Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5992

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
13/730029-17 (13Baudette)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 40-jarige vrouw wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar voor het medeplegen van het voorbereiden van een liquidatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730029-17 (13Baudette)

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 30 november 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] .

Verdachte wordt hierna “ [verdachte] ” genoemd.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18 en 19 juli 2018 en 14 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H. Hoekstra en A. van de Venn (hierna: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en haar raadsvrouw mr. C.H. Zuur naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partij [beoogd doelwit] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend.

Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van de verklaringen van de deskundigen, R. Kalikadien, N.M. Lalta en S.R. Ruissen-Soeratram, die op de terechtzitting van 17 juli 2018 zijn verschenen en de verklaring van de deskundige, K.S.W.M. Rolfast, die op de terechtzitting van 18 juli 2018 is verschenen.

2 Tenlastelegging

[verdachte] wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 17 juli 2018 – van beschuldigd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van voorbereiding van moord of doodslag in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 in Almere en/of Amsterdam door opzettelijk diverse voorbereidingsmiddelen te verwerven en/of voorhanden te hebben, bestemd om dat misdrijf mee te plegen. Als dit niet kan worden bewezen wordt zij beschuldigd van medeplichtigheid hieraan;

2. medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie op 1 juni 2017 in Almere;

3. medeplegen van opzetheling of schuldheling in de periode van 17 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 in Amsterdam en/of Almere van twee BMW’s en een Volkswagen Caddy, alle drie voorzien van een vals kenteken.

De tekst van de gehele tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, volgens de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging, feit 3 de zinsnede ‘dat het (een) door verkregen goed(eren) betroffen’ te worden gelezen als: ‘dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen’. Omdat sprake is van een kennelijke verschrijving zal de rechtbank de tenlastelegging verbeterd lezen. Gelet op de behandeling op zitting is [verdachte] daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs in 13Baudette

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3.

Het medeplegen van de voorbereiding van een liquidatie (feit 1) kan worden bewezen op grond van de volgende omstandigheden. In het onderzoek 13Baudette zijn in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 een groot aantal OVC-gesprekken opgenomen in een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] , de auto van [verdachte] . De start van de voorbereidingshandelingen heeft zich echter daarvoor, kennelijk buiten het zicht van de politie, afgespeeld. De relevante gesprekken zijn – voor zover die in de Surinaamse taal, het Sranan, zijn gevoerd – door vier verschillende tolken uitgewerkt. In de OVC-gesprekken is te horen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] spraken over ‘timeren’ en de ‘Caddy’. Zij spreken daarbij over een gezamenlijk doel. In een gesprek met [medeverdachte 2] en [naam 1] sprak [medeverdachte 1] over ‘de schutters’ (sessienummer 56). Alle onderzoeksresultaten tezamen wijzen op een gezamenlijk doel van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] : het voorbereiden van een liquidatie. Uit de OVC-gesprekken blijkt vervolgens dat elke verdachte met hetzelfde criminele doel handelde. Het beoogde doelwit was [beoogd doelwit] . Hij is in 2012 al eens beschoten en heeft verklaard dat hij op de straat heeft gehoord dat hij op de lijst van [naam 2] staat, en grote speler in de Amsterdamse onderwereldvete.

De verdachten hebben gedurende de ten laste gelegde periode onder andere twee gestolen BMW’s en een gestolen Caddy met vervalste kentekenplaten voorhanden had. Deze auto’s zijn gebruikt voor de voorverkenningen en zouden worden gebruikt bij de uitvoering van de liquidatie en de vlucht daarna. In de schuur van [medeverdachte 1] en [verdachte] werden een flesje met benzine en ammoniak gevonden. Tijdens de aanhouding hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] PGP-telefoons (PGP betekent Pretty Good Privacy) en donkere kleding bij zich. Ook bij [medeverdachte 2] werd een PGP-telefoon aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen met zulke telefoons over de uitvoering van strafbare feiten communiceren, omdat de daarmee verzonden versleutelde berichten moeilijk te onderscheppen zijn.

[medeverdachte 3] droeg tijdens zijn aanhouding twee lagen kleding over elkaar, een muts en handschoenen. [medeverdachte 1] had tijdens zijn aanhouding een geladen vuurwapen bij zich.

Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt met voldoende bepaaldheid dat zij het opzet hadden om een levensdelict voor te bereiden.

[verdachte] werkte zeer intensief samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (feit 1). Zij reed elf keer door de [adres 1] en zette [medeverdachte 1] zes keer af in die omgeving. Zij voerde intensieve gesprekken met [medeverdachte 1] over de uitvoering van de liquidatie en bracht samen met [medeverdachte 1] de bewegingen van het doelwit in beeld. Ook haalde zij [medeverdachte 3] 9 tot 10 keer op in Amsterdam en zette zij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af bij de gestolen BMW. In haar schuur zijn een flesje met ammoniak en met benzine gevonden en op het wapen van [medeverdachte 1] zijn op diverse plaatsen sporen van [verdachte] gevonden. Gezien die laatste omstandigheid kan worden bewezen dat zij het vuurwapen voorhanden had (feit 2). Op basis van de genoemde omstandigheden kan ook worden bewezen dat [verdachte] wist dat de voertuigen van diefstal afkomstig waren toen zij deze – via de medeplegen constructie – voorhanden had (feit 3).

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 3. Zij heeft het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] wetenschap had van een crimineel voornemen, plan of handelen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en zij heeft hier zelf geen aandeel in gehad. Niet kan worden vastgesteld dat zij opzet had op de voorbereiding van moord. Ook kan niet worden bewezen dat zij opzet had op een samenwerking met een van de medeverdachten of opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van dit feit. [verdachte] heeft verklaard dat zij wist dat [medeverdachte 1] op zoek was naar een auto, maar dat zij niet wist welke auto, van welk persoon en met welk doel.

Op de nacht van 13 op 14 mei 2017 bracht [verdachte] [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Amsterdam Noord. In een gesprek zei [verdachte] dat zij “die jongens” had weggebracht en zij zou “effe een andere auto ophalen” hebben gezegd (sessienummer 228). Nadat [medeverdachte 2] werd aangehouden, belde zij op verzoek van [medeverdachte 1] de vader van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] belde later [verdachte] op, maar vroeg direct naar [medeverdachte 1] . Op 31 mei 2017 liepen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar de gestolen BMW. [verdachte] niet. Er is geen enkel bewijs dat [verdachte] weet heeft gehad van het bestaan van de gestolen BMW. Op 31 mei 2017 spraken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de Volkswagen Polo van [verdachte] af dat zij zouden kijken of ‘die waggie’ nog op dezelfde plek was, maar niet is gebleken dat [verdachte] dit hoorde, wist over welke auto het ging, van wie die auto was en dat het ging om een mogelijk doelwit van een liquidatie.

