Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
13/751491-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen. verweer artikel 21a OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751491-17

RK nummer: 18/4436

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juli 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 mei 2016 door de Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

op dit moment gedetineerd in de [detentieadres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. C.N.M. Dekker, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.1

Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de District Court of Jastrzebie-Zdrój van 13 oktober 2009 (kenmerk II K 455/08) waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar met een proeftijd van vijf jaar. Bij beslissing van 25 juli 2012 is de voorwaardelijke gevangenisstraf omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 2 jaar.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet ondubbelzinnig blijkt of ten aanzien van de initiële strafzaak is voldaan aan het vereiste van artikel 12, aanhef, onder a, b en c, OLW. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting in 2009. De opgeëiste persoon weet zelf niet meer of hij aanwezig was bij de zitting. Uit geen stuk blijkt of de opgeëiste persoon is bijgestaan door een advocaat. De raadsman heeft betoogd dat nadere informatie moet worden verstrekt door de Poolse autoriteiten, bij gebreke waarvan de overlevering moet worden geweigerd.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de zitting die heeft geleid tot de beslissing van 25 juli 2012.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit onderdeel D van het EAB blijkt het volgende: “Yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision case file reference II K 455/08.” De raadsman heeft niet onderbouwd om welke reden hieraan zou moeten worden getwijfeld. Dit betekent dat het voor de rechtbank, gelet op het vertrouwensbeginsel, ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon aanwezig was ter terechtzitting.

Met betrekking tot de beslissing van 25 juli 2012 wijst de rechtbank op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic (ECLI:EU:C:2017:1026). Daaruit blijkt dat een tenuitvoerlegging niet valt onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, voor zover een dergelijke beslissing geen wijziging brengt in de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf. Uit de stukken is niet gebleken dat de tenuitvoerlegging een wijziging in de aard of de maat van de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf heeft gebracht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 4 waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:

Fraude.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 1, 2, 3 en 5 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

diefstal

5 Strijd met artikel 10 van de Richtlijn 2013/48/EU en artikel 21a OLW

Standpunt raadsman

De raadsman heeft erop gewezen dat de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 10 van de Richtlijn 2013/48/EU (hierna: de Richtlijn) zijn geschonden. De uitvoerende lidstaat is in gebreke gebleven bij de toepassing van artikel 21a OLW. Het verzoek om een Poolse advocaat is door de raadsman gedaan op 6 juli 2018. Pas op 31 juli 2018 is een e-mail gestuurd aan de Poolse autoriteiten. Het is de rol van de Poolse advocaat in de uitvaardigende lidstaat, de Nederlandse advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte persoon zijn rechten uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit) daadwerkelijk te doen uitoefenen. De raadsman heeft bepleit dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden tot het moment dat een Poolse advocaat is aangewezen als bedoeld in artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens (EVRM), de genoemde Richtlijn en uit hoofde van het Kaderbesluit en de Nederlandse raadsman en de Poolse raadsman informatie hebben kunnen uitwisselen omtrent het EAB. Nu dat nog niet het geval is mag het EAB niet (verder) in behandeling mag worden en/of dient te worden afgewezen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft hiertegen ingebracht dat door het Openbaar Ministerie gevolg is gegeven aan het in artikel 21a OLW bedoelde verzoek. De bijstand in de uitvaardigende lidstaat is met name gericht op de situatie ná de feitelijke overlevering. Aan het niet of te laat voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 21a OLW zijn geen consequenties verbonden. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 8 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5781. Daarnaast gaan de door de raadsman aangevoerde punten over de uitleg van het Kaderbesluit en niet over specifiek Poolse aangelegenheden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 10 van genoemde Richtlijn luidt, voor zover relevant, als volgt:

Recht op toegang tot een advocaat in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een gezochte persoon, vanaf zijn aanhouding op grond van een Europees aanhoudingsbevel recht heeft op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat.

