Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:611

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
13/993056-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte faillissementsfraude heeft gepleegd. Hij heeft de curator in zijn faillissement en dat in dat van zijn holding niet althans onvoldoende van informatie te voorzien. Ook heeft hij in de periode van maart 2011 tot 21 januari 2014 geen administratie bijgehouden voor zijn bedrijf, waardoor de schuldeisers mogelijk zijn benadeeld.

De in de tenlastelegging voorkomende bewoordingen “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers” brengen tot uitdrukking dat verdachte opzet moet hebben gehad op dat verkorten van de rechten van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende, zodat ten minste vereist is dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. De rechtbank oordeelt dat verdachte rekening had te houden met de mogelijkheid dat de het faillissement van de holding kon worden uitgesproken. Er was immers op het moment van de persoonlijke faillissementsaanvraag van verdachte ook een faillissementsaanvraag van zijn holding ingediend. Verdachte had op dat moment rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat het faillissement van de holding aanstaande was. Dat de faillissementsaanvraag later is ingetrokken, maakt dit niet anders. Door toen niet te proberen de nadelige gevolgen van een gebrekkige administratie ongedaan te maken, heeft hij niet alleen de aanmerkelijke kans doen ontstaan op verkorting van de rechten van de schuldeisers, maar heeft hij deze kans ook aanvaard.

Verdachte heeft grote sommen geld geleend van investeerders. Van hem mocht worden verwacht dat hij aan de curator inlichtingen geeft over hoe hij deze gelden heeft besteed. De enkele mededeling dat de gelden zijn geïnvesteerd is hiertoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/699
INS-Updates.nl 2018-0067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993056-16 (Promis)

Datum uitspraak: 7 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1969,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2018. Verdachte is niet verschenen, maar wordt vertegenwoordigd door zijn advocaat die hiertoe gemachtigd is en namens verdachte het woord voert.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Geertsema en van wat de raadsman mr. D.V.A. Brouwer naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdachte wordt er - kort gezegd - van beschuldigd dat hij faillissementsfraude heeft gepleegd. Zowel verdachte als het bedrijf waar hij bestuurder van was, [bedrijf] , zijn failliet verklaard. Verdachte zou hebben geweigerd de vragen van de curator (volledig) te beantwoorden en hem de gevraagde documenten en administratie te geven.

Ook wordt verdachte verweten vanaf 1 januari 2010 tot 21 juni 2016 geen administratie te hebben bijgehouden voor zijn bedrijf, waardoor de schuldeisers mogelijk zijn benadeeld.

Op de zitting van 24 januari 2018 is de tenlastelegging gewijzigd en is de pleegperiode van het onder 2 tenlastegelegde feit aangepast.

De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is achter het vonnis in een bijlage opgenomen.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude. Dit heeft hij gedaan door aan de curator geen, althans onvoldoende informatie te verstrekken, zowel in zijn eigen faillissement als in het faillissement van [bedrijf]

Ook vindt de officier van justitie dat sprake is van bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers doordat verdachte geen goede en volledige administratie heeft bijgehouden van [bedrijf]

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat verdachte van alle tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1, 2

Verdachte [verdachte] is uitvinder van beroep. Hij was directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf] ,3 een vennootschap waarin diverse dochtermaatschappijen waren ondergebracht, waaronder [dochtermaatschappij 1] (hierna [dochtermaatschappij 1] ) en [dochtermaatschappij 2] (hierna [dochtermaatschappij 2] ). Een aantal investeerders was geïnteresseerd in de uitvindingen van verdachte, onder wie [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Zij hebben zowel in verdachte in privé als in zijn vennootschappen grote sommen geld geïnvesteerd door het aangaan van diverse leningsovereenkomsten,4 waarbij verdachte en/of zijn vennootschappen steeds contractpartij waren. Ook heeft verdachte zelf een bedrag van 1,6 miljoen euro van [bedrijf] geleend.5 In 2011 heeft [naam 1] het belang van [bedrijf] in de werkmaatschappijen [dochtermaatschappij 1] en [dochtermaatschappij 2] gekocht en de koopsom verrekend met een openstaande schuld die verdachte aan [naam 1] had.6

