Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6314

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2648
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zorgvuldig medisch onderzoek gedaan. Terecht WIA aanvraag van eiseres afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/2648

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Amstelveen, eiseres

(gemachtigde: mr. A.C.R. Molenaar),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J.G. Kramer).

Procesverloop

In het besluit van 5 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen.

In het besluit van 7 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Op 12 november 2015 heeft eiseres zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld. Eiseres was voorheen werkzaam als [functie] gedurende 24 uur per week. Op 26 juli 2017 heeft eiseres met ingang van 10 november 2017 een WIA-uitkering bij verweerder aangevraagd.

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 35%, namelijk 0%, is. Verweerder baseert zich op de rapportage van de verzekeringsarts van 26 september 2017 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 5 oktober 2017.

2.2.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 28 februari 2018 overwogen dat de in bezwaar ontvangen medische informatie leidt tot bijstelling van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) bij de primaire beoordeling. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 6 maart 2018 vervolgens overwogen dat door de aangepaste FML van 28 februari 2018 niet alle door de arbeidsdeskundige in de primaire beoordeling geselecteerde functies passend meer zijn voor eiseres. Er zijn echter nog voldoende geselecteerde functies wel passend. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres verandert daardoor niet, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Wat zijn de standpunten van partijen?

3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij zich volledig arbeidsongeschikt acht. Zij stelt dat zij beperkter moet worden geacht dan verweerder heeft aangenomen in de FML van 28 februari 2018. Zij heeft door haar psychische klachten meer beperkingen ten aanzien van energie, aandacht en concentratie. Voorts voert eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de beperking ‘geen solitaire functies’ achterwege heeft gelaten. Zij verwijst hierbij naar een medische rapportage opgesteld in het kader van de Ziektewet van 30 januari 2014 waarin onder het kopje onderzoek gegevens staat dat eiseres niet goed functioneerde toen zij alleen moest werken. Tot slot voert eiseres aan dat in het bestreden besluit voorbij wordt gegaan aan het verhaal dat haar dochters hebben verteld tijdens de hoorzitting. Uit dat verhaal blijkt hoe zeer eiseres in de war is en hoe zich dit manifesteert in het dagelijks leven. Het is een gebrek dat die informatie niet is meegenomen in de besluitvorming, aldus eiseres.

4. Verweerder stelt dat eiseres niet als volledig arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt. De door eiseres aangevoerde klachten zijn bij verweerder bekend. Uit de rapportages van de deskundigen blijkt dat eiseres echter met de bij haar bestaande beperkingen in staat is loonvormende arbeid te verrichten. De stelling dat eiseres geen solitaire functies kan verrichten verwerpt verweerder onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beperking die hierop was aangenomen in het rapport van 30 januari 2014 acht verweerder niet overtuigend omdat dit rapport sterk verouderd is.

Wat oordeelt de rechtbank?

5.1.

Volgens vaste rechtspraak mag verweerder zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van haar verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten concludent zijn (het medisch onderzoek moet de getrokken conclusie kunnen dragen). Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.1

5.2

De rechtbank vindt het medisch onderzoek zorgvuldig. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, eiseres op een spreekuur onderzocht en informatie van de behandelend sector bij het onderzoek betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en meer in het bijzonder de in bezwaar ontvangen informatie van de therapeut van eiseres A. de Roo meegewogen.

5.3

De rechtbank vindt ook dat het medisch onderzoek de getrokken conclusie kan dragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de complexe psychische problematiek van eiseres meegewogen en op basis hiervan beperkingen in de FML van 28 februari 2018 aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij nadrukkelijk ook rekening gehouden met de ADHD klachten van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beperkingen van eiseres dan ook correct vastgesteld in de FML. Dat een beperking op solitaire functies moet worden aangenomen, volgt de rechtbank gezien het voorgaande niet. Het door eiseres in dit kader overgelegde stuk van 30 januari 2014 is bovendien zwaar verouderd.

5.4.

Ten aanzien van het verhaal van de dochters van eiseres is de rechtbank van mening dat uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de dochters aan het woord zijn geweest. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij hebben verteld over haar dagelijkse toestand. De medische toestand van eiseres is beoordeeld door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, op basis waarvan het bestreden besluit is genomen. Het verhaal van de dochters voegt geen nieuwe medische informatie toe, zodat dit niet kan leiden tot meer beperkingen in de FML.

5.5.

De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek van eiseres om haar door een deskundige te laten onderzoeken gezien voorgaande niet toe.

5.5.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft aangevoerd van specifiek arbeidskundige aard. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechtbank de toetsing van het bestreden besluit dan ook te beperken tot de medische grondslag en de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens de rapportage van 6 maart 2018 op grond van de FML van 28 februari 2018 nieuwe functies geselecteerd en toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht waarom deze functies voor eiseres geschikt zijn te achten.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de medische en arbeidskundige rapporten aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen en daarmee op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op minder dan 35% heeft vastgesteld. Verweerder heeft terecht de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering afgewezen. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Roubiës, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1683).