Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6315

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1870
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonsanctie werkgever. Eiseres heeft onvoldoende re-integratie inspanningen verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/1870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

Eurest Services B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: N. Kuijper);

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. Aït Moha).

Procesverloop

In het besluit van 23 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdvak waarover eiseres loon moet doorbetalen tijdens ziekte van [naam werkneemster] (werkneemster) verlengd met 52 weken (de loonsanctie).

In het besluit van 30 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is werkneemster in de gelegenheid gesteld als belanghebbende partij aan deze procedure deel te nemen. Werkneemster heeft aan de rechtbank medegedeeld niet als belanghebbende aan de procedure te willen deelnemen.

Overwegingen

Wat ging er aan deze zaak vooraf?

1. Op 21 september 2015 heeft werkneemster zich ziekgemeld bij eiseres wegens klachten aan haar rechterschouder. Op 28 juni 2016 heeft de bedrijfsarts R.J. Maaskant een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. In deze FML zijn onder meer beperkingen op sociaal en persoonlijk functioneren en een lichte beperking ten aanzien van frequent reiken opgenomen. Op 16 september 2016 heeft de bedrijfsarts N. Al-Qezweny een FML opgesteld. Hierin zijn ook beperkingen op sociaal en persoonlijk functioneren opgenomen en is onder meer een lichte beperking opgenomen ten aanzien van frequent reiken met daarbij de opmerking dat het frequente reiken niet achtereen moet zijn. Op basis van de FML van 16 september 2016 heeft op 10 oktober 2016 een arbeidsdeskundige van Incentivo in opdracht van eiseres een re‑integratieadvies opgesteld. Hierin is geconcludeerd dat werkneemster in overleg met de bedrijfsarts haar lichte schoonmaakwerkzaamheden kan hervatten en er geen urenbeperking meer is. Werkneemster is naar aanleiding van dit advies begonnen met werkzaamheden waarna zij op 4 november 2016 weer volledig uitviel. Op 20 februari 2017 heeft een arbeidsdeskundige van Elabo in opdracht van eiseres een arbeidsdeskundig onderzoek gedaan waarin is geconcludeerd dat het eigen werk niet zonder meer geschikt is voor werkneemster omdat een groot deel van de taken reiken omvat. Daarnaast is geconcludeerd dat er voor werkneemster geen ander, zonder meer passend, werk voorhanden is bij eiseres. Op 1 maart 2017 heeft XHILL7 in opdracht van eiseres een trajectplan opgesteld waarin staat dat werkneemster re-integratiemogelijkheden heeft in werk als telefoniste of receptioniste en andere soortgelijke functies en dat zij bij het vinden van ander passend werk begeleid zal worden. Op 21 mei 2017 is een FML opgesteld door de bedrijfsarts N. Al-Qezweny. Hierin zijn geen beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van werkneemster meer opgenomen, maar wel op frequent reiken tijdens het werk (beperkt). Na de wachttijd van 104 weken heeft werkneemster een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd.

Wat zijn de standpunten van partijen?

2.1.

Verweerder heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek laten uitvoeren en geconcludeerd dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft geleverd om werkneemster te re-integreren. In het rapport van 15 augustus 2017 heeft de arbeidsdeskundige van verweerder onder meer gesteld dat het aannemelijk is dat het eigen werk mogelijk weer geschikt zou zijn voor werkneemster. Verweerder heeft daarom in het primaire besluit aan eiseres een loonsanctie opgelegd.

2.2.

In het bestreden besluit handhaaft verweerder het primaire besluit. Verweerder heeft dit besluit onder meer gebaseerd op de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 november 2017. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de FML van de bedrijfsarts van 16 september 2016 een lichte beperking ten aanzien van frequent reiken is opgenomen. In de FML van de bedrijfsarts van 21 mei 2017 is vervolgens een beperking opgenomen. Dit zou betekenen dat de belastbaarheid van werkneemster op dat moment sterk verminderd is. De verzekeringsarts die werkneemster na haar WIA-aanvraag heeft onderzocht heeft in de FML van 24 juli 2017 daarentegen geen beperking op reiken opgenomen. Bij geen beperking op reiken is het eigen werk van werkneemster passend, aldus verweerder.

2.3.

In beroep voert eiseres aan dat werkneemster het eigen werk niet kan uitvoeren omdat zij een beperking heeft op frequent reiken. Er is twee keer proefondervindelijk geprobeerd om werkneemster haar eigen werk te laten uitvoeren, maar zij kreeg elke keer weer klachten en viel daarna uit van werk. De bedrijfsarts heeft daarom preventief in de FML van 21 mei 2017 een beperking op reiken opgenomen.

Wat oordeelt de rechtbank?

3.1.

Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, verlengt verweerder het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens de werkgever recht heeft op loon, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde re-integratie-inspanningen kan herstellen.

3.2.

Op grond van artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt verweerder of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

3.3.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft verweerder een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werkneemster in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werkneemster in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werkneemster. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende worden geacht, dan wordt geen sanctie opgelegd.

3.4.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat geen bevredigend resultaat is bereikt als bedoeld in de Beleidsregels. Wel in geschil is of verweerder zich op het standpunt kan stellen dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd en of verweerder gelet hierop terecht aan eiseres een loonsanctie heeft opgelegd. De rechtbank merkt op dat de discussie over de mogelijkheden voor werkneemster bij een andere werkgever in dit kader niet relevant is en dus onbehandeld zal blijven.

3.5.

Zoals door eiseres op de zitting is bevestigd, heeft de bedrijfsarts in de FML van 21 mei 2017, omdat werkneemster twee keer eerder was uitgevallen na het hervatten van haar eigen werk, preventief een beperking op reiken opgenomen. Dit terwijl in de FML van 16 september 2016 nog een lichte beperking op reiken was opgenomen. De bedrijfsarts heeft in dit kader aangegeven dat hij dit adviseert omdat in de praktijk is aangetoond dat meer belasting leidt tot verergering van de klachten van werkneemster. De bedrijfsarts heeft geen nieuw medisch onderzoek uitgevoerd.

3.6.

De verzekeringsarts heeft daarentegen het dossier van werkneemster onderzocht en werkneemster op een spreekuur gezien en onderzocht. De onderzoeksbevindingen zijn vervolgens neergelegd in de rapportage van de verzekeringsarts van 21 augustus 2017. Op basis van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts geoordeeld dat er geen beperking is op frequent reiken (zie de FML van 24 juli 2017). De rechtbank vindt dat de rapportage van de verzekeringsarts zorgvuldig tot stand is gekomen, geen tegenstrijdigheden bevat en concludent is. De rechtbank is het daarom met verweerder eens dat de conclusies van de verzekeringsarts voor het vaststellen van de beperkingen van de werkneemster als vertrekpunt moeten en kunnen worden genomen. Aangezien de bedrijfsarts in de FML van 21 mei 2017 zonder medisch onderzoek meer beperkingen heeft aangenomen, zijn mogelijk kansen bij de re-integratie van werkneemster gemist. Op grond van vaste rechtspraak is het voor risico van eiseres dat zij afgaat op een advies van een door haar ingeschakelde bedrijfsarts dat later blijkt onjuist of onvoldoende onderbouwd te zijn geweest.

4. Het beroep is ongegrond. Verweerder is terecht tot het oordeel gekomen dat eiseres onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht en heeft terecht een loonsanctie aan eiseres opgelegd.

5. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Roubiës, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.