Op 10 januari 2013 heeft [naam 2] verdachte verzocht hem de geleende bedragen van € 300.000,- en € 200.000,- terug te betalen, inclusief de rente. Toen terugbetaling achterwege bleef, heeft [naam 2] op 20 februari 2013 het persoonlijke faillissement van verdachte aangevraagd.7 In het tweede faillissementsverslag van 7 juni 2013 staat dat [naam 2] ook het faillissement van de vennootschap [bedrijf] heeft aangevraagd. Deze faillissementsaanvraag is op 7 mei 2013 ingetrokken zonder regeling of betaling.8 Verdachte is op 19 maart 2013 failliet verklaard.9 Van [bedrijf] is op 21 januari 2014 het faillissement uitgesproken, zo blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 18 december 2015.10

De curator heeft verdachte gevraagd wat er met de door [naam 2] en Zweed aan [verdachte] en [bedrijf] verstrekte gelden en geldleningen is gebeurd. Daarop heeft verdachte geantwoord dat hij deze gelden zou hebben gebruikt voor het ontwikkelen van een aantal nieuwe producten. De curator heeft vervolgens om bewijsstukken daarvan gevraagd. [verdachte] heeft hierover geen nadere informatie of documenten aan de curator verstrekt.11

Verdachte is verder gevraagd om inlichtingen te verschaffen over de lening in privé van 1,6 miljoen euro. Hierover heeft verdachte in een verhoor bij de rechter-commissaris het volgende geantwoord: “Ik denk dat ik dit geld geleend heb voor het huis in Zwitserland. Volgens mij heb ik wel op deze lening afgelost, maar ik weet het niet zeker.”12

Nadien heeft de curator verdachte nog meermalen om – al dan niet dezelfde – informatie verzocht. Op deze verzoeken is namens verdachte door zijn advocaat in het faillissement, mr. M.W. Steenpoorte, gereageerd. Op 13 oktober 2014 heeft de curator een melding faillissementsfraude ingediend,13 gevolgd door een aangifte op 26 november 2014.14

De administratie en het opmaken van de jaarrekeningen werd tot en met 2010 verzorgd door [naam 4] en [naam 5] . De administratie van [bedrijf] was op orde tot het moment dat de boekhouding door of namens [naam 1] bij [bedrijf] is weggehaald. De administratie over het jaar 2010 is door [naam 4] naar [naam 5] gebracht en betrof de administratie van [dochtermaatschappij 1] , [dochtermaatschappij 3] , [dochtermaatschappij 2] en [bedrijf] .15 [naam 5] heeft verklaard dat zij de administratieve bescheiden van 2010 heeft gekregen en deze een aantal maal heeft aangeboden aan zowel verdachte als de curator. Van de jaren daarna heeft zij geen administratie bijgehouden of jaarrekeningen opgemaakt.16 Na het weghalen van de administratie in maart 2011 was de boekhouding een rommeltje, aldus verdachte.17

Bedrieglijke bankbreuk (feit 2)

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is van handelen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon. Hiervoor is namelijk nodig dat verdachte op het moment dat hij zijn administratie verwaarloosde opzet had op het verkorten van die rechten, dan wel bewust de kans heeft aanvaard dat deze rechten werden verkort. Ook moet verdachte zich op dat moment hebben gerealiseerd dat bij een faillissement de rechten van de schuldeisers zouden kunnen worden verkort. Er is, zo stelt de raadsman, geen bewijs dat bij verdachte dit opzet aanwezig was. Hij heeft nooit rekening gehouden met een mogelijk faillissement.

De rechtbank overweegt als volgt.

De beschuldiging van feit 2 primair is gebaseerd op artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit gold ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen. Dit artikel houdt voor zover van belang in:

De bestuurder of commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon:

4°. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie (…), en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

Uit het dossier volgt dat nadat begin 2011 de administratie door [naam 1] is weggehaald, er ten behoeve van [bedrijf] geen boekhouding meer is bijgehouden en dat er van de jaren 2011 en 2012 geen administratie voorhanden was, terwijl verdachte hiertoe wel verplicht was. Dat er in de holding na de verkoop van [dochtermaatschappij 1] en [dochtermaatschappij 2] weinig bedrijvigheid was, doet aan deze verplichting niet aan af.

De in de tenlastelegging voorkomende bewoordingen “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers” brengen tot uitdrukking dat verdachte opzet moet hebben gehad op dat verkorten van de rechten van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende, zodat ten minste vereist is dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.

