Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6207

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/13/650904 /HA RK 18/214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek toegewezen. Schending hoor en wederhoor. Naar het oordeel van de wrakingskamer is hier het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor in het geding, nu tegen verzoeker rechtgesproken wordt op basis van een stuk dat hij niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling tot zich heeft kunnen nemen en zonder dat de rechter heeft gemotiveerd waarom de niet-kennisneming van het stuk voor rekening van verzoeker behoort te komen. Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis in het incident, waarmee de schending van het beginsel van hoor en wederhoor (in deze instantie) onomkeerbare gevolgen heeft gekregen. Dit vormt, mede door het ontbreken van een nadere mondelinge toelichting van de rechter over de gang van zaken, een onbegrijpelijke inbreuk op het beginsel van hoor en wederhoor, waarmee de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 5 juli 2018 gedane en onder rekestnummer

C/13/650904 /HA RK 18/214 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te Amsterdam,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.W. Inden, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    de e-mail van verzoeker van 5 juli 2018;

  • -

    de e-mail van verzoeker met bijlagen van 6 juli 2018;

  • -

    de e-mail van verzoeker met bijlagen van 10 juli 2018;

  • -

    de zes e-mails van verzoeker van 18 juli 2018 (al dan niet met bijlagen);

  • -

    de e-mail van verzoeker van 19 juli 2018.

  • -

    De schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 13 juli 2018.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 juli 2018, waar de rechtbank verzoeker heeft gehoord. De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie meegedeeld dat hij niet in staat was om de zitting bij te wonen.

Als toehoorder was aanwezig mr. B.A. Keizers namens de wederpartij van verzoeker in de hoofdprocedure, WW Metropool B.V., hierna: WW.

Verzoeker heeft pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

2 De feiten

2.1

Bij de rechter is de hoofdzaak van verzoeker tegen WW in behandeling. Verzoeker vordert schadevergoeding omdat hij van mening is dat hij op basis van een vaststellingsovereenkomst ten onrechte is ontruimd. In de procedure heeft verzoeker een incident opgeworpen. Nadat door WW een conclusie van antwoord in het incident was ingediend, met een eis in reconventie, heeft een mondelinge behandeling van het incident plaatsgevonden. De hoofdzaak is aangehouden. Tijdens die behandeling heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij die incidentele conclusie niet had ontvangen. Hij heeft verzocht om de incidentele conclusie daarom niet te accepteren. Dat verzoek heeft de rechter afgewezen en vervolgens is de zaak na de mondelinge behandeling naar de rol verwezen voor vonnis in het incident en conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Daarna heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan.

3 De gronden van het verzoek

3.1

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zijn wrakingsverzoek in de kern neerkomt op de volgende onderdelen:

A. de rechter wijkt af van de oordelen van eerdere rechter(s) in dezelfde zaak;

B. de rechter heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden;

D. ongelijke behandeling door de rechter ten opzichte van de tegenpartij;

E. de rechter heeft een aantal procesbeslissingen genomen waarbij verzoeken van verzoeker zijn genegeerd zonder nadere motivering;

F. uit opmerkingen en gedragingen van de rechter leidde verzoeker af dat de rechter partijdig is.

3.2

Ad punt B: schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Volgens verzoeker heeft de rechter door de afwijzing van zijn verzoek de incidentele conclusie van antwoord te weigeren jegens hem de schijn van partijdigheid gewekt. Deze conclusie bestaat uit 40 pagina’s. Dat de rechter heeft gesteld dat de conclusie met verzoeker is doorgenomen, is niet juist omdat daartoe onvoldoende gelegenheid was. Volgens verzoeker heeft hij 24 uur voorafgaand aan de zitting per e-mail gemeld bij de rechter dat hij de incidentele conclusie van antwoord nog niet had ontvangen terwijl verzoeker gewoon staat ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie en hij op dat adres wel andere stukken heeft ontvangen. Pas na de zitting heeft verzoeker de incidentele conclusie kunnen bestuderen. Hij heeft daarin nieuwe feiten en omstandigheden aangetroffen waarop hij niet heeft kunnen reageren. Verzoeker heeft hierna alsnog een schriftelijke reactie geschreven op de conclusie die al 37 pagina’s beslaat. Doordat de rechter de zaak heeft verwezen naar de rol voor vonnis is verzoeker niet in de gelegenheid gesteld om zijn reactie op de incidentele conclusie van WW in te brengen. Verzoeker acht deze gang van zaken in strijd met artikel 6 EVRM.

