Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6028

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
13/751068-13
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 ([opgeëiste persoon]). De rechtbank handhaaft beide prejudiciële vragen, ook al is de Nederlandse verklaring inzake het overgangsrecht (ex art. 28 lid 2 Kaderbesluit 2008/909/JBZ) met ingang van 1 juni 2018 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.068-13

RK nummer: 14/521

Datum uitspraak: 10 juli 2018

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank in de zaak van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[BRP-adres] .

1 Procesgang

1.1

In de verwijzingsbeslissing van 28 september 2017 in zaak C-573/17 is de procesgang tot aan de prejudiciële verwijzing beschreven (r.o. 1.1-1.6).

1.2

Op de zitting van 10 juli 2018 heeft de rechtbank met toestemming van partijen in een andere samenstelling zitting gehouden en heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van de intrekking van de op grond van artikel 28, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ afgelegde Nederlandse verklaring (hierna: de verklaring).

2 Oordeel van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft de gevolgen van de intrekking van de verklaring onderzocht en heeft besloten beide prejudiciële vragen te handhaven. Daartoe is het volgende redengevend.

2.2

Nederland heeft de voornoemde verklaring met ingang van 1 juni 2018 ingetrokken. De intrekkingsverklaring is op 28 juni 2018 gepubliceerd (PbEU 2018, L 163/19).

2.3

Ondanks dat door het intrekken van de verklaring het regime van Kaderbesluit 2008/909/JBZ – in elk geval – toepasselijk is, bepaalt artikel 5:2, derde lid, van de Wet erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) nog steeds dat deze wet – die tot uitvoering van Kaderbesluit 2008/909/JBZ strekt – niet van toepassing is op vonnissen die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden (zoals het tegen [opgeëiste persoon] gewezen vonnis).

2.4

De rechtbank kan niet op voorhand garanderen dat zij deze bepaling kaderbesluitconform kan uitleggen (zie overweging 2.25b van de verwijzingsbeslissing van 28 september 2017), zodat het antwoord op de eerste vraag nog steeds van belang is voor de uitkomst van deze zaak.

2.5

Ook het antwoord op de tweede vraag is nog steeds van belang voor de uitkomst van de zaak. De uitvaardigende lidstaat heeft namelijk ook een verklaring als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ afgelegd (PbEU 2011, L 146/21). Volgens A-G Bot is ook deze verklaring – volgens welke Polen als beslissingsstaat het regime van Kaderbesluit 2008/909/JBZ niet zal toepassen op vonnissen die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden – tardief afgelegd en sorteert zij dus geen rechtsgevolgen (ECLI:EU:C:2017:116, punten 54-55).

2.6

Wat betreft de onderlinge verhouding van de twee vragen geldt ook thans nog dat, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, het antwoord op de tweede vraag van belang blijft en omgekeerd. De rechtbank verwijst in dit verband naar overwegingen 2.25-2.25b van de verwijzingsbeslissing van 28 september 2017. Daarbij komt (ter verduidelijking van dat belang in deze specifieke casus) het volgende.

2.6.1

a) Als de Poolse verklaring niet rechtsgeldig is, dan moeten beide lidstaten het regime van Kaderbesluit 2008/909/JBZ toepassen. Wat Nederland betreft, moet de rechtbank dan allereerst onderzoeken of zij artikel 5:2, derde lid, WETS kaderbesluitconform kan uitleggen.

b) Als een kaderbesluitconforme uitleg niet mogelijk is, dan is de WETS niet van toepassing en is sowieso niet gegarandeerd dat Nederland de straf daadwerkelijk ten uitvoer zal leggen. In dat geval is het antwoord op de eerste vraag van belang.

c) Als een kaderbesluitconforme uitleg wel mogelijk is, dan moet de rechtbank onderzoeken of onder de WETS tenuitvoerlegging van de straf daadwerkelijk is gegarandeerd.

d) Voor het onder c) bedoelde geval is van belang dat de WETS op geen enkele wijze onderscheid maakt tussen gevallen waarin de wetgeving ter uitvoering van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ wordt toegepast en andere gevallen. Zonder vooruit te lopen op de beoordeling van de mogelijkheid van kaderbesluitconforme uitleg, merkt de rechtbank in dit verband op dat volgens de officier van justitie onder de WETS evenmin is gegarandeerd dat Nederland de straf daadwerkelijk ten uitvoer zal leggen.

2.6.2

a) Als de Poolse verklaring wel rechtsgeldig is, dan zal Polen het ‘oude’ regime inzake de overname van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen toepassen, maar moet Nederland het regime van Kaderbesluit 2008/909/JBZ toepassen. De rechtbank moet dan allereerst onderzoeken zij artikel 5:2, derde lid, WETS kaderbesluitconform kan uitleggen.

b) Als een kaderbesluitconforme uitleg niet mogelijk is, dan is ook in Nederland het ‘oude’ regime van toepassing en is dus niet gegarandeerd dat Nederland de straf daadwerkelijk ten uitvoer zal leggen. In dat geval is het antwoord op de eerste vraag van belang.

c) Als een kaderbesluitconforme uitleg wel mogelijk is, dan moet Nederland de WETS toepassen. Het dan van Polen af of Polen het ‘oude’ regime of het regime van Kaderbesluit 2008/909/JBZ zal toepassen, waardoor alleen al om die reden niet is gegarandeerd dat Nederland de straf daadwerkelijk ten uitvoer zal leggen.

2.7

De rechtbank merkt tenslotte nog op, dat zij uit de mededelingen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet anders heeft kunnen begrijpen, dan dat Nederland de straf ten uitvoer moet leggen zonder daartoe strekkend verzoek van de Poolse autoriteiten (verwijzingsbeslissing in zaak C-579/15, overweging 4.2.3, p. 9-10). Daarbij is niet verwezen naar Poolse wetgeving (anders punt 11 in fine van het arrest van 29 juni 2017 in zaak C-579/15). Ter zitting van 10 juli 2018 is gebleken dat een beroep op de Poolse wetgeving als obstakel voor medewerking aan de overname van de tenuitvoerlegging wel één van de vele, onderling verschillende wijzen oplevert waarop Poolse uitvaardigende rechterlijke autoriteiten in andere zaken hebben gereageerd op een Nederlands verzoek om mee te werken aan de overname van de tenuitvoerlegging van de straf. Een en ander heeft, voor zover de rechtbank bekend, nog niet geleid tot een kaderbesluitconforme uitkomst.

4 Beslissing

HANDHAAFT de gestelde prejudiciële vragen.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli 2018.