De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of verdachte rekening had te houden met een dreigend faillissement van de holding. Bij de aanvraag van het persoonlijk faillissement van verdachte is ook een aanvraag gedaan voor het faillissement van [bedrijf] Deze aanvraag is op 7 mei 2013 ingetrokken. Gelet op deze eerdere faillissementsaanvraag van de holding, het eigen faillissement op 19 maart 2013 en de omstandigheid dat de holding een vordering van 1,6 miljoen euro op hem had, had verdachte in ieder geval vanaf dat moment rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat het faillissement van de holding aanstaande was. Toch heeft verdachte ook toen geen administratie bijgehouden of geprobeerd de administratie over de laatste jaren alsnog bij te werken.

Heeft verdachte hiermee de aanmerkelijke kans doen ontstaan op verkorting van de rechten van de schuldeisers? Deze vraag wordt met “ja” beantwoord. Verdachte heeft op geen enkele wijze geprobeerd de nadelige gevolgen van het ontbreken van een behoorlijke boekhouding ongedaan te maken. Door dit nalaten heeft de curator niet kunnen vaststellen op welke wijze het geld van de holding is besteed en of er nog baten in de holding aanwezig waren, bijvoorbeeld in de vorm van openstaande vorderingen. Door niet aan zijn administratieverplichting te voldoen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit zou leiden tot benadeling van de rechten van de schuldeisers.

Het verweer van de raadsman, dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad, wordt hiermee verworpen.

Verplichting inlichtingen te verstrekken aan de curator (feit 1)

De raadsman van verdachte heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte over informatie, documenten of inlichtingen beschikte die hij had kunnen en had moeten delen met de curator. Er is geen bewijs dat verdachte een vraag wel kon beantwoorden maar dat niet heeft gedaan. Ook is er geen bewijs dat verdachte zich bewust was van de mogelijkheid dat er nog vragen open stonden die hij wel kon beantwoorden.

Er is, aldus de raadsman, geen bewijs van opzet op het niet verstrekken van informatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Iemand die failliet is verklaard, is verplicht inlichtingen te geven aan de curator, belast met de afhandeling van het faillissement. Vast staat dat de curator om inlichtingen heeft verzocht over onder meer de besteding van de grote sommen geld die verdachte en de holding hebben geleend van investeerders.

Verdachte heeft miljoenen geleend. Van hem mocht worden verwacht dat hij aan de curator desgevraagd inlichtingen verstrekte over wat er met dit geld is gebeurd. Het had verdachte duidelijk moeten zijn dat deze inlichtingen relevant waren voor de curator. Hij heeft echter volstaan met de mededeling dat deze gelden zijn gebruikt voor investeringen, zonder deze op enige wijze inzichtelijk te maken. Daarmee heeft hij de vragen van de curator ten aanzien van de leningen onvolledig beantwoord. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet méér gegevens en inlichtingen kon geven dan hij heeft gedaan, maar de rechtbank acht dit uitgesloten. Over de besteding van een dergelijke hoeveelheid geld moet meer te vertellen zijn dan dat het is opgegaan aan investeringen.

Uit de correspondentie tussen de curator en de door verdachte aangezochte civiele advocaat trekt de rechtbank de conclusie dat de curator op een zeker moment niet meer heeft aangedrongen op beantwoording van de vragen. Dit betekent echter niet dat verdachte heeft mogen aannemen dat hij hiermee aan zijn verplichting tot informatieverstrekking heeft voldaan. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte heeft geweigerd de curator de vereiste inlichtingen te geven.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 19 maart 2013 tot en met 3 november 2015 te Alkmaar, als degene die op 19 maart 2013 door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar in staat van faillissement is verklaard en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen heeft geweigerd aan de curator de vereiste inlichtingen te geven, immers heeft de verdachte de vragen van de curator in zijn persoonlijk faillissement onvolledig beantwoord

en

in de periode van 21 januari 2014 tot en met 21 juni 2016 te Alkmaar als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf] , welke rechtspersoon op 21 januari 2014 in staat van faillissement is verklaard en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen heeft geweigerd aan de curator de vereiste inlichtingen te geven, immers heeft de verdachte de vragen van de curator in het faillissement van [bedrijf] onvolledig beantwoord.

2.

in de periode van maart 2011 tot en met 21 januari 2014 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf] , welke rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank Noord-Holland, vestiging Alkmaar, van 21 januari 2014 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers was de administratie van [bedrijf] niet zodanig gevoerd dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon [bedrijf] konden worden gekend en werd niet de gehele administratie bewaard.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat hij vrijspraak van de tenlastegelegde feiten heeft bepleit.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder van de failliete vennootschap [bedrijf] nagelaten om een volledige en juiste administratie te voeren. Daarnaast heeft hij zich in dezelfde hoedanigheid én als failliet (dit is de persoon die failliet is verklaard) schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen om de curator van inlichtingen te voorzien.

Verdachte heeft voor zichzelf en ten behoeve van de vennootschap grote sommen geld geleend. De rechtbank gaat er vanuit dat in de diverse vennootschappen van verdachte grote sommen geld zijn omgegaan, tot in de miljoenen euro’s. Het is mogelijk dat verdachte de geleende geldbedragen op rechtmatige wijze heeft besteed, maar door zijn nalatigheid in het bijhouden van een administratie en het verstrekken van inlichtingen over de bestedingen is dit niet vast te stellen. Ook is hierdoor niet vast te stellen voor welke bedragen de schuldeisers zijn benadeeld door het handelen van verdachte. Uit het overzicht van ingediende schuldvorderingen (zowel preferent als concurrent) blijkt dat verdachte in persoon een boedelschuld heeft die is vastgesteld op ruim 4,5 miljoen euro. De omstandigheid dat een schuldeisersakkoord tot stand is gekomen - waarmee de schuldeisers in het faillissement een deel van hun vordering betaald hebben gekregen - ziet de rechtbank noch als strafverzwarend noch als strafmatigend, omdat door het handelen van verdachte onduidelijk is gebleven wat de werkelijke stand van de boedel is geweest.

Door verdachtes nalatigheid heeft hij het vertrouwen geschonden dat nodig is voor een goed functionerend handelsverkeer. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven van een lichtzinnige houding ten opzichte van de financiële belangen van zijn schuldeisers en de schuldeisers van de vennootschap waarvan hij bestuurder was. Hij heeft het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op juiste wijze af te wikkelen.

Nu de rechtbank niet alleen het niet geven van de juiste inlichtingen bewezen acht, maar ook het niet voeren van een administratie, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank heeft daarbij kennis genomen van het strafblad van verdachte van 18 december 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op het tijdsverloop vindt de rechtbank echter dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet meer passend is. De rechtbank zal daarom een maximale werkstraf van 240 uur opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen. Laatstgenoemde straf is uitdrukkelijk bedoeld om verdachte - die inmiddels weer zakelijk actief is - er van te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke feiten te plegen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 194 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend toen de bewezenverklaarde feiten werden begaan.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert als juridische kwalificatie op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit:

In staat van faillissement verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven

en

als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit:

Het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, in dat artikel bedoeld.

Verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte ook tot een taakstraf. Verdachte moet 240 uur onbetaalde arbeid verrichten. Voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, krijgt hij in plaats van de taakstraf 120 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De documenten waarnaar in het vonnis wordt verwezen, maken allemaal deel uit van het proces-verbaal in het onderzoek tegen verdachte [verdachte] , dossiernummer 55957, opgemaakt door [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD.

3 Doc. 023, doorgenummerde pagina’s 164-165.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] , doorgenummerde pagina 82; proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , doorgenummerde pagina’s 67-72, doc. 11 (pag. 132-133), doc. 12 (pag. 134-135), doc. 21 (pag. 155-157) en doc. 24 (pag. 174-175) en proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] , doorgenummerde pagina’s 75-79) en doc. 14 (pag. 136).

5 Doc. 20, doorgenummerde pagina’s 148-149.

6 Doc 22, doorgenummerde pagina’s 158-163.

7 Doc. 29, doorgenummerde pagina’s 191-192.

8 Doc 34, doorgenummerde pagina 211.

9 Doc 10, doorgenummerde pagina 124.

10 Doc. 23, doorgenummerde pagina 164.

11 Doc. 1, doorgenummerde pagina 101.

12 Doc. 9, doorgenummerde pagina 121.

13 Doc. 1A, doorgenummerde pagina’s 94-99

14 Doc 1, doorgenummerde pagina’s 100-102

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 88-91 proces-verbaal verhoor verdachte, doorgenummerde pagina 52.

16 proces-verbaal van verhoor [naam 5] , doorgenummerde pagina’s 85-87.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte, doorgenummerde pagina 45.