Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6172

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
13/751412-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Gelijkstellingsverweer artikel 6 OLW en verweer van dreigende schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon verworpen. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751412-16

RK nummer: 16/6924

Datum uitspraak: 17 juli 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 oktober 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2016 door the Regional Court in Slupsk, II Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 december 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft op 6 december 2016 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen uit te zoeken hoe lang de opgeëiste persoon precies in voorlopige hechtenis heeft gezeten voor de in het EAB genoemde vonnissen.

Op 31 augustus 2017 is het onderzoek voortgezet. Gehoord zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsman mr. R. Malewicz, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Bij tussenuitspraak van 14 september 2017 is het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om – kort gezegd – nadere informatie te verkrijgen omtrent de resterende gevangenisstraf.


Op 3 juli 2018 is het onderzoek voortgezet. Gehoord zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw mr. M.M.R. Slaghekke (waarnemend voor mr. R. Malewicz) en de officier van justitie, mr. M. Diependaal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een samengesteld vonnis van 8 oktober 2010 van de rechtbank in Slupsk in de zaak met nummer II K 80/10.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 3 jaar en 1 maand en 26 dagen.

De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. In dit samengestelde vonnis zijn volgens het EAB drie onderliggende vonnissen betrokken, te weten:

a. een vonnis van de rechtbank te Slupsk van 24 november 2003 in de zaak II K 1595/00;

b. een vonnis van de rechtbank te Slupsk van 25 november 2005 in de zaak II K 103/02;

c. een vonnis van de rechtbank te Slupsk van 19 mei 2009 in de zaak II K 25/06.

3.1

Genoegzaamheid t.a.v. de resterende straf

Bij tussenuitspraak van 14 september 2017 is de behandeling voor onbepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verkrijgen van de uitvaardigende justitiële autoriteit over de resterende straf, mede naar aanleiding van het verweer van de raadsman omtrent een verzamelvonnis met nummer II K 80/06 en een door de raadsman overgelegd overzicht van detentieperioden.

Bij aanvullend schrijven van 24 oktober 2017 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat het verzamelvonnis van 8 oktober 2010 van de rechtbank in Slupsk in de zaak met nummer II K 80/10 in de plaats is getreden voor het verzamelvonnis van 29 november 2006, met kenmerk II K 80/06:

the cumulative judgment in the case II K 80/06 became invalid and is not to be executed any longer.

Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in de brief van 24 oktober 2017 nader toegelicht wat de hoogte van de resterende, nog uit te zitten gevangenisstraf is: 1 jaar, 4 maanden en 23 dagen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het zeer waarschijnlijk is dat de nieuw meegedeelde reststraf nog altijd niet klopt en te hoog is. Dit moet leiden tot een weigering van de overlevering wegens ongenoegzaamheid van het EAB; subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de behandeling van de zaak nogmaals aan te houden voor nadere informatie hieromtrent.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 oktober 2017 voldoende duidelijkheid is verschaft. De rechtbank overweegt dat met deze brief het grote verschil tussen het in het EAB genoemde strafrestant en het door de verdediging gestelde strafrestant, is weggenomen. Op dit moment zou volgens de verdediging nog sprake zijn van een verschil van enkele maanden. De raadsvrouw heeft hierbij onder andere verwezen naar een overgelegde, niet vertaalde, Poolse brief. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden van ongenoegzaamheid van het EAB geen sprake is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het aan de opgeëiste persoon is om in Polen aan te tonen dat de hoogte van de nog uit te zitten vrijheidsstraf in zijn visie onjuist is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het nogmaals opvragen van nadere informatie. Het verweer wordt verworpen.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW


De rechtbank verwijst naar haar overwegingen en beslissing in de tussenuitspraak van 14 september 2017 ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Die overwegingen en beslissing, inhoudende dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet geldt, dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 3 en 23, te weten:

mensenhandel

en

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen

6 Artikel 6 OLW

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. Aan de hand van een grote hoeveelheid overgelegde stukken is gesteld dat de opgeëiste persoon in iedere geval vanaf 2011 rechtmatig in Nederland heeft verbleven zodat in 2016 een duurzaam verblijfsrecht is verworven. Dit verblijfsrecht heeft de opgeëiste persoon hierna niet verloren, aldus de raadsvrouw. De opgeëiste persoon heeft bijna altijd reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Na een bedrijfsongeval in 2013 – en nadat de opgeëiste persoon toen geen uitkering meer kreeg vanuit de Ziektewet – beschikte de opgeëiste persoon over voldoende middelen van bestaan en over een ziektekostenverzekering.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld aan een Nederlander nu (in ieder geval) ten aanzien van de jaren 2013 tot en met 2016 niet is gebleken van voldoende inkomsten uit arbeid of van voldoende middelen van bestaan.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel

6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. de vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

  3. de verwachting ten aanzien van de opgeëiste persoon dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Ad 1) Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:

  • -

    een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger;

  • -

    een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

Op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan er, ten aanzien van het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, een onderscheid worden gemaakt tussen drie hoofdgroepen Unieburgers. Voor deze drie groepen gelden er verschillende vereisten. Economisch niet-actieven (lid 1, onder b) en studenten (lid 1, onder c) dienen over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en daarnaast over een ziektekostenverzekering. Werknemers en zelfstandigen (lid 1, onder a) hoeven echter niet aan te tonen dat zij over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken, maar er moet wel sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid.

In het Unierecht is een werknemer iemand die reële en daadwerkelijke arbeid verricht die niet louter marginaal en bijkomstig van aard is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de jaren 2011 en 2012 genoegzaam is aangetoond dat de opgeëiste persoon reële en daadwerkelijke arbeid in Nederland heeft verricht.

Met de officier van justitie is de rechtbank echter ook van oordeel dat dit niet geldt voor de jaren 2013, 2014 en 2015. Uit de overgelegde producties leidt de rechtbank af dat in 2013 – het jaar waarin op 9 december een bedrijfsongeval plaatsvond – 2014 en 2015, minder dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm is verdiend. Het verweer dat vanaf 10 februari 2014 tot ongeveer september 2015 de inkomsten van de partner van de opgeëiste persoon moeten worden meegewogen bij de toetsing van het gelijkstellingsverweer, faalt bij gebrek aan onderbouwing. Voor zover het verweer inhoudt dat de opgeëiste persoon in die periode voldeed aan de criteria van artikel 8.12, eerste lid en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, moet aangetoond worden dat de opgeëiste persoon voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde gegevens niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon in deze periode over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt.

De rechtbank verwerpt het verweer.

7 Dreigende schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon

7.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven en onder verwijzing naar overgelegde producties, aangevoerd dat de toestand van de Poolse rechtstaat op dit moment dermate slecht is dat de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd dient te worden. Er is sprake van een gegrond vermoeden dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een schending van de mensenrechten van de opgeëiste persoon. De recente ongrondwettelijke hervormingen binnen de rechterlijke organisatie in Polen leiden ertoe dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ernstig in het geding is. Dit is niet te verenigen met het toestaan van de verzochte overlevering.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat zij vanaf april 2018 de behandeling van Poolse vervolgings-EAB’s aanhoudt om de beantwoording af te wachten van door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (zaak C-216/18 PPU). De beantwoording van deze vragen is mogelijk relevant voor de afdoening van die vervolgings-EAB’s. In dit geval is echter sprake van een EAB dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, opgelegd bij een (samengesteld) vonnis uit 2010. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 maart 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:1757) overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis uit 2010 en de recente, zorgelijke ontwikkeling in Polen. Hierdoor kan niet worden geoordeeld dat bij overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen sprake is van een reëel gevaar van een schending van de aan hem toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest. De rechtbank verwerpt daarom het verweer en ziet geen aanleiding de procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van door het Ierse High Court te stellen prejudiciële vragen.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Slupsk, II Criminal Department (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 juli 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.