan over de functies die u aan werknemer heeft aangeboden omdat u van mening bent dat deze functies passend zijn. Dit zijn de functies contentanalist en hulplijnmedewerker. Deze functies zijn – wegens voor werknemer moverende redenen – niet geaccepteerd. Derhalve kan van herplaatsing binnen deze functies geen sprake zijn. Los van de vraag of de functie van teambegeleider MKP passend is, is helder dat deze functie niet binnen de redelijke termijn (artikel 10 lid 1 en lid 4 van de Ontslagregeling) vacant komt. Deze komt volgens u namelijk pas op 1 april 2018 vacant. (…) enkel de functies communicatiemedewerker en administratief medewerker resteren als vacante functies.
U heeft aangegeven dat werknemer haar interesse kenbaar kon maken in de functies communicatiemedewerker en administratief medewerker. U bent van mening dat deze functies niet passend zijn voor werknemer waardoor u deze functies in eerste instantie niet aan werknemer heeft aangeboden. Als werknemer haar interesse kenbaar zou maken, dan zou zij daar uiteraard op worden uitgenodigd, zo schrijft uw advocaat op 9 januari 2018 (tweede ronde). Bovendien geeft u in de tweede ronde aan dat de functie van communicatiemedewerker expliciet is besproken in de boventalligheidsgesprekken. Volgens u heeft de advocaat van werknemer tijdens deze gesprekken aangegeven dat werknemer in geen van de functies interesse heeft. Werknemer schrijft in eerste ronde: “Het EOKM stelt voorts in haar ontslagaanvraag dat ook met [verzoekster] is besproken dat er drie andere niet passende functies vacant zijn, te weten communicatiemedewerker, begeleider MKP en administratief medewerker. Deze functies zijn echter niet aangeboden aan [verzoekster] en het EOKM heeft geen stukken ingebracht waaruit dit blijkt”. Werknemer geeft daarnaast in tweede ronde aan dat u enkel de aangepaste functies van analist en hulplijn medewerker heeft aangeboden, verder niets. Werknemer gaat verder en geeft aan dat er ook naderhand geen overleg geweest is over passende functies binnen uw organisatie. Wij maken hieruit op dat werknemer niet ontkent dat er is gesproken over de drie functies. De discussie gaat echter over de passendheid van deze functies. Voorts weerspreekt werknemer in tweede ronde niet dat de advocaat van werknemer heeft aangegeven dat werknemer geen interesse heeft in de genoemde functies. Dat u gezien het feit dat werknemer geen interesse heeft in deze functies tot de conclusie bent gekomen dat herplaatsing sowieso niet mogelijk is, vinden wij niet onbegrijpelijk. Derhalve vinden wij uw herplaatsingsinspanningen voldoende.
Wij merken daarbij in zijn algemeenheid nog op dat, als er al sprake zou zijn van een passende functie, dit niet automatisch hoeft te leiden tot het aanbod om geplaatst te worden in de functie. Ook kunnen er bijvoorbeeld meerdere geschikte kandidaten zijn voor een functie. In dat geval dient er een keuze te worden gemaakt door de werkgever. (…)

1.5.

Expertisebureau heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 31 januari 2018 opgezegd tegen 1 maart 2018.

1.6.

Expertisebureau heeft de transitievergoeding van € 7.740,40 bruto aan [verzoekster] betaald.

Verzoek en verweer

2. [verzoekster] verzoekt, na haar verzoek bij akte van 11 juli 2018 te hebben gewijzigd, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. Expertisebureau te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van
€ 20.000,00 bruto althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
Subsidiair:
II. Expertisebureau te veroordelen de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2018 te herstellen dan wel Expertisebureau te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen per een door de kantonrechter te bepalen datum en de onder punt 21 van het verzoekschrift genoemde voorziening te treffen ter onderbreking van de arbeidsovereenkomst;
Primair en subsidiair (de kantonrechter begrijpt: alleen in het subsidiaire geval):
III. Expertisebureau te verplichten binnen 24 uur na betekening van deze beschikking de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te herstellen op straffe van een dwangsom van
€ 500,00 per dag;
IV. Expertisebureau te verplichten binnen 24 uur na betekening van deze beschikking het achterstallig loon, vermeerderd met de vakantietoeslag, wettelijke rente en wettelijke verhoging aan [verzoekster] te voldoen.

3. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd – kort samengevat – dat het UWV ten onrechte toestemming heeft verleend aan Expertisebureau om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Volgens [verzoekster] heeft Expertisebureau, althans haar directeur [naam directeur] , tot de reorganisatie altijd voorrang gegeven aan de overige werkzaamheden boven de meldingen. Volgens [verzoekster] is pas op 9 november 2017 aan de medewerkers meegedeeld dat er te weinig tijd aan de meldingen werd besteed, dat dit aanleiding was voor de reorganisatie en dat zij daarom voor ontslag werden voorgedragen.