Uit het dossier is niet gebleken dat [verdachte] wist van de in de tenlastelegging opgenomen voorbereidingsvoorwerpen of de bestemming daarvan. Zij had geen encrypted telefoon en uit het dossier is niet gebleken dat zij wist dat de medeverdachten wel een dergelijke telefoon hadden en met welke reden zij die gebruikten. Op het wapen van [medeverdachte 1] is een prominente hoeveelheid DNA van [verdachte] terechtgekomen doordat [medeverdachte 1] delen van haar naakte lichaam had aangeraakt voordat hij het wapen in elkaar zette. [verdachte] wist niet dat [medeverdachte 1] een wapen had. Dit is, zo volgt uit het DNA-onderzoek, minst genomen aannemelijk. De resultaten uit het aangetroffen DNA van [verdachte] zijn verwaarloosbaar en discrimineren niet tussen een schuldig of onschuldig scenario. De bewijswaarde van het aangetroffen DNA is zeer laag.

Het ‘rijp’-gesprek (sessienummer 289) gaat over [medeverdachte 2] . Uit het ‘snorfiets’-gesprek (sessienummer 305) kan niet worden afgeleid dat dit gesprek over een liquidatie ging. De raadsvrouw heeft de juistheid van een aantal OVC-gesprekken betwist. Aan de tolken is een selectie van de gesprekken aangeleverd. Zij beoordeelden zelf welk deel relevant was en uitgewerkt moest worden. De woordelijke uitwerking van de gesprekken in het Sranan ontbreekt bovendien. De tolken die de eerste twee uitwerkingen leverden, zijn voorafgaand aan hun werkzaamheden op de hoogte gesteld van de aard van de zaak. Kennis van de context is belangrijk voor het uitwerken van de beluisterde OVC-gesprekken, maar de tolken kregen die context van de politie en daarom kan niet worden uitgesloten dat dit inkleuring heeft gegeven aan wat zij dachten te verstaan. Bovendien hadden deze tolken geen boscreoolse achtergrond, waardoor zij minder goed in staat waren om de woorden te verstaan in de context. [verdachte] heeft niet genoeg gelegenheid gehad haar betwisting van de OVC-gesprekken te onderbouwen. Er moet dan ook van de juistheid van haar lezing van de gesprekken worden uitgegaan. Daarom mag geen belastende bewijswaarde aan de door haar betwiste OVC-gesprekken worden gehecht. In ieder geval kan hieruit niet volgen dat [verdachte] wetenschap had over de vermeende voorgenomen liquidatie, want niet is gebleken dat zij wist om welke persoon of auto het ging en of dit telkens dezelfde persoon/auto was. Uit de OVC-gesprekken is immers gebleken dat [medeverdachte 1] haar de richting wees tijdens het rijden en [verdachte] dus niet wist waar degene(n) woonden naar wie [medeverdachte 1] op zoek was. [verdachte] heeft dus geen voorbereidingshandelingen verricht met betrekking tot de liquidatie.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

Voor wat betreft de door [verdachte] betwiste OVC-gesprekken merkt de rechtbank op dat zij onder meer de vertaling van het OVC-gesprek waarvan het de vraag was of er werd gezegd ‘hij is rijp’ niet als vaststaand feit meeneemt in haar beoordeling. Dat doet de rechtbank wel daar waar het gaat over het OVC-gesprek ‘hij staat in de rij’. De rechtbank ziet onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de vertaling van dit OVC-gesprek van de eerste twee door de politie ingeschakelde tolken. Deze tolken hebben onafhankelijk van elkaar hetzelfde omtrent dit gesprek vertaald en waren, anders dan de door de RC ingeschakelde tolk en de tijdens de afgelopen zittingen ingeschakelde tolk, door hun langdurige inschakeling bij het uitluisteren van de onderhavige OVC-gesprekken vertrouwd met de stemmen en bekend met de context van de zaak. Daar komt bij dat die lezing ook wordt ondersteund door het feit dat [medeverdachte 1] vervolgens contact heeft gelegd met [medeverdachte 2] en hem heeft gevraagd even te gaan kijken naar ‘die kleine, als die van mij’ waarmee hij kennelijk doelt op de Volkswagen Polo van [beoogd doelwit] .

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen in bijlage II van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In de periode van 22 april 2017 tot en met 31 mei 2017 reed [medeverdachte 1] vijftien keer in de omgeving van de [adres 1] . Dit was op 22 april, 29 april, twee keer op 20 mei, twee keer op 21 mei, twee keer op 22 mei, 23 mei, twee keer op 27 mei, 29 mei, twee keer op 30 mei en op 31 mei 2017. Van deze vijftien keer was dat twaalf keer samen met [verdachte] .

Op het adres [adres 1] stond [beoogd doelwit] ingeschreven. Deze straat bevindt zich in de [plaats] .

Op 21 april 2017 reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] van [verdachte] (hierna: de Polo). Zij voerden het volgende gesprek:

[medeverdachte 1] : We gaan niet parkeren waar we die brommer gezet hebben snap je. Mogen niet lang met die waggi. Lopen wij gewoon binnendoor toch. Morgen gaan we die…busje gaan we daar zetten, ja toch? We gaan bij deze man niet in die parking lopen waar we die dingen gaan rijden toch?

[medeverdachte 2] : Ja, gaat niet open.

[medeverdachte 1] : Gaan we gewoon via die achterkant. Snap je? Rustig.

[medeverdachte 2] : Ze gaan weten dat jullie naar dingen gaan, muziekwijk. Die politiebureau ze gaan daar helemaal uitkammen. Helemaal uitkammen. Daar gaan ze helemaal uitkammen. Literatuurwijk komen alle politie ntv. Dus jullie moeten echt scherp zijn wanneer je dingen gaat zetten. Ntv. Ze gaan hem sowieso vinden. Dat weet ik 100%. In principe gaan ze sowieso vinden 100%.

[medeverdachte 1] : Als die bakkie open kon, bakkie? We gaan gewoon erin.

[medeverdachte 2] : Goed schoonmaken, ntv uitladen, ntv bewust met blote handen. Je gaat niet overal kunnen schoonmaken.

[medeverdachte 1] : Je kan geluk hebben dat er geen dinge… motorman daar is. ntv. Je kan ook ongeluk hebben dat…

[medeverdachte 2] : Het is vrijdag toch. Die skotoe, Grote Markt toch? Moeten ze een melding krijgen toch? Gaan ze van Grote Markt naar Muziekwijk, misschien, nog niet eens een minuut snap je?

[medeverdachte 2] : Motro ntv sowieso richting stad rijden. Hoe je ook het ook draait of keert. Je kunt ook naar Almere Poort gaan snap je? Sowieso moet je.

Op 22 april 2017 rond 01.07 uur reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] in de Polo in de omgeving van de [adres 1] . Zij voerden het volgende gesprek:

[medeverdachte 1] : Zet de waggie daar op diezelfde plek van die man, ja! Je gaat meteen moeten/loesoe toch? Ja man dan gaan we die man zijn waggie neerzetten ntv… of gaat ie nog weg gaan, denk het niet.

