Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6058

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
96/078717-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding van de termijn van art 12 lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer leidt er toe, wanneer geen sprake is van een bijzonder omstandigheid, dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in art 8 WVW, vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2018/NaN met annotatie van Hulst, J.W. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 96/078717-18

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Verstek

Verkort vonnis van de politierechter Amsterdam, in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [BRP-adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieadres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 augustus 2018.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 april 2018 te Amsterdam een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolgde een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemde Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De politierechter is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, omdat de termijn van anderhalf uur als bedoeld in artikel 12 lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) is overschreden. Deze termijnoverschrijding wordt niet gerechtvaardigd door een bijzondere omstandigheid. De gestelde termijn strekt er niet toe de uitslag van het bloedonderzoek te waarborgen. De termijn valt daarom niet onder het stelsel van strikte waarborgen. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, maar verdachte heeft hier geen nadeel van ondervonden. Er kan worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim.

De beslissing van de politierechter

Op 13 april 2018 te 03:51 uur is de verdachte staande gehouden ter controle op de naleving van de bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Bij zijn staandehouding pakte verdachte een joint uit zijn zak. Om 03:51 uur is verdachte aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 8 WVW. Om 3:52 uur heeft de verbalisant verdachte gevorderd mee te werken aan een speekseltest. De verdachte heeft daaraan meegewerkt en de speekseltest gaf een indicatie voor gebruik van cannabis en cocaïne.

Om 06:16 uur heeft de arts [naam arts] , in aanwezigheid van verbalisanten, bloed afgenomen om een onderzoek te verrichten als bedoeld in artikel 8 WVW1.

Het rapport van het NFI houdt in dat de concentratie THC in het onderzochte bloed van verdachte 3,6 microgram per liter bedroeg2. De grenswaarde voor cannabis is blijkens artikel 3 van het Besluit 3,0 microgram tetrahydrocannabinol (THC) per liter bloed.

In het Besluit zijn regels gegeven waaraan (voor zover hier van belang) bij bloedafname moet worden voldaan.

Artikel 12 lid 3 van het Besluit bepaalt voor zover van belang:

Indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen, geschiedt de bloedafname uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 of 8 of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. [..]

Cannabis is een in artikel 2 van het Besluit aangewezen stof.

Het voorlopig onderzoek bedoeld in artikel 8 van het Besluit is de speekseltest. Verdachte is gevorderd medewerking te verlenen aan de speekseltest om 3:52 uur, zodat de bloedafname uiterlijk had moeten plaatsvinden om 5:22 uur. De bloedafname heeft plaatsgevonden om 06:16 uur, zodat de termijn met 54 minuten is overschreden .

In het proces-verbaal hebben verbalisanten opgenomen dat er sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor de bloedafname niet binnen de voorgeschreven termijn heeft plaatsgevonden. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de arts de enige dienstdoende arts was, dat de arts toen hij werd gebeld in het [naam ziekenhuis] was voor een schouw en vervolgens naar het [politieburo] moest voor een onderzoek en dat de aderen van verdachte zo lastig waren dat de daadwerkelijke bloedafname enige tijd heeft geduurd.

Met de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat de in het proces-verbaal gerelateerde omstandigheden niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden als bedoeld in het Besluit.

In de Nota van toelichting wordt ten aanzien van de bijzondere omstandigheden vermeld::

Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.

De door de verbalisanten vastgestelde omstandigheden zijn niet zo zwaarwichtig als de in de Nota van toelichting opgenomen voorbeelden, zodat moet worden aangenomen dat zij van onvoldoende gewicht zijn om als bijzondere omstandigheid in de zin van het Besluit te kunnen worden aangemerkt.

De vraag is dan welke gevolgen aan de overschrijding van de termijn moeten worden verbonden.

De termijn is blijkens de Nota van toelichting opgenomen in het Besluit, kort gezegd, omdat de concentratie van stoffen die met het bloedonderzoek moet worden vastgesteld snel afneemt en na anderhalf uur geen goede weergave meer is van de concentratie van die stoffen in het bloed ten tijde van het rijden. De termijn dient daarom in beginsel het belang van de verkeersveiligheid en niet het belang van de verdachte.

Toch vermeld de Nota van toelichting ook:

“Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit [..]”

Dat ook een belang van de verdachte een rol speelt, volgt uit de overweging in de Nota van toelichting waarin is opgenomen:

De gestelde termijn is niet alleen in het voordeel van de verkeersveiligheid en opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen, maar ook van verdachten. Opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen zullen daardoor hun kostbare tijd en capaciteit alleen aan die mensen besteden die naar verwachting vervolgd kunnen worden en verdachten zullen zo kort mogelijk en zo min mogelijk onnodig van hun vrijheid worden beroofd.

In het licht van het voorgaande is de politierechter van oordeel dat, nu de minister in de toelichting uitdrukkelijk aangeeft dat de termijn mede is opgenomen ter bescherming van de verdachte tegen te lange vrijheidsberoving en hij als sanctie op de termijnoverschrijding het vrijuit gaan van de verdachte heeft aangewezen, het gevolg van de termijnoverschrijding moet zijn dat geen sprake meer is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW.

Nu geen sprake meer is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW kan het tenlastegelegde niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.H. Marcus, politierechter,

in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier,

en is uitgesproken op 22 augustus 2018. [..]

.

1 PL1300-2018073071-1.

2 Rapport van het NFI, zaaksnummer 2018.04.18.48 van 30 april 2018.