4 De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft met betrekking tot de klacht van klager over het schenden van het beginsel van hoor en wederhoor aangevoerd dat de wederpartij van verzoeker op de zitting heeft toegelicht op welke verschillende wijzen het stuk aan verzoeker was toegestuurd. Na debat hierover heeft de rechter geconcludeerd dat verzoeker de gelegenheid heeft gehad om het stuk te ontvangen. Verzoeker heeft vervolgens ter zitting een kopie ontvangen van de wederpartij. Omdat verzoeker te kennen gaf het stuk niet gelezen te hebben is de rechter puntsgewijs de tegenvordering van de wederpartij met verzoeker doorgelopen. Het verweer tegen de vordering van verzoeker is door de wederpartij zelf ter zitting nog een keer toegelicht en ook daarop heeft verzoeker kunnen reageren. De rechter is van oordeel dat hiermee aan het beginstel van hoor en wederhoor is voldaan op een wijze die past bij de omstandigheden: verzoeker heeft om redenen die voor zijn rekening komen het stuk niet gelezen; vervolgens is het stuk ter zitting doorgenomen. Dat laatste is uiteraard niet integraal gebeurd. Verzoeker heeft dat ook niet verzocht.

5 De beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel tegelijk en zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

5.3

Het is niet aan de wrakingskamer een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan niet dienen als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan, indien het wrakingsverzoek zich richt tegen (de motivering van) een gegeven beslissing, slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

5.4

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij de (volgens hem 40 pagina’s tellende) incidentele conclusie van antwoord (die bovendien een tegenvordering inhield) voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet heeft ontvangen. De rechter heeft deze conclusie ondanks bezwaar van verzoeker wel geaccepteerd en heeft hem niet in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren, aangezien “ [verzoeker] de gelegenheid heeft gehad het stuk te ontvangen” en [verzoeker] het stuk niet heeft gelezen “om redenen die voor zijn rekening komen”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is deze motivering dermate onbegrijpelijk dat daarmee de bij verzoeker gewekte vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. De rechter heeft volgens zijn reactie de tegenvordering ter zitting puntsgewijs doorgenomen en WW haar verweer tegen de (incidentele) vordering nog zelf laten toelichten. De incidentele conclusie is niet integraal doorgenomen ter zitting, terwijl er ook geen leespauze is ingelast. Naar het oordeel van de wrakingskamer is hier het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor in het geding, nu tegen verzoeker rechtgesproken wordt op basis van een stuk dat hij niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling tot zich heeft kunnen nemen en zonder dat de rechter heeft gemotiveerd waarom de niet-kennisneming van het stuk voor rekening van verzoeker behoort te komen. Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis in het incident, waarmee de schending van het beginsel van hoor en wederhoor (in deze instantie) onomkeerbare gevolgen heeft gekregen.

Dit vormt, mede door het ontbreken van een nadere mondelinge toelichting van de rechter over de gang van zaken, een onbegrijpelijke inbreuk op het beginsel van hoor en wederhoor, waarmee de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

5.5

Nu het verzoek op deze grond wordt toegewezen, behoeven de andere wrakingsgronden geen bespreking meer. Verzoeker heeft daarbij geen belang.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, en mrs. C.W. Bianchi en R.A. Dudok van Heel, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39, vijfde lid Rv geen voorziening open.