[naam 1] : Sowieso als hij uit zou gaan zou hij sowieso allang al de deur uit zijn. Als hij uit zou gaan dan gaat hij toch niet om half twee uit!

[medeverdachte 1] : het kan man.

[…]

[medeverdachte 1] : Morgenochtend toch? Die bak… open maken toch?

[medeverdachte 2] : Kunnen we nu toch proberen?

[medeverdachte 1] : Gaan we doen ja. We gaan timeren (wachten) in dat ding, morgen. Die bak toch van die ding gaan we timeren tot hij naar buiten komt toch!

[medeverdachte 1] : Die man zegt tegen me, dat jij weet hoe je dat open moet doen. Met een schroevendraaier. Die bak.

[naam 1] : welke bak? Van die…

[medeverdachte 1] : Caddy ja.

Op 22 april 2017 rond 22.00 uur reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] in de Polo in de Muziekwijk in Almere en zei [medeverdachte 1] op het moment dat ze bij een tankstation zonder camera’s aankwamen: “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter. Ze hebben geen camera’s hier”.

Op 25 april 2017 om 00.28 uur waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] in de Muziekwijk in Almere. Daar voerden zij het volgende gesprek:

[naam 1] : Ik zei tegen hem over die busje, je weet toch. Gaat niet je weet toch om in die busje te gaan timeren, ik zeg maar dat gaat niet man. Ik zeg tegen hem die ding heeft volgens mij storing ofzo man. Ik zeg tegen hem van de vorige keer we hebben geen lichte aangelaten weet je toch. Ik zeg tegen hem die ding is gewoon ehh die busje is gewoon paranoia broer.

[medeverdachte 2] : Als je die sleutel uit het contact haalt en.. hoor je… ieeee irritant geluid.

[…]

[naam 1] : kentekenplaten pakken. En op internet kijken APK. Broer zeg tegen die gasten, brother, voordat ze überhaupt een kaulo sleutel kopiëren moeten ze eerst kijken naar de APK.

Op 25 april 2017 vond een observatie plaats rondom een gestolen Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Caddy). Om 20.02 uur voerden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] rijdend in de Polo naar de Volkswagen Caddy toe het volgende gesprek:

[naam 1] : we kunnen die busje daar weer gaan zetten maar ik zeg tegen hem stel je voor hij gaat niet aan voor die deur

[medeverdachte 1] : […] ok ok jullie komen naar me toe, even kijken of hij start. Als hij niet start…

[naam 1] : Ja ja het is wel heet je weet toch. Stel je voor hij kijkt of iemand ziet je of wat dan ook… ja dan kan je ook… een hele kale busje hij ziet die busje en daaro belt ie en dan. Eh broer ik zeg je eerlijk he als we in die busje zitten broer ik zeg eerlijk ik heb trauma’s van die gannoes bij ons te halen ze.. gewoon heel dicht bij ons in die busje

[…]

[medeverdachte 2] : Die actie…ntv…toch? Of busje gelijk branden …ntv

[naam 1] : Busje gelijk branden is eigenlijk optimaal

[medeverdachte 2] : Ok, als we gelijk kunnen branden gaan we niet met die benzine in de auto rijden, we gaan….

[…]

[medeverdachte 2] : we gaan het wegzetten waar we het gaan branden

[…]

[medeverdachte 1] : Hm hm. Ja tuurlijk….

Om 20.16 uur werd vervolgens gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de Volkswagen Polo van [verdachte] parkeerden in de Altvioolstraat. [medeverdachte 1] , [naam 1] en [medeverdachte 2] stapten uit. [naam 1] liep naar de Volkswagen Caddy, stapte in als bestuurder en reed met [medeverdachte 2] weg. [naam 1] parkeerde de Volkswagen Caddy op een parkeerplaats. [naam 1] en [medeverdachte 2] stapten uit en verrichtten handelingen aan de achterzijde van de Volkswagen Caddy ter hoogte van de kentekenplaat. [medeverdachte 1] liep ook naar de Volkswagen Caddy, keek ernaar en liep vervolgens weer weg. [medeverdachte 2] stapte vervolgens weer in en parkeerde de Volkswagen Caddy in de Altvioolstraat. [medeverdachte 1] en [naam 1] liepen vervolgens weg. [medeverdachte 1] en [naam 1] kwamen [medeverdachte 2] vervolgens lopend weer tegen, waarna zij weer samen verder liepen.

Op 29 april 2017 reden [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Polo vanaf de [adres] te [woonplaats] , waar [verdachte] woont, naar het zuiden van het land. De Polo maakte om 15.29 uur een rondje door de [adres 1] .

In de nacht van 13 op 14 mei 2017 reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] met de Polo vanuit Almere naar Amsterdam-Noord en parkeerden op de Achtersteven. Vervolgens was te horen dat de portieren open en dicht gingen. [verdachte] reed alleen weg en voerde het volgende telefoongesprek:

[verdachte] : ik ben op straat deze tijd!

NNm: Je maakt een ronde?

[verdachte] : Nee, nee, nee, ik moet euhh, ik heb die jongen weggebracht.

NNm: welke jongen?

[verdachte] : Effe een andere auto ophalen, dus euh…

Op 15 mei 2017 werd [medeverdachte 2] door de politie aangetroffen in een gestolen BMW met vervalste kentekenplaten met kenteken [kenteken] . Tijdens zijn aanhouding belt hij naar de telefoon van [verdachte] waar hij [medeverdachte 1] te spreken kreeg die hem adviseerde om weg te rennen. Kort daarna belde [verdachte] [naam vader] , de vader van [medeverdachte 2] , op en zei het volgende: “Als je dingen/spullen in je huis heb, haal het nu nu weg, politie heeft die jongen van jou aangehouden”.

Op 20 mei 2017 reden [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Polo. De Polo reed om 22.28 uur door de [adres 1] . Hierna reed de Polo door naar Amsterdam.

Nadat [verdachte] en [medeverdachte 1] kort in Amsterdam waren geweest reed de Polo weer terug naar Almere. Weer reed de Polo de Literatuurwijk in. Nu zette [verdachte] [medeverdachte 1] af in de Cees Buddinghstraat, een straat die grenst aan de [adres 1] en reed alleen naar huis. Vlak voordat [verdachte] [medeverdachte 1] afzette in de Cees Buddinghstraat voerden zij het volgende gesprek:

[verdachte] : Misschien is die auto daar rechts?

[medeverdachte 1] : Ik ga straks lopen toch.

[verdachte] : Moet ik terug komen?

[medeverdachte 1] : Ik ga je melden als het koud is toch. Als het niet koud is ga ik gewoon zitten.

Op 21 mei 2017 om 01.18 uur haalde [verdachte] [medeverdachte 1] weer op in de omgeving van de [adres 1] .

Om 03.37 uur reden [verdachte] en [medeverdachte 1] nogmaals door de [adres 1] . Zij kwamen vanaf het centrum van Almere en reden via de [adres 1] naar de Augustusstraat. De [adres 1] ligt niet op de route van het centrum naar de Augustusstraat. Op het moment dat zij door de [adres 1] reden, vond het volgende gesprek plaats:

[medeverdachte 1] : (scheldt uit)

[verdachte] : Hij zet het ergens of hij heeft een andere auto

[medeverdachte 1] : Nee dan weet ik het direct

Op 22 mei 2017 reden [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Polo van Amsterdam naar Almere, waar zij om 20.57 uur door de [adres 1] reden. Rond 23.30 uur reden zij naar de Literatuurwijk, naar de Jan Campertstraat en stopten daar. Vlak voordat zij daar uit de Polo stapten, vond het volgende gesprek plaats:

[medeverdachte 1] : Rij binnendoor ntv kan rennen en die ding weggooien. Ik neem een klote fiets en dan ga ik mijn werk rustig doen.

[verdachte] : we moeten een snorfiets hebben.

[medeverdachte 1] : Ehe, weggooien of niet, in het water. Ik neem het geld voor drie mensen. Een 50.

Op 23 mei 2017 om 19.45 uur zette [verdachte] [medeverdachte 1] af in de omgeving van de [adres 1] . Hierna werd [verdachte] gebeld door haar neef met de vraag of zij hem kon ophalen. [verdachte] gaf aan dat zij dit niet wist, omdat ze nu met [medeverdachte 1] bezig was. Het volgende gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] vond plaats:

[verdachte] : [naam 3] belde me net, ik had drie gemiste oproepen van [naam 3] . Hij vroeg of we hem willen gaan halen.

[medeverdachte 1] : Dan moet je hem halen toch.

[verdachte] : Nee, ik zeg, ik weet niet, ik moet het met [medeverdachte 1] afstemmen, ik kan niet zomaar, ik ben met hem bezig. Dus ik zei van...

[medeverdachte 1] : Ik ben hier gewoon dan moet hij even twee uurtjes wachten.

[verdachte] : Ja dat kan wel, want hij heeft geen haast, want hij vindt het leuk om met jou te gaan.

[medeverdachte 1] : Dan moet hij even twee uurtjes wachten.

[verdachte] : Ja nee is goed, dan ga ik hem bellen, want hij heeft me twee keer gebeld, huh wie is dat. Ik zal zeggen we komen hem straks halen ja.

[medeverdachte 1] : ja.

[verdachte] : Oke.

Om 21.34 uur pikte [verdachte] [medeverdachte 1] op de Herman Gorterweg weer op. De Herman Gorterweg is de toegangsweg naar de Literatuurwijk.

Op 27 mei 2017 rond 01.31 uur reden [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Polo door de [adres 1] .

Op 27 mei 2017 rond 23.25 uur reden [verdachte] , [medeverdachte 1] en een andere man weg vanaf Augustusstraat naar de Jan Camperstraat. Hier stapte [medeverdachte 1] uit de Polo. Om 23.42 uur stapte [medeverdachte 1] weer in de Polo en zij reden weer weg.

Op 29 mei 2017 om 18.45 uur werd een gestolen BMW verplaatste van een parkeerplaats in Amsterdam-Noord naar de Prozastraat in Almere. Daar werd de BMW geparkeerd. Inmiddels was het voertuig voorzien van valse kentekenplaten met het kenteken [kenteken] . Om 23.00 uur reden [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Polo naar de Borneostraat in Amsterdam om [medeverdachte 3] op te halen. Daarna reden ze naar de J.J. Slauerhoffstraat in Almere, waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] uitstapten en [verdachte] wegreed. Op schermafbeeldingen van een camera was te zien dat op 29 mei 2017 tussen 23.31.11 uur en 23.31.13 uur twee personen, een negroïde en een blanke man, vanuit de steeg de [adres 1] inliepen. De blanke man werd herkend als [medeverdachte 3] . Om 23.34 uur stapten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in de BMW en verplaatsten deze naar de Jan Campertstraat. Om 23.42 uur bevonden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich in de Polo die in de Herman Gorterweg geparkeerd stond. [medeverdachte 1] en [verdachte] brachten [medeverdachte 3] terug naar de Borneolaan.

Op 30 mei 2017 om 20.46 uur zette [verdachte] [medeverdachte 1] af op de Hans Lodeizenstraat, vlakbij de [adres 1] . Daar stapte [medeverdachte 1] uit. Hij liep de [adres 1] in. Acht minuten later stapte hij de Polo in en reden [verdachte] en [medeverdachte 1] naar Amsterdam om [medeverdachte 3] op te halen. Tijdens deze rit zei [medeverdachte 1] “Ik ga naar die tunnel toch, kan niet alles in de auto bespreken toch. Ik ga hem halen en praten”. Hierna stapte [medeverdachte 1] uit en sprak met [medeverdachte 3] buiten de auto.

[medeverdachte 1] zei vervolgens: “We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. [verdachte] zegt dan: “Als die witte er niet is dan kan je in zijn kamp gaan, niemand is daar”. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] reden in de Polo naar het tankstation op de Dukdalfweg. Daar zei [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] : “Hier pak handschoentje, ik ga je nog eentje geven wacht, hiero…nog eentje, dan is hier de flesje”. Na het tanken reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] terug naar de Augustusstraat. Bij het parkeren gaf [medeverdachte 3] aan dat [medeverdachte 1] het tasje moest meenemen.

Om 30 mei 2017 om 23.58 uur werd de gestolen BMW door [medeverdachte 3] verplaatst naar de [adres 1] . Rond 01.42 uur, inmiddels op 31 mei 2017, kwam een persoon met de fiets via de J.J. Slauerhoffstraat door een steeg naar de woning op het adres [adres 1] [huisnummer] en is daar naar binnen gegaan. Enkele seconden later maakte de gestolen BMW een rondje maakte door onder andere de [adres 1] en werd in die straat geparkeerd. Om 02.31 uur werd de gestolen BMW in de Meistraat, nabij de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] geparkeerd.

Op 31 mei 2017 omstreeks 19.22 uur werd de Volkswagen Polo van [beoogd doelwit] door de politie geparkeerd in de [adres 1] . Om 19.30 uur reden [verdachte] en [medeverdachte 1] door de [adres 1] . Toen de Polo van [medeverdachte 1] en [verdachte] door de [adres 1] reed, was te horen dat [medeverdachte 1] zei: “Ma pang pang, hij staat in de rij”. Rond 21.20 uur reden zij naar de Borneolaan in Amsterdam en haalden [medeverdachte 3] daar weer op. [medeverdachte 1] belde [medeverdachte 2] en het volgende gesprek vond plaats:

[medeverdachte 1] : Dat ding waar we waren geweest bij dinge toch, je weet waar toch. Toen we gingen lopen toch. Ga voor me kijken noh, kijk even dan, ja toch.

