Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6037

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
AMS 18/883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd de exploitatie van het horecabedrijf te staken en gestaakt te houden. Eiseres beschikte niet over een vergunning voor het exploiteren van het horecabedrijf. Dat is een overtreding van de APV. Verweerder was daarom bevoegd om handhavend op te treden. Omdat de uitkomst van nader onderzoek eerst afgewacht moet worden om te bepalen of de veiligheid in de omgeving door de aanwezigheid van het horecabedrijf in gevaar wordt gebracht en sprake is van een weigeringsgrond voor vergunningverlening, is er geen concreet zicht op legalisatie. Verweerder mocht daarom het algemeen belang bij herstel van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van nieuwe verstoringen zwaarder laten wegen dan het individuele (financiële) belang van eiseres bij een voortzetting van de exploitatie van het horecabedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3032
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2018 in de zaak tussen

[VOF] (mede namens haar vennoten), te [plaats] , eiseres (hierna: [VOF] )

(gemachtigde: mr. B. Coskun),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. P.H.J. Ermers en mr. M.J. Houben).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder [VOF] de last onder bestuursdwang opgelegd de exploitatie van horecabedrijf Halal Fried Chicken (hierna: het horecabedrijf) met ingang van 2 november 2017 te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 9 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [VOF] ongegrond verklaard.

[VOF] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2018.

[VOF] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ook zijn verschenen [vennoot 1] en [vennoot 2] , vennoten van [VOF] .

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

[VOF] is exploitant van het horecabedrijf aan de [adres] . [VOF] heeft het horecabedrijf van Halal Fried Chicken B.V. (HFC) overgenomen en met HFC een franchiseovereenkomst gesloten. In de overnameovereenkomst staat vermeld dat de overdracht van het horecabedrijf uiterlijk 1 december 2016 zal plaatsvinden. Verweerder heeft op 24 februari 2017 een aanvraag ontvangen van [VOF] voor de exploitatie van het horecabedrijf.

1.2.

Verweerder heeft op 26 oktober 2017 een bestuurlijke rapportage ontvangen van de Nationale politie, eenheid Amsterdam (het rapport). In dit rapport meldt de politie – onder meer – dat [voormalig bestuurder] , een voormalig bestuurder van HFC, op 11 september 2017 is geliquideerd vlak nadat hij het horecabedrijf had bezocht. Een andere voormalige bestuurder van HFC is eerder op 18 augustus 2017 in zijn been geschoten, eveneens na een bezoek aan het horecabedrijf. Daarnaast heeft er op 21 april 2017 een grote brand plaatsgevonden in het horecabedrijf door brandstichting, waaraan naar alle waarschijnlijkheid zakelijke conflicten ten grondslag lagen.

1.3.

Gelet op dit rapport is verweerder tot de conclusie gekomen dat sprake is van (gewelds)incidenten rondom [VOF] die de openbare orde ernstig verstoren. Omdat uit het rapport ook blijkt dat sprake zou kunnen zijn van zakelijke en/of politieke conflicten tussen de verschillende (voormalige) betrokkenen die in relatie staan tot het horecabedrijf, kan volgens verweerder niet worden uitgesloten dat soortgelijke incidenten in de toekomst opnieuw plaatsvinden. Het risico is dat onschuldige personen daarvan het slachtoffer worden. Volgens verweerder dient nader onderzoek door de politie te worden afgewacht, voordat een beslissing kan worden genomen op de aanvraag om een exploitatievergunning van [VOF] . Het horecabedrijf dient zolang te worden gesloten.

1.4.

Verweerder heeft op 27 oktober 2017 aan [VOF] laten weten het voornemen te hebben om [VOF] op te dragen de exploitatie van het horecabedrijf te (laten) staken en gestaakt te houden. [VOF] heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om een zienswijze in te dienen. Met het primaire besluit heeft de burgemeester zijn voornemen gehandhaafd. Hiertegen heeft [VOF] (mede namens haar vennoten) bezwaar gemaakt. Tevens heeft [VOF] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.5.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 november 2017 (AMS 17/6359) is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Standpunten van partijen

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – overeenkomstig het advies van 4 januari 2018 van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van [VOF] ongegrond verklaard. In dit advies is (samengevat) het volgende overwogen. [VOF] heeft niet binnen vier weken na de uiterlijke overdrachtsdatum een nieuwe aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend, zoals is voorgeschreven in artikel 3.7, tweede lid, van de APV1. Dit betekent dat [VOF] niet beschikt over een exploitatievergunning. Dit is een overtreding van artikel 3.8, eerste lid, van de APV. Verweerder mag dan ook handhavend optreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van verweerder niet kan worden gevergd handhavend op te treden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is sprake als concreet zicht bestaat op legalisatie of als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Gezien het rapport en het lopende onderzoek op grond van de Wet Bibob2 bestaat er geen concreet zicht op legalisatie. Verder weegt het algemene belang van handhaving van de wettelijke regels en bepalingen zwaarder dan het financieel belang van [VOF] (en diens vennoten).

