Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6223

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
C/13/649672 / HA RK 18/184
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. De gronden van het verzoek betreffen een aantal door de rechter ter zitting genomen procedurele beslissingen, de rechter heeft de stukken niet gelezen en kent de wet niet en het geven van een voorlopig oordeel.

Processuele beslissingen leveren in de regel geen grond voor wraking, ook niet indien de gewraakte beslissing onjuist en/of voor één van partijen onwelgevallig is. Er is geen sprake van onbegrijpelijke beslissingen. Niet gebleken is dat de rechter geen of onvoldoende kennis van de stukken had of dat zij de terzake geldende regelgeving en jurisprudentie niet kent. Het enkele feit dat de rechter na afloop van het partijdebat ten behoeve van tussen partijen te voeren overleg over een schikking haar voorlopig oordeel aan partijen geeft, maakt niet dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid, ook niet indien dit voorlopige oordeel onjuist of onwelgevallig voor één van partijen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing


RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

zaaknummer: C/13/649672 / HA RK 18/184

Beslissing van 20 juli 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: [gemachtigde]

strekkende tot de wraking van

mr. I.H.J. Konings,

rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

-

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het (handgeschreven) wrakingsverzoek van 14 juni 2018;

  • -

    de aanvulling op het wrakingsverzoek van 15 juni 2018, met bijlagen;

  • -

    de aanvulling op het wrakingsverzoek van 19 juni 2018, met bijlagen;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 25 juni 2018;

  • -

    de e-mail van verzoekster van 26 juni 2018 met een aanvulling op het wrakingsverzoek, met bijlagen;

  • -

    de schriftelijke reactie van verzoekster op de reactie van de rechter van 27 juni 2018;

  • -

    reactie hierop van de rechter van 27 juni 2018;

  • -

    de e-mail van verzoekster van 28 juni 2018 met bijlage.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking van de rechter op 13 juli 2018 zijn verschenen:

  • -

    de gemachtigde van verzoekster, [gemachtigde] ;

  • -

    de rechter.

2 De feiten

Uitgegaan wordt van het volgende:

2.1.

Verzoekster is in een ontslagprocedure verwikkeld met haar werkgever [ ] (hierna : de werkgever), bij deze rechtbank bekend onder nummer 6832718 / EA 18-1320.

2.2.

De werkgever heeft de dag voor de zitting nog nadere stukken ingediend.

2.3.

De rechter heeft de zaak behandeld op de mondelinge behandeling van 14 juni 2018. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota.

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak zoals hiervoor onder 2.1 vermeld.

3.2.

Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling van de wrakingskamer, kort gezegd het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

  1. de rechter is blijkbaar akkoord met het indienen van stukken een dag voor de zitting;

  2. de werkgever had een zeer lang betoog, langer dan 20 minuten, terwijl dat van verzoekster korter was, zodat de rechter met twee maten meet;

  3. de rechter heeft laten merken dat zij de stukken niet heeft gelezen en de wet niet kent;

  4. e rechter heeft de gemachtigde van verzoekster onderbroken en commentaar gegeven op iets wat zij naar voren bracht hetgeen een vooroordeel is;

  5. zonder onderzoek heeft de rechter al een oordeel wat ze gaat doen.

3.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

4.2.

Voorts wordt vooropgesteld dat een rechter een redelijke mate van vrijheid heeft in het maken van (procedurele) beslissingen. Dergelijke beslissingen leveren in de regel geen grond voor wraking, ook niet indien de gewraakte beslissing onjuist en/of voor één van partijen onwelgevallig is. Dit kan anders zijn indien de beslissing zo onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is dat daarvoor geen andere verklaring is te vinden dan dat die beslissing door vooringenomenheid is gegeven.

4.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer zien de hiervoor onder 3.2 a), b) en d) genoemde gronden op procedurele beslissingen. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn de door de rechter genomen procedurele beslissingen niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, laat staan dat die beslissingen zo onbegrijpelijk zijn of zo gebrekkig gemotiveerd dat ze slechts verklaard kunnen worden door vooringenomenheid.

4.4.

Zo heeft de rechter onbetwist gesteld dat zij bij aanvang van de zitting alle door partijen ingediende stukken heeft opgenoemd, waaronder de daags voor de zitting door de wederpartij ingediende stukken, en dat noch op dat moment, noch gedurende de zitting daartegen door verzoekster geen bezwaar is gemaakt. Pas aan het einde van de zitting heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Daarop heeft de rechter gezegd dat zij op dat bezwaar zou beslissen in de nog te nemen eindbeslissing. Deze beslissing is niet onbegrijpelijk.

4.5.

Dat de werkgever een langere spreektijd heeft gekregen is niet gebleken en kan ook niet uit het aantal bladzijden van de respectieve pleitnota’s worden opgemaakt. Hoewel het juist is dat de pleitnota van verzoekster zes pagina’s telt en die van de werkgever negeneneenhalf, staat daar tegenover dat de opmaak van beide stukken anders is: door verzoekster is een kleinere regelafstand en lettertype gebruikt. Zelfs indien de rechter één partij meer spreektijd vergunt dan de ander levert dat niet zonder meer een onbegrijpelijke beslissing op. Daarmee is immers nog geenszins gezegd dat die partij niet in voldoende mate de gelegenheid heeft gekregen haar standpunt te bepleiten. Hetzelfde geldt voor het onderbreken van iemands betoog om een vraag te stellen. Van het meten met twee maten is dan ook niet gebleken.

4.6

Niet gebleken is dat de rechter geen of onvoldoende kennis van de stukken had of dat zij de terzake geldende regelgeving en jurisprudentie niet kent. Uit het feit dat de rechter vragen stelde over bijvoorbeeld data die al in de stukken waren genoemd of niet de vragen heeft gesteld die verzoekster relevant acht, kan dit niet worden afgeleid. Dit geldt ook ten aanzien de door verzoekster gestelde en door de rechter betwiste mededeling dat een eventueel hoger beroep binnen twee weken moet worden ingesteld.

4.7

Het enkele feit dat de rechter na afloop van het partijdebat ten behoeve van tussen partijen te voeren overleg over een schikking haar voorlopig oordeel aan partijen geeft, maakt niet dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid, ook niet indien dit voorlopige oordeel onjuist of onwelgevallig voor één van partijen is. Niet is vast komen te staan de rechter op de mondelinge behandeling heeft gezegd dat verzoekster “toch wel wat te verwijten viel”, zoals verzoekster heeft gesteld. De rechter heeft dat gemotiveerd betwist en toegelicht dat daar ook geen aanleiding toe was, nu door de werkgever geen verwijtbaar handelen aan het ontslag ten grondslag was gelegd. Wel heeft de rechter in verband met het beproeven van een schikking in haar voorlopige oordeel gezegd dat er grond was voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar dat daarvoor geen ernstig verwijt aan de werkgever noch aan verzoekster kon worden gemaakt.

4.8

Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen

5 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. P.B. Martens, voorzitter, G.H. Marcus en H.M. Patijn in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J.E. van IJken en in openbaar uitgesproken op 20 juli 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.