Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6214

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
13/669004-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man is vrijgesproken van betrokkenheid bij een schietpartij in Amsterdam op 19 januari 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-669004-18

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/669004-18

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Braber en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. el Farougi naar voren hebben gebracht.

De zaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaak met parketnummer 13/669006-18 tegen medeverdachte [medeverdachte] .

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij betrokken is geweest bij een schietpartij op de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam. Hij zou een wapen voorhanden hebben gehad in een tasje en dat aan de medeverdachte [medeverdachte] hebben gegeven. Er is een schot gelost en er is niemand gewond geraakt.

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – poging tot doodslag/zware mishandeling in vereniging gepleegd tenlastegelegd en als dat niet kan worden bewezen medeplichtigheid hieraan. Daarnaast is het voorhanden hebben van een pistool ten laste gelegd.

De tekst van de tenlastelegging is aangehecht als bijlage 1.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] medeplichtig was aan de door [medeverdachte] gepleegde poging tot doodslag (feit 1 subsidiair) gelet op de waarnemingen van verbalisant [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ) en de camerabeelden van Intersafe. Door medeverdachte [medeverdachte] een wapen ter beschikking te stellen wanneer [medeverdachte] “Geef, geef!” roept heeft verdachte vol opzet gehad op het verschaffen van het wapen. Door het wapen te verschaffen heeft hij minimaal voorwaardelijk opzet gehad op de poging tot doodslag. Verdachte heeft het wapen waarmee is geschoten vervoerd en aan medeverdachte [medeverdachte] ter beschikking gesteld en/of verschaft. Ook het voorhanden hebben van het wapen kan bewezen worden verklaard (feit 2) aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar op schrift gestelde pleitnotitie vrijspraak bepleit van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken van het aan hem primair tenlastegelegde medeplegen. Enkel en alleen [verbalisant] verklaart over het aanwezig hebben en verschaffen van een wapen. Zijn (op dit punt niet op zekere waarnemingen gebaseerde) bevindingen vinden geen steun in het dossier. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad waardoor sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking of medeplichtigheid aan een poging doodslag dan wel zware mishandeling.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 19 januari 2018 heeft er op de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam op straat een schietpartij plaatsgevonden. De vraag ligt voor of verdachte die nacht een vuurwapen voorhanden heeft gehad en of hij medepleger was van een poging doodslag subsidiair dat hij medeplichtig is aan een poging tot doodslag doordat hij de schutter het wapen heeft overhandigd.

Voor het beantwoorden van deze vraag is van belang van welke feiten uit gegaan moet worden.

Allereerst is van belang wie heeft geschoten. Gelet op het NFI-schotrestenonderzoek en de waarnemingen van getuigen, waaronder die van [verbalisant] , gaat de rechtbank ervan uit dat medeverdachte [medeverdachte] de schutter was. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte de schutter is geweest. Uit het NFI schotrestenonderzoek zijn op de bemonsteringen van verdachte géén schotresten aanwezig. Ook zijn er geen mensen geweest die verdachte hebben zien schieten. Verdachte ontkent ook te hebben geschoten.

Vervolgens is van belang of vastgesteld kan worden dat verdachte een wapen bij zich had en zo ja, of hij dat wapen heeft overhandigd aan [medeverdachte] . In dat geval zou hij [medeverdachte] hebben geholpen om het schieten mogelijk te maken en is vervolgens van belang of daardoor sprake kan zijn van medeplegen of medeplichtigheid.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet voldoende vastgesteld kan worden dat verdachte het wapen bij zich had en aan [medeverdachte] heeft overhandigd.

Verdachte ontkent dat hij het wapen voorhanden heeft gehad en dat hij aan medeverdachte [medeverdachte] het wapen heeft overhandigd. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van [verbalisant] . [verbalisant] is op 19 januari 2018 met een speciale taak belast op de Burgermeester de Vlugtlaan aanwezig. [verbalisant] heeft uitgebreid omschreven wat hij wél en wat hij niét heeft waargenomen. [verbalisant] omschrijft dat hij ziet dat medeverdachte [medeverdachte] met een wapen in zijn handen staat en [verbalisant] ziet medeverdachte schieten. [verbalisant] heeft weliswaar vrij stellig verklaart over wat hij die avond heeft waargenomen, maar met betrekking tot het al dan niet door verdachte overhandigen van het vuurwapen aan medeverdachte [medeverdachte] , is [verbalisant] bepaald minder stellig. [verbalisant] relateert daarbij: “Hoewel ik niet zag wat er daadwerkelijk gebeurde tussen [medeverdachte] en NN2 ben ik in de veronderstelling dat [medeverdachte] een vuurwapen uit de tas van NN2 pakte of aangereikt kreeg.” Het betreft dan ook geen waarneming maar een veronderstelling van [verbalisant] .

De rechtbank stelt vast dat voor het door verdachte voorhanden hebben en verschaffen van het wapen, naast het proces-verbaal van [verbalisant] , geen ondersteunend bewijs aanwezig is. Nu [verbalisant] op dit punt in zijn bevindingen minder stellig is én deze veronderstelde waarneming van [verbalisant] onvoldoende steun vindt in ander redengevend bewijs, kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte het vuurwapen bij zich had en aan de schutter heeft verschaft. Het bewijs is hiertoe ontoereikend. Het feit dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] ter plaatse was en de camerabeelden van Intersafe de overige bevindingen van [verbalisant] ondersteunen – zoals door de officier van justitie aangevoerd – maakt dat niet anders.

Het voorgaande brengt mee dat verdachte zal worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

  1. Nike Jack Zwart (5530295)

  2. Stone Island Jas Zwart (5530298)

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2018.