[medeverdachte 2] : Wat zei je nog een keer.

[medeverdachte 1] : Je weet toen we met die kleine man ver gingen lopen toch, kijken of dat ding was toch.

[medeverdachte 2] : Die witte ding bedoel je toch?

[medeverdachte 1] : Ja toch, die kleine, net als die van mij toch.

[medeverdachte 2] : No spang geregeld.

[medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] reden vervolgens naar Almere. Het volgende gesprek vond plaats:

[medeverdachte 3] : Wil je daar gaan kijken nog?

[medeverdachte 1] : Ja toch, gaan kijken als die waggie nog hetzelfde dinge is, plek

[medeverdachte 3] : ja, dan? Dan gaan we die andere appen. Het is te laat om nu nog te gaan timeren.

Via de omgeving van de [adres 1] reden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar de Augustusstraat. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gingen naar de gestolen BMW in de Meistraat en openden de kofferbak, waarna [medeverdachte 1] uit beeld liep. [medeverdachte 3] stapte in de BMW en parkeerde een aantal plaatsen verderop. Rond 03.05 uur brachten [verdachte] en [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] in de Polo terug naar Amsterdam.

Op 1 juni 2017 om 21.50 uur reden [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Amsterdam, waar [medeverdachte 3] instapte. [medeverdachte 3] had een gele plastic tas bij zich. Vervolgens kwamen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan bij de gestolen BMW. [medeverdachte 3] stapte aan de bestuurderszijde in. [medeverdachte 1] stapte 50 meter verderop in als passagier. De gestolen BMW reed de Literatuurwijk in, waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] worden aangehouden.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren tijdens de aanhouding beiden in het bezit van een encrypted BlackBerry telefoon waarvan de batterij was verwijderd. Zij hadden de batterijen wel bij zich. [medeverdachte 3] bleek twee lagen kleding over elkaar te dragen. De bovenste laag was donker van kleur en de laag eronder was licht van kleur. Ook droeg hij doorzichtige handschoenen en een muts.

[medeverdachte 1] bleek een vuurwapen bij zich te hebben voorzien van scherpe munitie. Ook had hij handschoenen binnen handbereik. Op het vuurwapen bleek DNA van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig te zijn op meerdere plaatsen op het wapen.

In de schuur van de woning aan de [adres] werd tijdens de doorzoeking een plastic tasje gevonden met daarin een flesje met ammoniak en een flesje met benzine. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen geplakt die [medeverdachte 3] droeg bij zijn aanhouding.

3.3.2

Oordeel rechtbank voor wat betreft de voorbereiding liquidatie op [beoogd doelwit]

De rechtbank zal eerst beoordelen of [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van een moord op [beoogd doelwit] . Daarna zal de rechtbank oordelen over de rol van [verdachte] .

Beoogde doelwit [beoogd doelwit]

De rechtbank concludeert op basis van de bovengenoemde feiten en omstandigheden dat [medeverdachte 1] op zoek was naar een auto en dat zijn handelingen waren gericht op de woning op het adres [adres 1] , waar [beoogd doelwit] stond ingeschreven. [medeverdachte 1] reed in een periode van ruim een maand veelvuldig, soms op meerdere momenten op dezelfde dag, in de (omgeving van de) [adres 1] , kennelijk op zoek naar iets. Op het moment dat [medeverdachte 1] op 31 mei 2017 door de [adres 1] reed, acht minuten nadat de politie het voertuig van [beoogd doelwit] in de [adres 1] had geparkeerd, zei [medeverdachte 1] “hij staat in de rij” en vroeg hij [medeverdachte 2] diezelfde dag of hij daar wilde kijken naar ‘die kleine, net als die van mij’ waarmee hij kennelijk het voertuig van [beoogd doelwit] bedoelde, dat net als het voertuig van [medeverdachte 1] en [verdachte] een Volkswagen Polo was. De rechtbank concludeert hieruit dat [beoogd doelwit] het beoogde doelwit van [medeverdachte 1] was.

Voorbereidingsmiddelen bestemd voor liquidatie

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] werden op 1 juni 2017 in de nacht aangehouden in een gestolen BMW met valse kentekenplaten ( [kenteken] ). [medeverdachte 3] droeg op dat moment een dubbele laag kleding, handschoenen en een muts. In zijn kleding trof de politie een paar tuinhandschoenen aan. [medeverdachte 1] gaf direct aan dat hij een vuurwapen had en tussen zijn benen zag de politie een handschoen liggen. Tijdens een doorzoeking zijn in de schuur van [verdachte] een flesje benzine en een flesje ammoniak gevonden. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen die [medeverdachte 3] droeg tijdens zijn aanhouding.

De kleding die [medeverdachte 3] droeg tijdens zijn aanhouding was geschikt om tijdens het begaan van een misdrijf als moord te dragen. Donkere kleding is immers geschikt om herkenning te voorkomen en in het donker minder op te vallen. De lichtere kleding die hij daaronder droeg is geschikt om op een later moment, als de politie probeert de identiteit van de daders te achterhalen, herkenning te voorkomen of verhinderen. De plastic handschoenen en tuinhandschoenen zijn bovendien geschikt om te voorkomen dat sporen worden achtergelaten op het plaats delict. Ammoniak is geschikt omdat dit DNA-materiaal en vingerafdrukken vernietigt.

De BMW, naar algemeen bekend een snel voertuig, was geschikt om als vluchtauto te dienen, ook omdat de BMW was voorzien van een gestolen kentekenplaat. Nadat [medeverdachte 2] op 30 april 2017 in de BMW met vals kenteken [kenteken] was aangehouden, was een nieuwe vluchtauto nodig. Daarop is de BMW met vals kenteken [kenteken] in gebruik genomen. De rechtbank neemt in overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij liquidaties vaak gebruik wordt gemaakt van een gestolen auto met valse kentekenplaten die na de vlucht in brand wordt gestoken. Dat de fles benzine zich tijdens de aanhouding in de schuur van [verdachte] bevond, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders. Het is immers niet komen vast te staan dat het plan ook inhield dat de vluchtauto meteen in brand zou worden gestoken.

Ook de Volkswagen Polo is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een voorwerp dat bestemd is voor het begaan van het misdrijf. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 1 juni 2017 in de Literatuurwijk had [medeverdachte 1] een geladen wapen bij zich en handschoenen. [medeverdachte 3] droeg verschillende lagen kleding over elkaar, evenals handschoenen en een muts. Beiden hadden de batterij uit hun BlackBerry telefoon gehaald. Kennelijk hielden zij er rekening mee dat zij een liquidatiepoging zouden doen als de gelegenheid zich voordeed. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zaten in de gestolen BMW toen zij werden aangehouden. [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden [medeverdachte 3] met de Polo opgehaald in Amsterdam en vervolgens waren zij teruggereden naar Almere, waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de BMW stapten. De rechtbank concludeert uit deze omstandigheden dat de Polo ook bestemd was om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar de vluchtauto te brengen in het kader van de uitvoering van de liquidatie. De Polo diende dus niet alleen voor de voorbereiding maar ook voor het begaan van het te plegen misdrijf.

Het spreekt voor zich dat het vuurwapen en het patroonmagazijn naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd kunnen zijn tot het begaan van de voorbereiding van een misdrijf als liquidatie. Dit geldt ook voor de PGP (Pretty Good Privacy) telefoons, ook wel encrypted telefoons genoemd, die tijdens de aanhouding van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij hen zijn aangetroffen. Door deze telefoons verzonden versleutelde berichten zijn voor politie en justitie moeilijk te onderscheppen, zodat deze goed gebruikt kunnen worden om er vertrouwelijk mee te communiceren over het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank oordeelt dat deze voorwerpen samen bestemd zijn voor een moord.

De vraag is of met voldoende bepaaldheid is gebleken welk misdadig doel [medeverdachte 1] had. Voor het bewijs dat bovengenoemde voorwerpen “bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf” moeten naar het oordeel van de rechtbank ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken.

[medeverdachte 1] heeft hierover – kort gezegd – verklaard dat het om een incasso opdracht ging en dat hij een wapen had meegenomen om zichzelf te beschermen. Mogelijk zou hij het slachtoffer gijzelen of afpersen als het niet tot betaling zou komen.

In het arrest van het Hof Amsterdam van 27 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436) heeft het Hof vrijgesproken van voorbereiding van liquidatie, omdat niet voldoende was komen vast te staan dat het criminele plan van de verdachten een liquidatie was. Anders dan in de zaak die bij het Hof diende, is in deze zaak wel sprake van een concreet slachtoffer, [beoogd doelwit] .

De rechtbank wijst verder op een gesprek tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 1] , waarin [medeverdachte 2] opmerkte dat de politie de hele buurt zou uitkammen en dat alle politie naar de Literatuurwijk zou komen. Ook zei hij in dat gesprek ‘goed schoonmaken’ en ‘je gaat niet overal kunnen schoonmaken’. Verder hadden ze het over ‘timeren’. De rechtbank begrijpt dat dit het observeren van [beoogd doelwit] betekent.

In het zogenoemde ‘schutter’-gesprek met [naam 1] , waarbij ook [medeverdachte 2] aanwezig was, zei [medeverdachte 1] : “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter”.

Naar het oordeel van de rechtbank alle besproken feiten en omstandigheden erop wijzen dat [medeverdachte 1] bezig was met het voorbereiden van een liquidatie en de genoemde voorbereidingsmiddelen wilden gebruiken met die bestemming.

Dat sprake was van een incasso-opdracht, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, acht de rechtbank onaannemelijk. Zoals al overwogen droeg [medeverdachte 3] tijdens zijn aanhouding twee kledinglagen. Als het doel inderdaad was om geld op te halen of, in het uiterste geval, [beoogd doelwit] te gijzelen is nog niet in te zien waartoe het dragen van twee kledinglagen diende.

Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] een snelle vlucht voorbereidde. Dat past niet bij een gijzeling. Zo’n misdrijf vereist een geruisloze vlucht en brengt met zich mee dat dit vaak niet snel kan gebeuren. Een liquidatie daarentegen is een misdrijf dat veelal de aandacht trekt, bijvoorbeeld door het lossen van schoten. Bij zo’n misdrijf past juist wel een snelle vlucht. Ook het gebruik van een snorfiets past beter bij een snelle vlucht, en dus bij een liquidatie. Bovendien valt niet goed in te zien hoe een snorfiets onderdeel zou uitmaken van het door [medeverdachte 1] geschetste scenario. Het is immers niet gebleken hoe in dat kader uitvoering zou moeten worden gegeven aan een gijzeling en [medeverdachte 1] heeft hierover op zitting geen duidelijkheid verschaft.

Uit de periode waarin de voorbereiding plaatsvond leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] de gelegenheid had over dit voorgenomen misdrijf na te denken en rekening te houden met de gevolgen daarvan. Daarom is sprake van voorbedachte raad en dus voorbereiding van moord.

De rechtbank concludeert dat alles overwegende, op basis van alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van moord op [beoogd doelwit] . De in de genoemde middelen waren daarbij bestemd tot het begaan van de moord.

Rol [verdachte]

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of [verdachte] opzet had op het misdadige doel, de liquidatie van [beoogd doelwit] .

Op basis van de onder 3.3.1 genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] de Polo voorhanden heeft gehad. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [verdachte] deze Polo voorhanden heeft gehad met het oog op een moord. Ter beantwoording van deze vraag zal de rechtbank hieronder eerst nader ingaan op de rol van [verdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een wezenlijke rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van de liquidatie. Dit leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden.

[verdachte] reed in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 twaalf keer met [medeverdachte 1] in de Literatuurwijk, soms meerdere keren per dag en vaak ook midden in de nacht. Ook als zij naar andere bestemmingen reed en soms al op de snelweg was, nam zij de afslag naar de Literatuurwijk. Dit is een onlogische rijroute naar en vanaf haar woning. Hoewel is gebleken dat [medeverdachte 1] haar aanwijzingen gaf tijdens het rijden, was dit niet altijd het geval. Ook als op de OVC-gesprekken geen aanwijzingen van [medeverdachte 1] te horen waren, reed [verdachte] via de Literatuurwijk.

Het rijden van voorverkenningsrondjes, wat voor de uitvoering van een liquidatie verder afstaat van het plegen, is in de voorbereidingsfase van wezenlijk belang. Daarmee heeft zij actief een wezenlijke bijdrage geleverd aan de voorbereiding en kan zij als medepleger worden aangemerkt, voor zover zij opzet had op het misdadige doel van de voorbereiding.

Wetenschap [verdachte]

kende het criminele verleden van [medeverdachte 1] en wist van zijn criminele activiteiten. Uit een OVC-gesprek van 18 mei 2017 blijkt bijvoorbeeld dat zij hiervan op de hoogte was. Als [medeverdachte 1] opmerkt dat hij 200 meter verder wandelde met een Uzi en ergens is gaan schieten, moet [verdachte] daarom lachen en bemoeit zij zich met de vraag wie het geld heeft geteld dat [medeverdachte 1] in verband daarmee blijkbaar aan een ander heeft gegeven. Daarnaast was zij ervan op de hoogte dat [medeverdachte 1] was beschoten en dat hij in de gevangenis had gezeten. Ook wist zij dat hij illegaal in Nederland verbleef en dus geen legale bron van inkomsten had, terwijl hij over veel cash geld beschikte.

Hoewel de rollen van [medeverdachte 1] en [verdachte] verschilden, kan aan de hand van de inhoud van de gesprekken worden geconcludeerd dat [verdachte] in elk geval wist dat [medeverdachte 1] een crimineel doel had en zij dus ook handelde in die wetenschap. De rechtbank wijst daarbij op het volgende:

a. [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] postte in de Literatuurwijk. In de nacht van 20 op 21 mei 2017 zette zij hem af in de Cees Buddinghstraat en zei [medeverdachte 1] tegen haar “Ik ga straks lopen toch. Ik ga je melden als het koud is toch. Als het niet koud is ga ik gewoon zitten”. Op 23 mei 2017 zette [verdachte] [medeverdachte 1] af in de omgeving van de [adres 1] . Hierna werd [verdachte] gebeld door haar neef met de vraag of zij hem kon ophalen. [verdachte] gaf aan dat zij dit niet wist, omdat ze nu met [medeverdachte 1] bezig was. In het daarop volgende gesprek met [medeverdachte 1] zei [medeverdachte 1] “Ik ben hier gewoon dan moet hij even twee uurtjes wachten”. [verdachte] zei daarop dat zij hem zou zeggen dat ze hem straks zouden komen halen. Op 30 mei 2017 zette [verdachte] [medeverdachte 1] af in de Hans Lodeizenstraat, waarna [medeverdachte 1] de [adres 1] inliep. Acht minuten later stapte hij in de Volkswagen Polo.

Tijdens de ritten door de Literatuurwijk zei [verdachte] onder andere “Misschien is die auto daar rechts” en “Hij zet het ergens of hij heeft een andere auto”. Duidelijk is dat zij [medeverdachte 1] hielp zoeken naar een auto.

Op 22 mei 2017 zei [medeverdachte 1] dat hij een fiets nodig had en die in het water zou gooien, waarop [verdachte] zei “we moeten een snorfiets hebben”. Vervolgens zei [medeverdachte 1] “Ik neem het geld voor drie mensen. Een 50”. [verdachte] heeft over dit gesprek verklaard dat [medeverdachte 1] hier heeft gezegd dat als hij moe is hij zijn fiets in het water gooit en dat [verdachte] om die reden tegen hem heeft gezegd dat we een snorfiets nodig hebben. Dit zou volgens [verdachte] dus helemaal niets te maken hebben met de eventuele vlucht na de liquidatie. De rechtbank acht deze uitleg die [verdachte] aan het gesprek geeft onaannemelijk. De rechtbank kan namelijk niet begrijpen waarom een persoon zijn fiets in het water zou gooien als hij moe is van het fietsen, terwijl die persoon zijn fiets ook simpelweg kan laten staan. Bovendien kan de rechtbank de opmerking van [medeverdachte 1] , dat hij dan het geld neemt voor drie mensen, in een dergelijk verband niet plaatsen. Terwijl in het geval [medeverdachte 1] en [verdachte] over de vlucht na een liquidatie praten het goed zou kunnen dat [medeverdachte 1] heeft bedoeld dat hij de liquidatie alleen wilde gaan doen en dat hij dan voor drie personen het geld kan ontvangen.

Uit de gesprekken is ook gebleken dat [verdachte] scherp is op de mogelijke aanwezigheid van de politie. Op 8 mei 2017 zei [verdachte] “Weet je dat het achterlicht niet doet! Politie gaat je alleen stoppen als het donker is. Is een motoragent hoor”.

Vier avonden achter elkaar haalde [verdachte] samen met [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] op. Op 30 mei 2017 zei [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij dingen met [medeverdachte 3] in een tunnel moest bespreken, omdat hij niet alles in de auto kon bespreken. Diezelfde avond zei [medeverdachte 1] tegen haar “We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. Daarop zei [verdachte] “Als die witte er niet is dan kan je in zijn kamp gaan, niemand is daar”. Hieruit blijkt dat [verdachte] een actieve bijdrage leverde aan de plannen.

In de nacht van 13 op 14 mei 2017 reden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Amsterdam-Noord. Op de Achtersteven werd de Volkswagen Polo korte tijd geparkeerd en reed [verdachte] alleen terug naar Almere. Tijdens een telefoongesprek werd [verdachte] gevraagd of zij een ronde maakte, waarop zij antwoordde “Ik heb die jongen weggebracht. Effe een andere auto ophalen”.

Kort nadat [medeverdachte 2] in de gestolen BMW werd aangehouden nam [verdachte] contact op met de vader van [medeverdachte 2] en zei “Als je dingen/spullen in je huis hebt, haal het nu weg, politie heeft die jongen van jou aangehouden. Haal nu alles eruit, nu nu”.

Op 31 mei 2017 werd de auto van [beoogd doelwit] in de [adres 1] geparkeerd. Toen [medeverdachte 1] en [verdachte] kort daarna door de [adres 1] reden zei [medeverdachte 1] “ma pang pang hij staat in de rij”. De rechtbank heeft hierover al overwogen dat dit ging over de auto van [beoogd doelwit] in de [adres 1] . Diezelfde avond reden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar Rotterdam. Rond 21.20 uur reden zij naar de Borneolaan in Amsterdam en haalden [medeverdachte 3] daar weer op. [medeverdachte 1] belde [medeverdachte 2] en het volgende gesprek vond plaats:

[medeverdachte 1] : Dat ding waar we waren geweest bij dinge toch, je weet waar toch. Toen we gingen lopen toch. Ga voor me kijken noh, kijk even dan, ja toch.

[medeverdachte 2] : Wat zei je nog een keer.

[medeverdachte 1] : Je weet toen we met die kleine man ver gingen lopen toch, kijken of dat ding was toch.

[medeverdachte 2] : Die witte ding bedoel je toch?

[medeverdachte 1] : Ja toch, die kleine, net als die van mij toch.

[medeverdachte 2] : No spang geregeld.

Op de terugweg vroeg [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] of hij daar nog wil kijken en zei hij dat het te laat was om te timeren. Ook bij dit gesprek was [verdachte] aanwezig.

Het zogenoemde ‘snorfiets’-gesprek suggereert zelfs dat [verdachte] concreet op de hoogte was van het plan van [medeverdachte 1] . [verdachte] vereenzelvigde zich met [medeverdachte 1] en zijn plan door te spreken van ‘we’ en reageerde niet verbaasd toen [medeverdachte 1] zei dat hij de snorfiets in het water wilde gooien. Gelet daarop is het erg onwaarschijnlijk dat zij niet wist waarom dat zou gebeuren, en dus dat sprake was van een liquidatie. Voor zover zij niet wist dat het om een liquidatie ging, kan in ieder geval worden aangenomen dat zij wel het voorwaardelijk opzet had op het voorbereiden van een liquidatie. Op grond van de bovengenoemde omstandigheden moet het [verdachte] immers duidelijk zijn geweest dat [medeverdachte 1] van plan was een ernstig misdrijf te plegen. Zij heeft dan door zich van de domme te houden bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar actieve deelname bijdroeg aan het voorbereiden van een liquidatie.

De rechtbank concludeert dat [verdachte] de Polo samen met [medeverdachte 1] voorhanden had met het oog op de voorbereiding van een moord.

3.3.3

Vrijspraak van feit 2: medeplegen voorhanden hebben wapen en munitie

Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 respectievelijk artikel 13 Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij [verdachte] omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen of de munitie in haar woning, zodat zij van dit feit zal worden vrijgesproken. Weliswaar is DNA van [verdachte] aangetroffen op het wapen, maar gelet op de daarover opgemaakte rapporten kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat dat DNA door haar toedoen op het wapen is terechtgekomen (bijvoorbeeld door het vast te houden) en niet buiten haar om.

3.3.4

Vrijspraak van feit 3: medeplegen opzetheling voertuigen

Niet is komen vast te staan dat [verdachte] wist dat de drie voertuigen van diefstal afkomstig waren of dit redelijkerwijs had moeten vermoeden. De rechtbank zal haar vrijspreken van dit feit.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank bewijst op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen dat [verdachte]

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 te Almere en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk een personenauto (merk Volkswagen, type Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Zij is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal [verdachte] een gevangenisstraf van 5 jaren opleggen. Die gevangenisstraf is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Bij de keuze tot het opleggen van deze gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

[verdachte] is als medepleger betrokken geweest bij het voorbereiden van het plan om [beoogd doelwit] te liquideren. Met haar voorbereidingshandelingen creëerde zij omstandigheden die nodig waren voor het voltooien van de liquidatie.

De voorbereiding van de moord op [beoogd doelwit] was van een professioneel karakter. Gestolen auto’s werden voorzien van valse kentekenplaten en werden koud gezet. Met de fles benzine die in de schuur van [verdachte] – klaar voor gebruik – werd bewaard zou de vluchtauto in brand worden gestoken na het plegen van de liquidatie. Door het ingrijpen van de politie is de liquidatie van [beoogd doelwit] voorkomen.

Moord behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld.

Er lijkt een samenhang te bestaan tussen de feiten in deze zaak en de golf van geweld en liquidaties zoals die de afgelopen jaren tussen twee elkaar vijandige Amsterdamse groeperingen heeft plaatsgevonden en waarbij een mensenleven voor deze groeperingen niets of nauwelijks meer iets van waarde lijkt te zijn. Door de recente golf van liquidaties in en rond Amsterdam bestaat grote onrust in de samenleving.

Liquidaties in het criminele milieu leiden vanwege het gevaarzettend karakter van zulk handelen bovendien tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit soort feiten schokt de rechtsorde en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De maatschappelijke onrust die dit feit heeft veroorzaakt is dan ook aanzienlijk.

De rechtbank wil en kan de ogen niet sluiten voor het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikwekkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van potentieel ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt.

De rechtbank beoogt met de op te leggen straf ook bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het heeft er alle schijn van dat [verdachte] slechts een zeer lage drempel heeft hoeven te nemen voordat zij het pad insloeg dat tot dit feit heeft geleid. Dergelijk handelen rechtvaardigt alleen oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Duur gevangenisstraf

Bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat [verdachte] volgens haar strafblad niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol van [verdachte] in de voorbereiding van de liquidatie als geheel en de omstandigheid dat de rechtbank een lichtere variant van opzet, namelijk voorwaardelijk opzet, heeft aangenomen. Alles overwegende is zij van oordeel dat een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden is.

Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft in haar requisitoir verzocht om de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank merkt op dat de voorlopige hechtenis van [verdachte] is geschorst tot aan de einduitspraak. De vraag die voorligt wordt daardoor echter niet anders: moet zij vast komen te zitten gelet op het veroordelende vonnis?

Uitgangspunt voor de rechtbank is dat het uitzitten van een straf pas aan de orde is als een veroordeling onherroepelijk is. De rechtbank stelt voorop dat [verdachte] zich heeft gehouden aan de haar opgelegde voorwaarden. Nu geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht of gebleken, ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat zij moet komen vast te zitten. Daarom zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen. Dat bevel wordt afzonderlijk geminuteerd.

8 Beslag

Onder [verdachte] zijn de voorwerpen in beslag genomen die op de beslaglijst zijn genoemd. Deze beslaglijst is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De officier van justitie heeft een geldboete van € 1.250,- gevorderd voor de goederen 1 tot en met 50, omdat daarop conservatoir beslag berust. Van de voorwerpen onder 51 tot en met 54 is verbeurdverklaring gevorderd. Ten aanzien van de goederen 55 tot en met 63 heeft de officier gevorderd dat deze worden teruggegeven aan [verdachte] .

De raadsvrouw heeft verzocht het voorwerp onder 54 terug te geven aan de rechthebbende, [naam rechthebbende] .

Op de voorwerpen onder 1 tot en met 50 ligt conservatoir beslag. Voor zover op deze voorwerpen klassiek beslag rust, beslist de rechtbank dat deze dienen te worden teruggegeven aan [verdachte] . De rechtbank merkt op dat zij geen aanleiding ziet een geldboete op te leggen in verband met de waarde van deze voorwerpen, gelet op de onduidelijkheid over de herkomst en de waarde van die voorwerpen.

De voorwerpen onder 51 tot en met 53 behoren aan [verdachte] toe. Nu met behulp van die voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Voorwerp 54 betreft de Volkswagen Polo die op naam is gesteld van [naam rechthebbende] . Uit het dossier is echter op te maken dat [verdachte] die auto in bezit had en deze had gekregen van [medeverdachte 1] . De rechtbank neemt daarom aan dat de auto aan [verdachte] toebehoort. Met deze auto is feit 1 begaan. De rechtbank zal de auto dan ook verbeurd verklaren.

De voorwerpen onder 55 tot en met 63 kunnen worden teruggegeven aan [verdachte] .

9 Vordering [beoogd doelwit]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet is onderbouwd. [beoogd doelwit] is ten aanzien van die post niet-ontvankelijk. Uit het dossier is gebleken dat [beoogd doelwit] onderdeel lijkt uit te maken van de Amsterdamse onderwereldvete. Voorstelbaar is dat de voorbereiding van zijn liquidatie een gevoel van onveiligheid en stress heeft veroorzaakt. Daarom heeft de officier van justitie gevorderd de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 5.000,- en [beoogd doelwit] voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw heeft – gelet op het verzoek om vrijspraak – aangevoerd dat [beoogd doelwit] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

[beoogd doelwit] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [beoogd doelwit] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 46, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de feiten 2 en 3 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van voorbereiding van moord.

Verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van feit 1:

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd onder 51 tot en met 54 van de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van het voorwerp genoemd onder 55 tot en met 63 van de beslaglijst.

Verklaart [beoogd doelwit] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] , welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 augustus 2018.