2.2.

In beroep heeft [VOF] (mede namens haar vennoten) aangevoerd dat zij wel gehandeld heeft conform de voorschriften van de APV, met name artikel 3.7, tweede lid, van de APV. Het bedrijf is pas in februari 2017 overgenomen en niet op 1 december 2016. Als productie 3 is een op 21 februari 2017 gedateerd e-document bijgevoegd, waarin één van de vennoten van HFC (de voormalige eigenaar van het horecabedrijf) verklaart dat de overname niet op 1 december 2016, maar (na toestemming van de verhuurder) pas op 20 februari 2017 is geëffectueerd. Het bevoegde bestuursorgaan heeft vervolgens naar aanleiding van de aanvraag bij monde van mevrouw [naam] ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen gedaan, zodat er al op 6 juli 2017 voldoende concreet zicht op legalisatie bestond. Gelet hierop verbaast het [VOF] dat er op 27 oktober 2017 een voornemen is gekomen om de exploitatie van het horecabedrijf met ingang van 2 november 2017 te staken en gestaakt te houden vanwege het feit dat verweerder één dag daarvoor, op 26 oktober 2017, het rapport van de politie heeft ontvangen. [VOF] distantieert zich van het rapport, omdat [VOF] niets van doen heeft met enig incident rondom het horecabedrijf dat een verstoring van de openbare orde zou kunnen opleveren. Ongelukkigerwijze weet het publiek en de politie niet dat [VOF] de exploitatie heeft overgenomen van HFC en dat zij niets met elkaar van doen hebben. Er doen zich frequent incidenten voor in de [adres] en deze hebben niet eerder geleid tot het sluiten van (horeca)bedrijven. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die een onverwijlde sluiting van de horeca-inrichting rechtvaardigen, gelet op de bescherming van het woon- en leefklimaat. Verweerder kan niet aantonen en onderbouwen dat sinds de feitelijke opening van de horeca-inrichting na de overname door [VOF] zich problemen hebben voorgedaan met de openbare orde. Ook met het tijdsverloop sinds het schietincident in de straat is geen rekening gehouden bij de beoordeling. Zelfs indien sprake was van handelen in strijd met artikel 3.8 van de APV, dan staat in deze zaak onomstotelijk vast dat er voldoende concrete zicht bestond op legalisatie. Gebleken is van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Ook zijn de zwaarwegende persoonlijke en financiële belangen van [VOF] onvoldoende betrokken. Tenslotte brengt de sluiting van het bedrijf onoverkomelijke (financiële) problemen met zich. Dat zal leiden tot het faillissement van [VOF] en een persoonlijk faillissement van de vennoten. Ook leidt het tot het ontslag van tientallen personeelsleden en zullen schuldeisers benadeeld worden.

Juridisch kader

3. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Inhoudelijke beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat 24 februari 2017 de aanvraagdatum is van de exploitatievergunning. Uit de overnameovereenkomst van 6 oktober 2016 blijkt dat de overdracht van het horecabedrijf uiterlijk 1 december 2016 zou plaatsvinden. Verweerder mocht daarvan uitgaan als datum van overname. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat er begin januari 2017 al door [VOF] huur werd betaald voor het bedrijf om aan te tonen dat het bedrijf solvabel was. De stelling dat de bedrijfsovername is uitgesteld tot 21 februari 2017 vanwege het ontbreken van toestemming van de verhuurder, verdraagt zich daar niet mee. De overgelegde productie 3 kan [VOF] dan ook niet baten. Voorts heeft [VOF] niet aan de hand van stukken onderbouwd dat, zoals ter zitting naar voren is gebracht, op 20 februari 2017 afscheid is genomen van (diverse) personeelsleden. Ook de brief van 3 mei 2017 van Prosperity Investments B.V., de verhuurder het bedrijf, waarin staat dat akkoord wordt gegaan met het aanvragen van een exploitatievergunning op naam van [VOF] , kan niet leiden tot een ander oordeel. Los van het feit dat [VOF] eerst ter zitting op deze brief heeft gewezen, heeft [VOF] ook met de brief van 3 mei 2017 zijn stelling dat de overname vanwege het ontbreken van toestemming van de eigenaar pas op 21 februari 207 heeft plaatsgevonden, niet onderbouwd en blijkt uit deze brief bovendien niet op welk moment de overname heeft plaatsgevonden. De exploitatievergunning, die op naam stond van HFC, is daarmee komen te vervallen, omdat [VOF] niet binnen vier weken na deze uiterlijke overdrachtsdatum een nieuwe aanvraag voor een exploitatievergunning heeft ingediend, zoals is voorgeschreven in artikel 3.7, tweede lid van de APV. [VOF] beschikt daarom niet over een vergunning voor het exploiteren van het horecabedrijf. Dat is een overtreding van de APV. De burgemeester is daarom bevoegd om handhavend op te treden.