4. Volgens [verzoekster] heeft Expertisebureau voorts niet voldaan aan de op haar rustende inspanningsverplichting om haar te herplaatsen. Expertisebureau heeft haar alleen in het boventalligheidsgesprek van 9 november 2017 de functies Hulplijnmedewerker Help Wanted/medewerker SIN en/of Contentanalist aangeboden. In het geval van medewerker SIN ging het maar om 6 uur, terwijl een andere medewerker ( [naam 2] ) per 1 februari 2018 contractverlenging kreeg (voor 8 uur), een andere collega met een vast contract urenuitbreiding kreeg van 8 naar 24 uur ( [naam 3] ) en de aanstelling van een tijdelijke kracht ( [naam 4] ) werd voortgezet (eveneens voor 8 uur). [verzoekster] stelt dat vóór 31 januari 2018 duidelijk was voor Expertisebureau dat er een mogelijkheid was om [verzoekster] meer uren als medewerker SIN aan te bieden.
Voorts zijn de functies communicatiemedewerker, Teambegeleider MKP en administratief medewerker niet aangeboden, terwijl deze wel passend waren. Met name de gang van zaken rondom de functie Teambegeleider MKP was volgens [verzoekster] dubieus. [verzoekster] betwijfelt ten slotte of Expertisebureau de juiste gegevens heeft verstrekt aan het bureau dat de nieuwe functies heeft gewaardeerd.

5. [verzoekster] stelt dat, anders dan Expertisebureau betoogt, in feite sprake is van een verstoorde relatie en dat dat gegeven aan de wens tot beëindiging van de arbeidsrelatie tussen partijen ten grondslag ligt. Naar de mening van [verzoekster] is de procedure gebaseerd op bedrijfseconomische redenen oneigenlijk en had Expertisebureau een ontbindingsverzoek wegens verstoorde arbeidsverhouding bij de kantonrechter in moeten dienen. Om die reden acht zij herstel van de dienstbetrekking niet realistisch en heeft zij haar verzoek bij akte wijziging eis in die zin gewijzigd dat zij thans primair een billijke vergoeding verzoekt wegens ernstig verwijtbaar handelen door Expertisebureau.

6. Expertisebureau verweert zich tegen het verzoek. Op haar verweer wordt hierna, voor zover van belang voor de te nemen beslissing, in gegaan.

7. Expertisebureau heeft bij wijze van tegenverzoek primair verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze als niet gegrond af te wijzen en subsidiair [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de aan haar betaalde transitievergoeding van € 7.740,40 bruto.

Beoordeling

Procedure & bedrijfseconomisch ontslag

8. De kantonrechter stelt vast dat het verzoek van [verzoekster] binnen de op grond van artikel 7:686a lid 4 sub 1 BW geldende vervaltermijn van twee maanden is ingediend, zodat zij in haar verzoek kan worden ontvangen.

9. In artikel 7:682 lid 1 BW is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming, als bedoeld in artikel 671a BW (van het UWV - ktr):
a. de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a of b BW;
b. aan de werknemer, bij een opzegging in strijd met artikel 669, lid 3, onderdeel a BW, ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien herstel in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Ingevolge artikel 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt op grond van artikel 7:669, lid 3, aanhef en onder a BW verstaan het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.

10. [verzoekster] verzoekt primair om een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub b BW en subsidiair om een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 sub a BW. Voorwaarde voor toewijzing van beide verzoeken is dat Expertisebureau - ondanks de verkregen toestemming van het UWV - in strijd met artikel 7:669 lid 3 onderdeel a (in dit geval) BW heeft opgezegd. Voor toewijzing van de verzochte billijke vergoeding geldt daarnaast als aanvullende voorwaarde dat herstel in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Expertisebureau. Indien er niet zonder redelijke grond is opgezegd, is aan de voorwaarden voor de billijke vergoeding niet voldaan en dient dus zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van [verzoekster] te worden afgewezen.

11. De kantonrechter stelt nog voorop dat de kantonrechter dient te oordelen of het UWV ten onrechte toestemming heeft verleend. De werkgever dient aannemelijk te maken dat de beslissing die aan het verval van arbeidsplaatsen ten grondslag ligt noodzakelijk is in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om een slechte financiële positie, werkvermindering, organisatorische veranderingen/reorganisatie, technologische veranderingen, beëindiging van (een deel van) de bedrijfsactiviteiten, bedrijfsverhuizing en het vervallen van een loonkostensubsidie. De werkgever heeft een beleidsvrijheid, hij moet zijn onderneming zo kunnen inrichten dat het voorbestaan daarvan - in zijn eigen belang en het belang van behoud van werkgelegenheid - ook op langere termijn verzekerd is. Bij het toetsen daarvan past een zekere terughoudendheid. In de Ontslagregeling en de toelichting daarop worden nadere regels gesteld met betrekking tot onder andere een redelijke grond voor ontslag, het afspiegelingsbeginsel en de herplaatsingsplicht. Ook geven de Uitvoeringsregels van het UWV nadere regels. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1212) geoordeeld dat de Ontslagregeling (en de toelichting daarop) recht in de zin van artikel 79 Wet Rechterlijke Organisatie zijn, maar dat de Uitvoeringsregels als beleidsregels van het UWV voor de rechter niet bindend zijn. Dit laatste neemt niet weg dat rechters deze beleidsregels wel als richtsnoer kunnen gebruiken.

Bedrijfseconomische noodzaak

12. Tussen partijen is allereerst in geschil of er - kort gezegd - een bedrijfseconomische noodzaak bestaat om de arbeidsplaatsen te laten vervallen.

13. In het onderhavige geval is er sprake van verval van arbeidsplaatsen als gevolg van organisatorische veranderingen. De kantonrechter acht de bedrijfseconomische noodzaak daartoe, op basis van de in de UWV-procedure overgelegde stukken, waaronder diverse functieomschrijvingen en functiewaarderingsverslagen, organogrammen van voor en na de reorganisatie, de notulen van meerdere bestuursvergaderingen en het beleidsplan ‘EOKM Toekomstvisie 2017’, voldoende aannemelijk geworden. Uit die stukken valt af te leiden dat, zoals ook door Expertisebureau gesteld, de omvang van het werk de laatste jaren enorm is toegenomen en dat een (her)structurering van de organisatie nodig was, niet alleen omdat de medewerkers om meer duidelijkheid over hun taken vroegen, maar vooral voor een verbeterde efficiëntere uitvoering van de kerntaken. Onder meer doordat medewerkers diverse combinatiefuncties hadden, kwamen zij niet toe aan het werk waarvoor Expertisebureau was bedoeld en ontstond er een achterstand bij het verwerken van meldingen MKB.

14. Expertisebureau heeft voldoende over het voetlicht weten te brengen dat zij zich door een efficiëntieslag te maken, kan gaan beperken tot de werkzaamheden waarvoor de stichting bedoeld is. Als erkend door [verzoekster] staat vast dat de meldingen MKB niet altijd de hoogste prioriteit hadden. [verzoekster] probeert dat Expertisebureau in deze procedure tegen te werpen, maar dit is juist een van de redenen waarom de reorganisatie thans is uitgevoerd. Evenmin heeft [verzoekster] weersproken dat er binnen de oude organisatie geen formele functieomschrijvingen of -namen waren, die een duidelijke weergave waren van de werkzaamheden die in de praktijk werden verricht. [verzoekster] geeft zelf in haar verzoekschrift ook aan dat het ongeorganiseerd en zelfs chaotisch was binnen Expertisebureau. Verandering was dus noodzakelijk.

15. Dat Expertisebureau voor het zittende personeel minder verstrekkende maatregelen had kunnen nemen, zoals [verzoekster] heeft gesteld, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier blijkt dat Expertisebureau een tweetal projecten heeft afgestoten. Daarnaast blijkt dat Expertisebureau haar organisatie in eerste instantie door middel van intervisie met een externe gespreksleider onder de loep heeft willen nemen en vervolgens het externe organisatieadviesbureau EPROM heeft ingeschakeld. EPROM heeft zich over de functies, functie-indelingen en een nieuw loonhuis gebogen. Volgens [verzoekster] heeft Expertisebureau niet voldoende gedaan met de kritiek die uit de intervisie naar voren kwam en heeft directeur Gerkens aangegeven dat zij niet langer als directeur wilde aanblijven. Het functioneren van [naam directeur] staat in deze zaak niet ter discussie maar Expertisebureau heeft erkend dat de intervisie emotioneel is geworden en dat dit aanleiding was om te kijken naar verdergaande reorganisatiemaatregelen. Dat is wat er vervolgens ook is gebeurd: Gerkens is in overleg getreden met het bestuur en heeft een nieuwe organisatiestructuur voorgesteld in de vorm van het beleidsplan EOKM Toekomstvisie 2017 en het bestuur heeft later besloten het reorganisatieplan in te voeren. Dat dit snel ging, zoals [verzoekster] Expertisebureau vervolgens verwijt, doet niet af aan de bedrijfseconomische noodzaak. De emotionele lading die de intervisie kreeg onderstreepte juist de noodzaak om snel te handelen.

16. De kantonrechter betrekt bij zijn oordeel dat Expertisebureau een van subsidie afhankelijke organisatie is. Iedere werkgever heeft een zekere mate van beleidsvrijheid (zie 11), maar juist een gesubsidieerde organisatie dient haar werkwijze zo in te richten dat de haar toebedeelde gelden zo doelmatig mogelijk worden besteed. Een werkgever dient zijn keuzes uiteraard wel te verantwoorden, maar Expertisebureau heeft dat in voldoende mate gedaan. Daarbij heeft Expertisebureau afdoende gemotiveerd waarom het niet langer wenselijk is om functies te combineren maar om in plaats daarvan te focussen op een specifiek project en dus - in het geval van [verzoekster] - waarom de Contentanalist zich voortaan alleen nog moet bezighouden met het afhandelen van meldingen MKP. Ook heeft Expertisebureau genoegzaam uit weten te leggen waarom zij die werkzaamheden - het beoordelen van pornografische beelden waarbij kinderen zijn betrokken - beperkt tot vier uur per dag. Anders dan door [verzoekster] is aangevoerd, hoeft Expertisebureau daarvan geen wetenschappelijke onderbouwing te geven.

17. De conclusie luidt dat Expertisebureau voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verval van de functie van [verzoekster] het gevolg was van de bedrijfseconomische noodzaak om haar organisatie te veranderen. Daarmee is de redelijke grond van opzegging als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder a BW voldoende komen vast te staan.

18. [verzoekster] heeft nog betoogd dat er sprake is van een oneigenlijke ontslaggrond: er zou in werkelijkheid sprake zijn van een verstoorde arbeidsrelatie. Zij lijkt daarmee te doelen op de grond voorgewende of valse reden, zoals die bij de oude kennelijk onredelijk ontslagprocedure bestond. Die procedure (en grond) bestaat onder het huidige recht niet meer. Wel kan een verstoring van de arbeidsrelatie nog van belang zijn bij de billijke vergoeding van artikel 7:682 lid 1 sub b BW, nu daaraan als aanvullende voorwaarde wordt gesteld dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is door ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Aan de beantwoording van die vraag wordt echter pas toegekomen (zie hiervoor onder 10) als vaststaat dat in strijd met artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW is opgezegd. Daarvan is in dit geval geen sprake, zoals mede uit het hiernavolgende zal blijken.

Afspiegelingsbeginsel

19. Partijen strijden ook over de vraag of Expertisebureau het afspiegelingsbeginsel heeft geschonden.

20. De Ontslagregeling bepaalt dat werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht. In artikel 11 lid 1 is - kort gezegd - bepaald dat per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen. Op grond van artikel 13 Ontslagregeling is een functie uitwisselbaar met een andere functie indien de functies vergelijkbaar zijn voor wat betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en de tijdelijke of structurele aard van de functie én indien het niveau van de functie en de beloning gelijkwaardig zijn, een en ander in onderlinge samenhang bezien.

21. Naar het oordeel van de kantonrechter is het afspiegelingsbeginsel niet verkeerd toegepast omdat er, zoals Expertisebureau terecht heeft betoogd, geen sprake was van uitwisselbare functies. Zelfs als zou komen vast te staan dat alle werkzaamheden nog zouden bestaan, zoals [verzoekster] stelt, is niet in geschil dat er een nieuwe functiestructuur is met een nieuw loonhuis, waarin de taken per functie zijn geconcentreerd en waarin de gecombineerde functie die [verzoekster] had niet meer voorkomt. Omdat de nieuwe functies van Contentanalist en Medewerker Helpwanted - mede vanwege het wegvallen van de combinatie met andere taken - lager zijn gewaardeerd, deze dus in een lagere salarisschaal vallen en voor aanzienlijk minder uren zijn teruggekomen, is er geen sprake is van uitwisselbaarheid.

Herplaatsingsverplichting

22. Voorts dient te worden beoordeeld of Expertisebureau haar herplaatsingsplicht heeft geschonden.

22. In de artikelen 9 en 10 van de Ontslagregeling wordt een nadere uitwerking gegeven met betrekking tot de herplaatsing en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW (zie hiervoor onder 9). In artikel 9 lid 1 onderdeel a van de Ontslagregeling is bepaald dat bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is de arbeidsplaatsen moeten worden betrokken waarvoor een vacature bestaat, of waarvoor binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 10 een vacature zal ontstaan. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling). Ingevolge artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling is de redelijke termijn gelijk aan de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672 lid 2 BW (voor de werkgever - ktr). De termijn vangt aan op de dag waarop wordt beslist op het verzoek om toestemming (artikel 10 lid 2 Ontslagregeling).