(…)

4. De bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat brengt de gezochte personen er zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming van op de hoogte dat zij het recht hebben in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen. De rol van de advocaat in de uitvaardigende lidstaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte personen hun rechten uit hoofde van kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen.

5. Indien de gezochte personen het recht om een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen, wensen uit te oefenen en zij nog geen dergelijke advocaat hebben, brengt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat hiervan terstond op de hoogte. De bevoegde autoriteit van die lidstaat verstrekt de gezochte personen zonder onnodig uitstel de informatie om hem te helpen in die lidstaat een advocaat te vinden.

6. Het recht van gezochte personen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen, laat de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ bepaalde termijnen of de verplichting voor de uitvoerende rechterlijke instantie om binnen de overeenkomstig dat kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden een beslissing te nemen over de overlevering van de betrokkene onverlet.

De Overleveringswet is op grond van deze Richtlijn met ingang van 1 maart 2017 uitgebreid met artikel 21a dat als volgt luidt:

De opgeëiste persoon die is aangehouden, kan verzoeken een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen met het oog op het, door het verstrekken van informatie en advies, verlenen van bijstand aan zijn raadsman in Nederland ten behoeve van de procedure voor overlevering in Nederland. De officier van justitie stelt na ontvangst van het verzoek de uitvaardigende justitiële autoriteit terstond van het verzoek in kennis; de termijnen voor de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel gelden onverkort.

De rechtbank stelt allereerst vast dat artikel 10 van de Richtlijn en artikel 21a OLW betrekking hebben op de overleveringsprocedure als geheel en niet – zoals de officier van justitie heeft gesteld – in het bijzonder van toepassing is op de bijstand van een raadsman aan de opgeëiste persoon in de uitvaardigende lidstaat nà diens overlevering.

Verder stelt de rechtbank vast dat uit artikel 21a OLW niet de verplichting volgt voor de officier van justitie om er voor te zorgen dat een raadsman wordt aangewezen in de uitvaardigende lidstaat. Artikel 21a OLW bevat alleen de verplichting om de uitvaardigende justitiële autoriteit terstond in kennis te stellen van het verzoek van de opgeëiste persoon om een raadsman aan te wijzen. De rechtbank stelt verder vast dat, indien artikel 21a OLW niet, ten dele, of te laat wordt nageleefd, de wet hier geen sanctie aan verbindt. In artikel 21a OLW is in overeenstemming met artikel 10 van de Richtlijn opgenomen dat de termijnen van de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel onverkort gelden zodat voor aanhouding van de behandeling naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding bestaat. Omdat artikel 10, zesde lid, van de Richtlijn bepaalt dat het recht van de opgeëiste persoon de verplichting om binnen de in het Kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden over de overlevering te beslissen onverlet laat, kan een verzuim niet leiden tot weigering van de overlevering. De in de OLW opgenomen weigeringsgronden zijn immers limitatief.

Voor zover de opgeëiste persoon zich op grond van een vermeende schending van het in dit artikel bepaalde, beroept op artikel 6 EVRM geldt het volgende.


Artikel 6 EVRM heeft geen betrekking op de overleveringsprocedure als zodanig. Het Verdrag is van toepassing indien het gaat om de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen (‘civil rights and obligations’) of indien het gaat om een onderzoek naar de gegrondheid van een strafvervolging (‘criminal charge’). Van een schending van artikel 6 EVRM of van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in deze procedure is daarom geen sprake.

6 Prejudiciële vragen

De raadsman heeft gesteld dat als de rechtbank van oordeel is dat de termijnen van de Overleveringswet voorrang hebben op het recht van de opgeëiste persoon en de Nederlandse raadsman op rechtsbijstand van een Poolse advocaat, hierover een prejudiciële vraag gesteld moet worden.

De rechtbank ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in het door de raadsman aangevoerde geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310, 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M.J.M. Langeveld en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 augustus 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.