Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6254

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
AMS 17/6567
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zijn hoorplicht geschonden. Geen ruimte voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eiseres in haar belangen is geschaad. Verweerder moet alsnog een hoorzitting houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6567

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

[Stichting] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [Stichting] )

(gemachtigden: [de gemachtigde] en mr. Y. Telenga),

en

het bestuur van het Mondriaan Fonds, verweerder (hierna: het Fonds)

(gemachtigde: C.A. Lindo).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 (het primaire besluit) heeft het Fonds de subsidieaanvraag van [Stichting] afgewezen.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft het Fonds het bezwaar van [Stichting] ongegrond verklaard.

[Stichting] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Fonds heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. [Stichting] en het Fonds hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Het Fonds is een landelijk stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed. Het bevordert bijzondere en vernieuwende projecten en activiteiten van kunstenaars en culturele instellingen uit Nederland.

1.2

[Stichting] biedt sinds 2008 tweejaarlijks een internationaal podium voor sculptuur en heeft als doel om binnen de verkeersaders van [stadsdeel] een laagdrempelige, culturele ontmoetingsplaats te realiseren. Het project ‘Art Zuid 2017 Conversations between generations; Mondriaan’s invloed op de Nederlandse beeldhouwkunst’ (hierna: [Stichting] ) liet de ontwikkeling van de naoorlogse abstracte beeldhouwkunst in Nederland zien.

1.3

[Stichting] heeft op 10 februari 2017 een aanvraag ingediend bij het Fonds om subsidie voor het project [Stichting] 2017 in het kader van de regeling ‘Projectinvestering Instellingen’.

1.4

Bij het primaire besluit heeft het Fonds de subsidieaanvraag van [Stichting] , onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie, afgewezen. Bij brief van 16 mei 2017, door het Fonds ontvangen op 18 mei 2017, heeft [Stichting] bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en het Fonds verzocht om uitstel tot 1 juni 2017 voor het indienen van de bezwaargronden.

1.5

Bij brief van 26 juni 2017 heeft het Fonds aan [Stichting] medegedeeld dat het dossier is gesloten, omdat [Stichting] haar bezwaar niet heeft gemotiveerd. Bij brief van 21 juni 2017, door het Fonds ontvangen op 28 juni 2017, heeft [Stichting] haar bezwaargronden ingediend en bij brief van 31 augustus 2017 heeft [Stichting] nadere bezwaargronden ingediend.

1.6

Bij het bestreden besluit heeft het Fonds, onder verwijzing naar het gewijzigde advies van de adviescommissie, het bezwaar van [Stichting] ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Fonds opgemerkt dat de gronden van het bezwaar te laat zijn ingediend, maar dat het bezwaar toch in behandeling is genomen.

Het standpunt van [Stichting]

2.1

[Stichting] stelt zich in beroep op het standpunt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat geen sprake is van termijnoverschrijding bij het indienen van de bezwaargronden, nu het Fonds geen indieningstermijn heeft gesteld.

2.2

[Stichting] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het Fonds haar ten onrechte niet heeft uitgenodigd voor een hoorzitting.

2.3

[Stichting] heeft verder – kort samengevat – aangevoerd dat het Fonds haar subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Daarbij betoogt [Stichting] dat het advies van de adviescommissie, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onzorgvuldig en niet voldoende transparant is. Ook inhoudelijk bestrijdt [Stichting] het (negatieve) oordeel van de adviescommissie.

Het standpunt van het Fonds

3.1

Het Fonds stelt zich in beroep op het standpunt dat met de brief van 18 mei 2017 (de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift van 16 mei 2017) is bevestigd dat [Stichting] tot 1 juni 2017 de tijd had om de bezwaargronden in te dienen. De op 21 juni 2017 ingediende bezwaargronden zijn dan ook te laat. Uit coulance is het Fonds toch inhoudelijk op het bezwaar van [Stichting] ingegaan.

3.2

Het Fonds stelt zich verder op het standpunt dat [Stichting] niet gehoord hoefde te worden. Wegens de te late indiening van de bezwaargronden was het bezwaar immers kennelijk ongegrond en bovendien is met de heroverweging in bezwaar volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van [Stichting] , aldus het Fonds.

3.3

Het Fonds stelt zich voorts – kort samengevat – op het standpunt dat het bestreden besluit mocht worden gebaseerd op het advies van de adviescommissie. Het advies voldoet aan de eisen van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Fonds verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar een uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 mei 1998 (nr. H01.97.0361) en een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2015 (met zaaknummer AWB 14/6689).

De beoordeling door de rechtbank

De ontvankelijkheid van het bezwaar

4. De rechtbank stelt vast dat [Stichting] met haar brief van 16 mei 2017 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. In deze brief staan echter geen gronden vermeld. De rechtbank is van oordeel dat het [Stichting] niet kan worden tegengeworpen dat zij pas met haar brief van 21 juni 2017 haar bezwaargronden heeft ingediend. De reden hiervoor is dat het Fonds [Stichting] niet uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim (het ontbreken van de bezwaargronden in de brief van 16 mei 2017) binnen een door het Fonds gestelde termijn te herstellen, terwijl het Fonds deze verplichting op grond van artikel 6:6 van de Awb wel heeft. In de brief van 18 mei 2017 (de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift) geeft het Fonds geen termijn waarbinnen [Stichting] het verzuim kan herstellen, en ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het Fonds [Stichting] zo’n termijn heeft geboden. Dat betekent dat aan de late indiening van de bezwaargronden in dit geval geen consequenties kunnen worden verbonden. Het bezwaar is dan ook ontvankelijk.

De hoorplicht

5.1

Zowel artikel 7:2, eerste lid, van de Awb als artikel 16, tweede lid, van het Algemeen Reglement Mondriaan Fonds 2017 bepaalt dat het bestuur, voordat op het bezwaar wordt beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt gehoord te worden.

5.2

Artikel 7:3 van de Awb bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of

e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

5.3

De rechtbank stelt vast dat [Stichting] het Fonds meerdere keren heeft verzocht om het houden van een hoorzitting. In tegenstelling tot het Fonds is de rechtbank van oordeel dat er geen reden was om van het horen af te mogen zien. In rechtsoverweging 4. is reeds geoordeeld dat het bezwaar ontvankelijk is. Er is ook geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar. Evenmin is sprake van volledige tegemoetkoming aan het bezwaar van [Stichting] , nu het Fonds de subsidieaanvraag van [Stichting] heeft afgewezen. In dit verband merkt de rechtbank op dat [Stichting] het bezwaarschrift afsluit met: “Wij hopen dat we u hebben kunnen overtuigen om tot een heroverweging van uw besluit te komen en alsnog een bijdrage van het Mondriaanfonds beschikbaar wil stellen die bijdraagt in de kosten (…)”. Daarmee heeft [Stichting] niet alleen gevraagd om een heroverweging door de adviescommissie, maar ook om toekenning van de subsidie. Het Fonds is met de enkele heroverweging dan ook niet volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van [Stichting] . Gelet op het voorgaande heeft het Fonds dus zijn hoorplicht geschonden.

5.4

De vraag is vervolgens welke consequenties moeten worden verbonden aan de schending van de hoorplicht. [Stichting] is in deze beroepsprocedure alsnog in de gelegenheid geweest om alles naar voren te brengen wat zij op de hoorzitting naar voren had willen brengen. Als het gaat om de juridische argumenten (zie hierna de rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.6) kan de rechtbank daar een oordeel over geven en is [Stichting] in zoverre niet benadeeld. Als het gaat om de vraag of de adviescommissie terecht tot een negatief advies is gekomen, geldt echter dat de rechtbank het oordeel van de adviescommissie inhoudelijk niet op juistheid kan toetsen. Het is uitsluitend aan de adviescommissie om een oordeel te geven over het bijzondere belang van het projectvoorstel voor de hedendaagse beeldende kunst en/of het cultureel erfgoed en de burger. In zoverre is [Stichting] door het achterwege laten van een hoorzitting mogelijk benadeeld. Wat [Stichting] op de hoorzitting naar voren had willen brengen, zou het Fonds immers hebben voorgelegd aan de adviescommissie en zou daarmee van invloed kunnen zijn geweest op het te nemen besluit door het Fonds. De adviescommissie zou dat wat [Stichting] op de hoorzitting naar voren had willen brengen namelijk hebben betrokken bij de vraag of de adviescommissie het negatieve advies handhaaft, dan wel dat zij daarin wijzigingen aanbrengt. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval niet aannemelijk is dat [Stichting] niet in haar belangen is geschaad. Daarom is er geen ruimte voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb (‘passeren van gebreken’).

5.5

De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van de hoorplicht. Gelet op wat in rechtsoverweging 5.4 is overwogen, ziet de rechtbank in dit geval ook geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank kan het oordeel van de adviescommissie inhoudelijk immers niet op juistheid toetsen. Dit betekent dat het Fonds alsnog een hoorzitting moet houden. Wat [Stichting] dan naar voren brengt en wat [Stichting] in deze procedure in beroep naar voren heeft gebracht, zal het Fonds aan de adviescommissie moeten voorleggen met de vraag of dat verandering brengt in het door de adviescommissie gegeven oordeel over het bijzondere belang van het projectvoorstel van [Stichting] voor de hedendaagse beeldende kunst en/of het cultureel erfgoed en de burger.

5.6

Het voorgaande betekent dat het Fonds een nieuwe beslissing op het bezwaar moet nemen, nadat [Stichting] alsnog is gehoord. Anders dan de rechtbank op de zitting als voorlopig oordeel heeft gegeven, leidt de schending van de hoorplicht er in dit geval dus toe dat de zaak daarmee wordt terugverwezen naar het Fonds.

5.7

Met het oog op het zo veel mogelijk finaal beslechten van het geschil zal de rechtbank hierna nog wel ingaan op de juridische argumenten die [Stichting] naar voren heeft gebracht tegen de motivering van het advies van de adviescommissie.

De motivering van het bestreden besluit

6.1

Het Fonds heeft het bestreden besluit gebaseerd op het gewijzigde advies van de adviescommissie.

6.2

[Stichting] heeft aangevoerd dat de overwegingen van de adviescommissie niet zorgvuldig, begrijpelijk en transparant zijn. Volgens [Stichting] is niet duidelijk hoe de adviescommissie de verschillende criteria apart en in onderlinge samenhang heeft verdisconteerd in haar advies. De adviescommissie is in het advies niet kenbaar ingegaan op de verschillende criteria, aldus [Stichting] .

6.3

Het Fonds heeft toegelicht dat de adviescommissie tijdens de vergadering aandacht heeft besteed aan alle criteria en de onderlinge samenhang daartussen. Bij de vergadering waren ook twee projectmedewerkers van het Fonds aanwezig die dit hebben bewaakt. In het schriftelijke advies worden alleen de belangrijkste overwegingen van de adviescommissie verwoord en wordt niet ingegaan op elk criterium, aldus het Fonds.

6.4

De rechtbank overweegt dat het aan de adviescommissie is om een oordeel te geven over het bijzondere belang van het projectvoorstel voor de hedendaagse beeldende kunst en/of het cultureel erfgoed en de burger. Uit het advies blijkt dat de adviescommissie hier een oordeel over heeft gegeven. Vervolgens is de vraag welke motiveringseisen aan dat advies kunnen worden gesteld.

6.5

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling1 kunnen in gevallen als het onderhavige, waarbij het gaat om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen, die zich niet licht in woorden laten (samen)vatten, aan het advies slechts beperkte motiveringseisen worden gesteld. Het gaat erom dat de aanvrager inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het advies ten grondslag ligt.

6.6

Anders dan [Stichting] heeft aangevoerd, is het naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk dat in het op schrift gestelde advies kenbaar wordt getoetst aan de afzonderlijke sub-criteria zoals genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Deelregeling Projectinvestering Presentatie- en Erfgoedinstellingen 2017 of dat in het advies expliciet wordt ingegaan op de onderlinge samenhang tussen de afzonderlijke sub-criteria. Noch de vaste rechtspraak van de Afdeling, noch de van toepassing zijnde regelgeving verplicht tot een dergelijke motivering. In wat de adviescommissie heeft overwogen ziet de rechtbank, anders dan [Stichting] , ook geen innerlijke tegenstrijdigheid. De adviescommissie heeft ook geen aspecten betrokken bij haar oordeel die zij daarbij niet had mogen betrekken. Het advies is weliswaar summier, maar voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen.

Conclusie

7.1

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het voor herstel van het gebrek benodigde onderzoek naar het zich laat aanzien enige tijd zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Het Fonds zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van 12 weken. Hoewel het Fonds en de adviescommissie niet gehouden zijn om een meer uitvoerige motivering te geven als zij bij hun oordeel blijven, staat het het Fonds en de adviescommissie uiteraard vrij om dat wel te doen.

7.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Fonds aan [Stichting] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7.3

De rechtbank veroordeelt het Fonds in de door [Stichting] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het Fonds op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het Fonds op het betaalde griffierecht van € 333,- aan [Stichting] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het Fonds in de proceskosten van [Stichting] tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, en mr. M.A. Broekhuis en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.A.V. van Kleef, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 mei 1998, nr. H01.97.0361 en van 11 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA4609.