4.2.

Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van de burgemeester worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.3.

De burgemeester mag bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taak afgaan op de juistheid van het door de politie op ambtseed opgemaakte rapport. HKC heeft wel kritiek op onderdelen van het rapport, zoals bijvoorbeeld de omschrijving van de exacte plaats van liquidatie van de voormalig eigenaar [voormalig bestuurder] , maar dat doet in het geheel niet af aan de kern van dat rapport en evenmin aan de conclusie dat sprake is van de liquidatie van een (voormalig) zakenpartner van [VOF] .

4.4.

Uit die informatie heeft verweerder de conclusie getrokken dat nader onderzoek nodig is naar de nadelige beïnvloeding van het horecabedrijf op de openbare orde en/of de veiligheid in de omgeving van het horecabedrijf. De in het rapport geschetste ernstige geweldsincidenten en mogelijke zakelijke en/politieke conflicten tussen betrokkenen bij HFC en [VOF] , zoals ook geschetst in het rapport, geven daartoe voldoende aanleiding. Die incidenten en conflicten vormen overigens ook zwaarwegende feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.7, derde lid van de APV.

4.5.

Het onderzoek op grond van de Wet Bibob loopt nog steeds. Omdat de uitkomst van deze onderzoeken eerst afgewacht moet worden om te bepalen of de veiligheid in de omgeving door de aanwezigheid van het horecabedrijf in gevaar wordt gebracht en sprake is van een weigeringsgrond voor vergunningverlening, is er geen concreet zicht op legalisatie.

4.6.

De e-mailberichten van medewerkers van de afdeling vergunningen in juni en juli 2017 staan daaraan niet in de weg. Nog daargelaten of sprake is van toezeggingen (laat staan van bevoegdelijk gedane toezeggingen), blijkt uit het rapport dat er ernstige incidenten hebben plaatsgevonden die grotendeels van een latere datum zijn dan juni/juli 2017. De situatie is daarmee na de e-mailcorrespondentie anders komen te liggen en ook het positieve advies van de politie, waaraan de medewerkster van de afdeling vergunningen in de e-mail van 28 juni 2017 refereert, is hierdoor in een ander licht komen te staan.

4.7.

Verweerder mag dan ook het algemeen belang bij herstel van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van nieuwe verstoringen zwaarder laten wegen dan het individuele (financiële) belang van [VOF] bij een voortzetting van de exploitatie van het horecabedrijf. De belangen van de vennoten van [VOF] en van het personeel wegen minder zwaar dan dit algemeen belang en dat wordt niet anders wanneer ervan wordt uitgegaan dat de vennoten niet persoonlijk bij de geweldsincidenten zijn betrokken.

4.8.

Ter zitting heeft [VOF] nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In dit kader heeft [VOF] gewezen op incidenten die in de straat hebben plaatsgevonden, waaronder bij het restaurant [naam restaurant] en bij een tankstation. Volgens [VOF] hoefden de ondernemers van deze zaken hun deuren niet te sluiten, terwijl het tankstation meerdere keren is overvallen en er ook incidenten hebben plaatsgevonden bij restaurant [naam restaurant] . Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gelijke gevallen. Ten aanzien van restaurant [naam restaurant] is, anders dan bij [VOF] het geval is, geen sprake van een gedoogsituatie en hebben bovendien niet maar liefst drie ernstige incidenten binnen korte tijd plaatsgevonden. Voor wat betreft het tankstation in de straat van het bedrijf van [VOF] , is evenmin sprake van gelijke gevallen, nu overvallen van andere aard zijn dan schietincidenten als de onderhavige.

5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.Y. Sumer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2018.

De griffier is buiten staat te tekenen. Rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage juridisch kader

1. Op grond van artikel 174, eerste lid van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn. Op grond van het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

2. In artikel 3.7 van de Algemeen Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (APV) is het volgende bepaald.

1. Als hij de exploitatie van een bedrijf beëindigt, doet de exploitant hiervan binnen twee weken na de beëindiging mededeling aan het bevoegde bestuursorgaan.

2. Bij beëindiging van het bedrijf vervalt de vergunning, tenzij de rechtsopvolger van de vergunninghouder binnen vier weken na de overdracht van het bedrijf een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend.

3. Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten, blijft de vergunning in dat geval van kracht, totdat op de aanvraag een besluit is genomen.

3. In artikel 3.8. van de APV is het volgende bepaald.

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

(…)

4. Artikel 125 Gemeentewet geeft de burgemeester de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien de last dient tot handhaving van regels die hij uitvoert.

5. Op grond van artikel 3.11, tweede lid, van de APV kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Op grond van het derde lid van dit artikel houdt de burgemeester daarbij rekening met:

a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;

b. de aard van het horecabedrijf;

c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en

e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

1 Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008

2 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur