Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6230

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
13/654124-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door in een openbaar park, op klaarlichte dag, met een mes driemaal in het bovenbeen van het slachtoffer te steken. Verder heeft verdachte vijf bolletjes cocaïne verkocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654124-16 (Promis)

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1969,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 15 augustus 2018, 26 juni 2018 en 26 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van de Venn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.A.F.C. Tack naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. PrimairDiefstal met geweld van een Samsung telefoon van [aangever] op 16 juni 2016 te Amsterdam;

Subsidiair: Poging tot diefstal met geweld en/of poging tot zware mishandeling van [aangever] op 16 juni 2016 te Amsterdam;

2. Het opzettelijk verkopen, afleveren of verstrekken van bolletjes, papiertjes en/of zakjes cocaïne aan [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] op 6 oktober 2017 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde verkopen van cocaïne bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 1 blijkt uit de aangifte dat aangever [aangever] in het Oosterpark werd lastig gevallen door een man die vroeg of hij zijn telefoon wilde verkopen. Nadat aangever wegliep werd hij door de man aangevallen, waarbij hij is geslagen, geduwd en daarna door de man drie keer in zijn been is gestoken. Vervolgens komt aangever erachter dat hij zijn telefoon kwijt is. Hoewel goed voorstelbaar is dat verdachte de telefoon van aangever heeft weggenomen, is voor diefstal onvoldoende bewijs voorhanden. Van de primair ten laste gelegde diefstal met geweld moet verdachte worden vrijgesproken. Het dossier bevat wel voldoende bewijs voor de poging tot zware mishandeling. De officier van justitie baseert zich daarbij op de overeenkomsten tussen het uiterlijk van verdachte en het door aangever opgegeven signalement. Daarnaast heeft aangever verdachte een paar dagen later in een auto zien rijden en heeft hij hem toen voor 100 % herkend als de dader. Tot slot wijst ook een anonieme getuige verdachte aan als de dader. Nu verdachte met een mes drie keer in het bovenbeen van aangever heeft gestoken heeft hij op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen duidelijk kan worden opgemaakt dat verdachte bolletjes cocaïne aan drie kopers heeft verkocht. Uit het laboratoriumrapport blijkt dat de aangetroffen bolletjes bij één van de kopers cocaïne bevatten. Aangezien de werkwijze steeds hetzelfde is, kan worden bewezen dat ook de andere bolletjes cocaïne hebben bevat. Het tweede feit kan dan ook bewezen worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de telefoon heeft weggenomen en evenmin dat verdachte de persoon is die de geweldshandelingen heeft gepleegd. Allereerst is sprake van een onbetrouwbare herkenning. Niet alleen noemt aangever onvoldoende onderscheidende persoonskenmerken in het door hem opgegeven signalement, maar daarnaast rept hij met geen woord over evidente persoonskenmerken van verdachte, namelijk zijn tatoeage en gouden tand. Daarbij komt dat aangever meent de dader al twee keer eerder te hebben gezien in het park. De tatoeage had hem dan in ieder geval moeten zijn opgevallen, te meer nu de tatoeage aan de rechterzijde van de hals van verdachte duidelijk zichtbaar is. Verder kan de anonieme getuigenverklaring niet meewegen voor het bewijs, omdat het onduidelijk is wat voor de anonieme getuige de beweegredenen zijn geweest om te verklaren. Daarbij valt op dat deze getuige de politie pas aanspreekt op het moment dat de politie in zijn tas probeert te kijken. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, dan doet de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de anonieme getuige.

Van feit 2 moet verdachte ook worden vrijgesproken omdat vraagtekens kunnen worden gezet bij de betrouwbaarheid van het proces-verbaal. Ten eerste is de waarneming van de verbalisant gekleurd omdat hij verdachte al kent. Verder zegt verbalisant dat hij goed zicht had, terwijl hij op acht meter afstand stond. Verder spreekt verbalisant steeds van witte bolletjes die overhandigd zouden worden, maar hoe deze eruit zagen staat niet in het proces-verbaal. Daarnaast zegt één van de kopers, [persoon 2] , dat hij cocaïne heeft gekocht van een persoon met een bruine jas, terwijl verdachte een zwarte jas droeg. Tot slot is niet vastgesteld dat de bolletjes die [persoon 2] en [persoon 1] hebben gekocht cocaïne hebben bevat.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat voor de (poging tot) diefstal van de telefoon onvoldoende bewijs voorhanden is. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Dit ligt anders ten aanzien van de poging tot zware mishandeling. Anders dan de raadsvrouw vindt de rechtbank dat het door aangever opgegeven signalement meer dan voldoende onderscheidende kenmerken bevat. Wanneer verbalisanten ter plaatse komen geeft aangever meteen een duidelijk signalement op, namelijk dat de man die hem heeft aangevallen een donkere huidskleur heeft (“net zo’n kleur als ik, Surinaams”), een klein sikje, ongeveer 40 jaar oud en 180 centimeter lang is, en dat de man een blauwe jas en een petje droeg. In zijn aangifte, die op dezelfde dag is gedaan, vult hij aan dat de man ook kort kroeshaar heeft. Dit signalement komt overeen met het uiterlijk van verdachte. Door de raadsvrouw is er nog op gewezen dat aangever de tatoeage niet heeft opgemerkt, terwijl de tatoeage hem wel had moeten opvallen. De rechtbank heeft verdachte op de zitting van 15 augustus 2018 gezien en geconstateerd dat de tatoeage op de zijkant van de hals van verdachte zit en dat hij een donkere huidskleur heeft, wat maakt dat de tatoeage niet direct hoeft op te vallen. Daarbij komt dat de tatoeage niet is te zien als verdachte een wat hoger gesloten T-shirt draagt en dat de tatoeage ook niet (goed) te zien is als je verdachte recht van voren aankijkt. Dat aangever de tatoeage niet heeft opgemerkt doet daarom niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Verder ziet de rechtbank niet in waarom aangever een signalement zou verzinnen dat bij het uiterlijk van verdachte past. Verdachte heeft nog geopperd dat aangever dit misschien uit jaloezie heeft gedaan, omdat verdachte met de (ex)vrouw of (ex)vriendin van aangever heeft gepraat, maar dit volgt op geen enkele wijze uit het dossier. Naast het duidelijke opgegeven signalement heeft aangever verdachte ook nog eens voor honderd procent herkend toen hij hem voorbij zag rijden in een auto, waarna verdachte is staande gehouden door de politie. Naast de overeenkomsten in het signalement en de herkenning is het gedrag van verdachte op het moment van de staande houding opvallend. Hij gaf namelijk de naam van zijn broer op in plaats van zijn eigen naam en toen verdachte zijn broer belde, vroeg zijn broer hem: “Waarom ben je aangehouden, hebben ze je herkend?”. Verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor deze vraag van zijn broer. Al met al leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat verdachte de dader was en aangever heeft gestoken in zijn bovenbeen.

Nu vaststaat dat verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd, is de vraag of hij door zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ter beoordeling van de vraag of sprake is van een poging tot zware mishandeling, moet worden vastgesteld of sprake was van de aanmerkelijke kans dat het gevolg – in dit geval het oplopen van zwaar lichamelijk letsel – zou intreden, en zo ja, of verdachte die kans heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat het driemaal steken met een mes in het rechterbovenbeen deze aanmerkelijke kans oplevert. Het bovenbeen is een kwetsbare plek omdat daar pezen en spieren lopen die hadden kunnen worden geraakt, hetgeen zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. Aangever heeft ook daadwerkelijk letsel opgelopen, namelijk een steekverwonding van 1 cm. Verdachte heeft ook bewust gestoken. Kortom, door meermalen in het bovenbeen te steken heeft hij bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. De rechtbank acht daarom de poging tot zware mishandeling bewezen.

Beslissing op het voorwaardelijk verzoek

Nu de rechtbank de verklaring van de anonieme getuige niet voor het bewijs heeft gebruikt, gaat de rechtbank voorbij aan het door de raadsvrouw gedane voorwaardelijke verzoek om de anonieme getuige te horen.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat verbalisant [verbalisant] in het proces-verbaal nauwkeurig en duidelijk heeft beschreven wat hij heeft gezien (en ook wat hij niet heeft gezien), namelijk dat verdachte aan drie personen – [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] – witte bolletjes gaf en dat hij hiervoor geld in ontvangst nam (en in het geval van [persoon 2] vermoedelijk geld). De rechtbank ziet geen aanwijzingen om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisant of de door hem gedane weergave van deze waarnemingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw dat het door verbalisant opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet betrouwbaar is.

Uit het laboratoriumrapport volgt dat in de bolletjes die [persoon 3] heeft gekocht cocaïne zat. Van het bolletje dat [persoon 2] heeft gekocht is geen laboratoriumrapport voorhanden, maar gelet op de overeenkomstige werkwijze als bij [persoon 3] en de bekennende verklaring van [persoon 2] dat hij een bolletje cocaïne heeft gekocht, acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook aan [persoon 2] cocaïne heeft verkocht. Bij [persoon 1] is daarentegen geen cocaïne in beslag genomen en evenmin heeft [persoon 1] een verklaring afgelegd dat hij cocaïne heeft gekocht. Gelet op het ontbreken van ondersteunend bewijs, wordt verdachte partieel vrijgesproken van de verkoop van bolletjes cocaïne aan [persoon 1] .

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1. Subsidiair

op 16 juni 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

- meermalen met een mes in het rechterbovenbeen van voornoemde [aangever] heeft gestoken;

2.

op 6 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht aan [persoon 2] een bolletje en aan [persoon 3] meerdere bolletjes (bevattende) cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 subsidiair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een ambulante behandelverplichting, het meewerken aan een schuldhulpsaneringstraject en het realiseren van dagbesteding. Verder heeft zij gevorderd dat verdachte voor deze feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel vanwege de gedateerdheid van het eerste feit en de positieve ontwikkeling die verdachte inmiddels heeft doorgemaakt. Verder heeft zij verzocht om in de strafmaat rekening te houden met het gegeven dat verdachte een 'first offender' is ten aanzien van Opiumwetfeiten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door in een openbaar park, op klaarlichte dag, met een mes driemaal in het bovenbeen van het slachtoffer te steken. Het slachtoffer heeft hierdoor veel bloed verloren en hij is vanwege het bloedverlies met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Op de zitting heeft het slachtoffer aangegeven dat hij aan het voorval littekens heeft overgehouden en dat de plek nog steeds gevoelig is. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Ook voor omstanders in het Oosterpark moet het enorm schrikken zijn geweest dat op klaarlichte dag een persoon in zijn been wordt gestoken waarna die persoon veel bloed verliest en met een ambulance moet worden afgevoerd. Dit zorgt voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij die omstanders.

Verder heeft verdachte vijf bolletjes cocaïne verkocht. Hij heeft hiermee bijgedragen aan de verspreiding van verdovende middelen (onder verslaafden). Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande gepleegde criminaliteit en overlast. Dat bij verdachte ook nog eens een groot geldbedrag bestaande uit verschillende coupures is aangetroffen, geeft ook nog een handelsindicatie.

Verder is ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 19 juli 2018. Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar nog niet eerder voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het rapport van de reclassering 25 juni 2018, opgemaakt door A. Neslo. Het rapport houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:

Betrokkene beschikt sinds 2016 niet over een adequate dagbesteding of over een vaste woon- of verblijfplaats. Verder heeft hij ook een schuldenlast. Sinds 2 á 3 weken beschikt hij wel over een daklozenuitkering, nadat deze voor langere tijd was gestopt. Via het uitzendbureau was hij gestart met een opleiding tot vrachtwagenchauffeur. Hij heeft zijn opleiding moeten staken nadat hij werd gedagvaard. Door betrokkene is benadrukt dat het zonder vaste woon- of verblijfplaats moeilijk voor hem is om een baan vast te houden. Tot op heden heeft betrokkene weinig positieve ervaringen met de reclasseringstoezicht, maar naarmate het gesprek vorderde werd duidelijk dat betrokkene, ondanks zijn negatieve ervaring tot nu toe, niet onwelwillend staat tegenover adequate hulp gericht op het stabiliseren van zijn leefomstandigheden. Hij heeft aangegeven open te staan voor reclasseringscontact. De Reclassering adviseert de rechtbank om betrokkene een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen. Een meldplicht bij het Leger des Heils, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een ambulante behandelverplichting en het meewerken aan een schuldhulpsaneringstraject en het realiseren van dagbesteding.

Bij het bepalen van de strafmaat is ook gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)1.

De eis van de officier van justitie vindt de rechtbank – gelet op de ernst van de feiten – een passende straf. De rechtbank ziet in verdachtes persoonlijke omstandigheden geen reden om daarvan af te wijken. Aan verdachte wordt dan ook een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren (met aftrek van het voorarrest) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met daaraan verbonden de door de Reclassering genoemde bijzondere voorwaarden met een proeftijd van 2 jaren.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Nummer Voorwerp Waarde

1. Geld € 150,00

5461347 3 x 50 euro

2 Geld € 460,00

5461358 23 x 20 euro

3 Geld € 190,00

5461362 19 x 10 euro

4 Geld € 40,00

5461364 8 x 5 euro

5 Geld € 4,50

5461366

Door verdachte is een factuur overgelegd waaruit zou blijken dat de hiervoor genoemde geldbedragen contant aan hem zijn uitbetaald voor werk dat hij heeft gedaan. Gelet op de verklaring van verdachte bij de politie – waarin hij aangeeft dat het inbeslaggenomen geldbedrag van zijn stiefvader is – wordt door de rechtbank geen bewijswaarde gehecht aan deze factuur, te meer nu deze ook niet valt te verifiëren.

Verbeurdverklaring

De hiervoor genoemde geldbedragen behoren aan verdachte toe. Hij kan deze geldbedragen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu deze geldbedragen door middel van of uit de baten van het onder 2 bewezen geachte zijn verkregen, worden deze geldbedragen verbeurdverklaard.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 33, 33a, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en het onder 1 subsidiair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert als juridische kwalificatie op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op de [adres 2] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houden de aanwijzingen van de Reclassering;

- gedurende de proeftijd van twee jaren zijn medewerking verleent bij het zoeken naar een geschikte woonvorm, ook als dit een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang betreft, zulks ter beoordeling van de reclassering en zich houdt aan het (dag)programma dat de woonvoorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- gedurende de proeftijd van twee jaren medewerking verleent bij de aanmelding bij de ambulante forensische verslavingszorg Inforsa, of soortgelijke instelling, om zich te laten behandelen voor het middelengebruik, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd van twee jaren meewerkt aan een schuldhulpsaneringstraject en het realiseren van dagbesteding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Verklaart verbeurd:

- Voorwerp 1, zijnde een geldbedrag van € 150,00 (3 x 50 euro), vallende onder goednummer 5461347;

- Voorwerp 2, zijnde een geldbedrag van € 460,00 (23 x 20 euro), vallende onder goednummer 5461358;

- Voorwerp 3, zijnde een geldbedrag van € 190,00 (19 x 10 euro), vallende onder goednummer 5461362;

- Voorwerp 4, zijnde een geldbedrag van € 40,00 (8 x 5 euro), vallende onder goednummer 5461364;

- Voorwerp 5, zijnde een geldbedrag van € 4,50, vallende onder goednummer 5461366.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark en N.A. Nowotny, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2018.

1 De oriëntatiepunten zijn in het leven geroepen om de rechter een handvat te bieden en bij te dragen aan gelijke straffen in gelijke gevallen. De rechter is er niet aan gebonden.