24. Het voorgaande betekent dat Expertisebureau ten tijde van de procedure bij het UWV een inschatting diende te maken van de mogelijkheden tot herplaatsing van [verzoekster] aan de hand van de vacatures die bestonden of binnen de redelijke termijn zouden ontstaan. Dit betreft een beoordeling ex tunc. Anders dan Expertisebureau in haar verweerschrift (onder 7.13) heeft gesteld, bedroeg de redelijke termijn geen maand maar twee maanden. Het UWV is daar blijkens haar beschikking (zie 1.4) ook vanuit gegaan. De redelijke termijn liep derhalve van 30 januari 2018 (beslissing UWV) tot 30 maart 2018.

25. Vast staat dat Expertisebureau [verzoekster] tijdens het boventalligheidsgesprek van 9 november 2017 de functie van zowel Contentanalist als Hulplijnmedewerker SIN heeft aangeboden voor 4 dagen x 4,5 uur respectievelijk 1 dag x 6 uur per week, maar dat [verzoekster] deze functies naderhand heeft afgeslagen omdat deze zich op een lager salarisniveau bevonden dan haar oude functie en voor minder uren konden worden uitgevoerd. Nu onweersproken is gebleven dat [verzoekster] zelfs is aangeboden om beide functies te combineren, onder de voorwaarde dat deze elkaar niet in de weg zouden zitten, valt niet in te zien hoe Expertisebureau op dit punt niet aan haar herplaatsingsverplichting zou hebben voldaan. Aan de stelling van [verzoekster] dat de vacature voor Hulplijnmedewerker SIN haar niet voor 20 uur per week is aangeboden, wordt voorbijgegaan nu als onvoldoende weersproken vaststaat dat die functie voor dat aantal uren eerst vacant is geworden na de opzegging door Expertisebureau. Daarmee kon door het UWV en Expertisebureau derhalve eerder geen rekening worden gehouden.

26. Ten aanzien van de overige functies waarvan [verzoekster] heeft gesteld dat deze passend waren, te weten die van Teambegeleider MKP, Communicatiemedewerker en Administratief medewerker, overweegt de kantonrechter dat Expertisebureau voldoende heeft duidelijk gemaakt dat zij [verzoekster] (via haar gemachtigde) diverse malen heeft uitgenodigd haar interesse aan te geven voor vacante functies, maar dat [verzoekster] dit heeft nagelaten. Ook dan geldt dat niet kan worden gezegd dat Expertisebureau haar herplaatsingsplicht heeft geschonden. [verzoekster] wist welke vacatures er bestonden en beschikte over de omschrijvingen van de nieuwe functies. Om daarop herplaatst te worden had zij op zijn minst moeten laten weten dat zij in die functies geïnteresseerd was. Daar komt bij dat de kantonrechter van oordeel is dat [verzoekster] onvoldoende heeft gemotiveerd dat de functies, anders dan Expertisebureau stelt, passend waren. Zo heeft zij niet onderbouwd dat zij over de voor de functie Teambegeleider MKP benodigde “kennis psychologie” en de voor de functie Communicatiemedewerker vereiste voorervaring beschikt.

Geen opzegging in strijd met 7:669 lid 3 BW

27. Nu - zoals hiervoor is geoordeeld - er sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak en Expertisebureau het afspiegelingsbeginsel en haar herplaatsingsverplichting niet heeft geschonden, is er niet in strijd met artikel 7:669 lid 3 BW opgezegd, zodat - zie hiervoor onder 10 - het primaire en het subsidiaire verzoek moeten worden afgewezen.

27. Gelet op het voorgaande behoeven de verdere (tegen)verzoeken en stellingen van partijen geen bespreking.

29. Uit het betoog van [verzoekster] valt op te maken dat zij van mening is dat Expertisebureau niet zorgvuldig te werk is gegaan. Op zich is denkbaar dat in een geval als het onderhavige, waarin het UWV terecht toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en de verzoeken van de werknemer worden afgewezen, toch een schadevergoeding wordt toegekend wegens handelen in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap. Nu een dergelijk verzoek in het geval van [verzoekster] niet voorligt, kan daar in dit geval ook niet op beslist worden.

29. Er is aanleiding de kosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de verzoeken af;

compenseert de kosten.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken door
mr. F.J. van de Poel, kantonrechter, op 9 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter