Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5989

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
13/730030-17 (13Baudette)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar, o.a. voor het medeplegen van het voorbereiden van een liquidatie. (ook veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen en schuldheling van een gestolen BMW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730030-17 (13Baudette)

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] [woonplaats] ,

gedetineerd in Detentiecentrum [naam Detentiecentrum] .

Verdachte wordt hierna “ [verdachte] ” genoemd.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18 en 19 juli 2018 en 14 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H. Hoekstra en A. van de Venn (hierna: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en zijn raadsman mr. C.W. Flokstra naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partij [beoogd doelwit] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend.

Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van de verklaringen van de deskundigen, R. Kalikadien, N.M. Lalta en S.R. Ruissen-Soeratram, die op de terechtzitting van 17 juli 2018 zijn verschenen en de verklaring van de deskundige, K.S.W.M. Rolfast, die op de terechtzitting van 18 juli 2018 is verschenen.

2 Tenlastelegging

[verdachte] wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 17 juli 2018 – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van voorbereiding van moord of doodslag in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 in Almere en/of Amsterdam door opzettelijk diverse voorbereidingsmiddelen te verwerven en/of voorhanden te hebben, bestemd om dat misdrijf mee te plegen. Als dit niet kan worden bewezen wordt hij beschuldigd van medeplichtigheid hieraan;

2. medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie op 1 juni 2017 in Almere;

3. medeplegen van opzetheling of schuldheling in de periode van 17 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 in Amsterdam en/of Almere van twee BMW’s en een Volkswagen Caddy, alle drie voorzien van een vals kenteken.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, volgens de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging, feit 3 de zinsnede ‘dat het (een) door verkregen goed(eren) betroffen’ te worden gelezen als: ‘dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen’. Omdat sprake is van een kennelijke verschrijving zal de rechtbank de tenlastelegging verbeterd lezen. Gelet op de behandeling op zitting is [verdachte] daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3.

Het medeplegen van de voorbereiding van een liquidatie (feit 1) kan worden bewezen op grond van de volgende omstandigheden. In het onderzoek 13Baudette zijn in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 een groot aantal OVC-gesprekken opgenomen in een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] , de auto van [medeverdachte 1] . De start van de voorbereidingshandelingen heeft zich echter daarvoor, kennelijk buiten het zicht van de politie, afgespeeld. De relevante gesprekken zijn – voor zover die in de Surinaamse taal, het Sranan, zijn gevoerd – door vier verschillende tolken uitgewerkt. In de OVC-gesprekken is te horen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] spraken over ‘timeren’ en de ‘Caddy’. Zij spraken daarbij over een gezamenlijk doel. In een gesprek met [medeverdachte 3] en [naam 1] sprak [medeverdachte 2] over ‘de schutters’ (sessienummer 56). Alle onderzoeksresultaten tezamen wijzen op een gezamenlijk doel van [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] : het voorbereiden van een liquidatie. Uit de OVC-gesprekken blijkt vervolgens dat elke verdachte met hetzelfde criminele doel handelde. Het beoogde doelwit was [beoogd doelwit] (hierna: [beoogd doelwit] ). Hij is in 2012 al eens beschoten en heeft verklaard dat hij op de straat heeft gehoord dat hij op de lijst van [naam 2] staat, een grote speler in de Amsterdamse onderwereldvete.

De verdachten hebben gedurende de ten laste gelegde periode onder andere twee gestolen BMW’s en een gestolen Caddy met vervalste kentekenplaten voorhanden gehad. Deze auto’s zijn gebruikt voor de voorverkenningen en zouden worden gebruikt bij de uitvoering van de liquidatie en de vlucht daarna. In de schuur van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werden een flesje met benzine en ammoniak gevonden. Tijdens de aanhouding hadden [medeverdachte 2] en [verdachte] PGP telefoons (PGP betekent Pretty Good Privacy) en donkere kleding bij zich. Ook bij [medeverdachte 3] werd een PGP- telefoon aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen met zulke telefoons over de uitvoering van strafbare feiten communiceren, omdat de daarmee verzonden versleutelde berichten moeilijk te onderscheppen zijn.

[verdachte] droeg tijdens zijn aanhouding twee lagen kleding over elkaar, een muts en handschoenen. [medeverdachte 2] had tijdens zijn aanhouding een geladen vuurwapen bij zich.

Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt met voldoende bepaaldheid dat zij het opzet hadden om een levensdelict voor te bereiden.

[verdachte] werkte nauw samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (feit 1). Hij was betrokken bij diverse voorverkenningsrondjes, verplaatste de gestolen BMW, gaf [medeverdachte 2] aanwijzingen bij het tanken van het flesje benzine en gaf hem hiervoor een flesje en handschoenen. Het doosje van de PGP-telefoon van [verdachte] is tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] gevonden. Nu [verdachte] met [medeverdachte 2] samenwerkte en [medeverdachte 2] op 1 juni 2017 in de BMW een wapen bij zich had, kan het voorhanden hebben van dit wapen ook ten aanzien van [verdachte] – via de medeplegen constructie – worden bewezen (feit 2). Op basis van die samenwerking kan ook worden bewezen dat [verdachte] wist dat de voertuigen van diefstal afkomstig waren toen hij deze – ook via de medeplegen constructie – voorhanden had (feit 3).

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om vrijspraak van het medeplegen van voorbereiding van moord (feit 1) of medeplichtigheid daaraan. Er is geen concreet bewijs dat [verdachte] en de medeverdachten opzet hadden op moord, nu doorslaggevend bewijs voor een concrete en voorgenomen liquidatie ontbreekt. De aangetroffen goederen en de modus operandi wijzen evenmin op opzet. [verdachte] had geen betrokkenheid bij of wetenschap van de vermeende criminele plannen. Hij was niet aanwezig tijdens de gesprekken die [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in april en mei 2017 voerden.

De modus operandi die de officier van justitie heeft gepresenteerd sluit niet uit dat er een ander crimineel doel was dan moord. Het ‘schutter’-gesprek (sessienummer 56) en het ‘rijp’-gesprek (sessienummer 289) zijn relevant voor de vraag welk misdrijf werd voorbereid, maar [verdachte] nam geen deel aan die gesprekken en bovendien kan hieruit geen opzet op het voorbereiden van moord worden afgeleid. De OVC-gesprekken moeten in deze zaak met grote behoedzaamheid worden beoordeeld, omdat is gebleken dat iedereen wat anders hoort, bedoelt of interpreteert. [verdachte] was niet aanwezig bij het zogenaamde ‘uitkammen’-gesprek (sessienummer 33). De officier van justitie leidt uit het ‘schutter’-gesprek bovendien ten onrechte af dat dit gesprek wijst op het voornemen om iemand te vermoorden en dat dit in directe relatie staat tot de persoon in de [adres 2] . Het ‘rijp’-gesprek is op verschillende manieren uitgewerkt en er zijn meerdere interpretaties van het woord ‘rijp’. Daarom kan dat OVC-gesprek niet dienen tot het bewijs voor opzet bij [verdachte] en de medeverdachten op moord van [beoogd doelwit] . Onder verwijzing naar de arresten van het Hof Amsterdam van 27 februari 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:644) en 27 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436) stelt de raadsman zich op het standpunt dat de uiterlijke verschijningsvorm in combinatie met het – al dan niet voorgenomen – gebruik daarvan onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van een voorbereiding van moord te komen, omdat andere scenario’s daarbij onvoldoende kunnen worden uitgesloten. Dat [beoogd doelwit] het beoogde doelwit was staat niet vast, want de TCI-informatie is daarvoor te vaag. De verdachten hadden [beoogd doelwit] nog geen enkele keer daadwerkelijk gezien en wisten dus niet of hij er was. Daarnaast bevond het flesje benzine zich niet in de BMW, waarvan wordt aangenomen dat dit de vluchtauto was.

[verdachte] wist niet dat [medeverdachte 2] een wapen bij zich had en niet is gebleken dat hij hier beschikkingsmacht over had. Daarom staat niet vast dat hij het wapen en de munitie van [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad (feit 2) en moet hij van dit feit worden vrijgesproken.

Niet is gebleken dat [verdachte] betrokken was bij de BMW en de Caddy die in april en mei 2017 zijn gebruikt (feit 3). Daarom moet hij van deze in dit feit genoemde auto’s worden vrijgesproken. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen in bijlage II van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In de periode van 22 april 2017 tot en met 31 mei 2017 reed [medeverdachte 2] 15 keer door of in de omgeving van de [adres 2] te [plaats] . Dit was op 22 april, 29 april, twee keer op 20 mei, twee keer op 21 mei, twee keer op 22 mei, 23 mei, twee keer op 27 mei, 29 mei, twee keer op 30 mei en op 31 mei 2017.

Op het adres [adres 2] stond [beoogd doelwit] ingeschreven. Deze straat bevindt zich in de [plaats] .

Op 21 april 2017 reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de Polo) van medeverdachte [medeverdachte 1] , de vriendin van [medeverdachte 2] . Zij voerden het volgende gesprek:

[medeverdachte 2] : We gaan niet parkeren waar we die brommer gezet hebben snap je. Mogen niet lang met die waggi. Lopen wij gewoon binnendoor toch. Morgen gaan we die…busje gaan we daar zetten, ja toch? We gaan bij deze man niet in die parking lopen waar we die dingen gaan rijden toch?

[medeverdachte 3] : Ja, gaat niet open.

[medeverdachte 2] : Gaan we gewoon via die achterkant. Snap je? Rustig.

[medeverdachte 3] : Ze gaan weten dat jullie naar dingen gaan, muziekwijk. Die politiebureau ze gaan daar helemaal uitkammen. Helemaal uitkammen. Daar gaan ze helemaal uitkammen. Literatuurwijk komen alle politie ntv. Dus jullie moeten echt scherp zijn wanneer je dingen gaat zetten. Ntv. Ze gaan hem sowieso vinden. Dat weet ik 100%. In principe gaan ze sowieso vinden 100%.

[medeverdachte 2] : Als die bakkie open kon, bakkie? We gaan gewoon erin.

[medeverdachte 3] : Goed schoonmaken, ntv uitladen, ntv bewust met blote handen. Je gaat niet overal kunnen schoonmaken.

[medeverdachte 2] : Je kan geluk hebben dat er geen dinge… motorman daar is. ntv. Je kan ook ongeluk hebben dat…

[medeverdachte 3] : Het is vrijdag toch. Die skotoe, Grote Markt toch? Moeten ze een melding krijgen toch? Gaan ze van Grote Markt naar Muziekwijk, misschien, nog niet eens een minuut snap je?

[medeverdachte 3] : Motro ntv sowieso richting stad rijden. Hoe je ook het ook draait of keert. Je kunt ook naar Almere Poort gaan snap je? Sowieso moet je.

Op 22 april 2017 rond 01.07 uur reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Polo in de omgeving van de [adres 2] . Zij voerden het volgende gesprek:

[medeverdachte 2] : Zet de waggie daar op diezelfde plek van die man, ja! Je gaat meteen moeten/loesoe toch? Ja man dan gaan we die man zijn waggie neerzetten ntv… of gaat ie nog weg gaan, denk het niet.

[naam 1] : Sowieso als hij uit zou gaan zou hij sowieso allang al de deur uit zijn. Als hij uit zou gaan dan gaat hij toch niet om half twee uit!

[medeverdachte 2] : het kan man.

[…]

[medeverdachte 2] : Morgenochtend toch? Die bak… open maken toch?

[medeverdachte 3] : Kunnen we nu toch proberen?

[medeverdachte 2] : Gaan we doen ja. We gaan timeren (wachten) in dat ding, morgen. Die bak toch van die ding gaan we timeren tot hij naar buiten komt toch!

[medeverdachte 2] : Die man zegt tegen me, dat jij weet hoe je dat open moet doen. Met een schroevendraaier. Die bak.

[naam 1] : welke bak? Van die…

[medeverdachte 2] : Caddy ja.

Op 22 april 2017 rond 22.00 uur reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Polo in de Muziekwijk in Almere en zei [medeverdachte 2] op het moment dat zij bij een tankstation zonder camera’s aankwamen: “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter. Ze hebben geen camera’s hier”.

Op 25 april 2017 om 00.28 uur waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Muziekwijk in Almere. Daar voerden zij het volgende gesprek:

[naam 1] : Ik zei tegen hem over die busje, je weet toch. Gaat niet je weet toch om in die busje te gaan timeren, ik zeg maar dat gaat niet man. Ik zeg tegen hem die ding heeft volgens mij storing ofzo man. Ik zeg tegen hem van de vorige keer we hebben geen lichte aangelaten weet je toch. Ik zeg tegen hem die ding is gewoon ehh die busje is gewoon paranoia broer.

[medeverdachte 3] : Als je die sleutel uit het contact haalt en.. hoor je… ieeee irritant geluid.

[…]

[naam 1] : kentekenplaten pakken. En op internet kijken APK. Broer zeg tegen die gasten, brother, voordat ze überhaupt een kaulo sleutel kopiëren moeten ze eerst kijken naar de APK.

Op 25 april 2017 vond een observatie plaats rondom een gestolen Volkwagen Caddy met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Caddy). Om 20.02 uur voerden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] rijdend in de Polo naar de Volkswagen Caddy toe het volgende gesprek:

[naam 1] : we kunnen die busje daar weer gaan zetten maar ik zeg tegen hem stel je voor hij gaat niet aan voor die deur

[medeverdachte 2] : […] ok ok jullie komen naar me toe, even kijken of hij start. Als hij niet start…

[naam 1] : Ja ja het is wel heet je weet toch. Stel je voor hij kijkt of iemand ziet je of wat dan ook… ja dan kan je ook… een hele kale busje hij ziet die busje en daaro belt ie en dan. Eh broer ik zeg je eerlijk he als we in die busje zitten broer ik zeg eerlijk ik heb trauma’s van die gannoes bij ons te halen ze.. gewoon heel dicht bij ons in die busje

[…]

[medeverdachte 3] : Die actie…ntv…toch? Of busje gelijk branden …ntv

[naam 1] : Busje gelijk branden is eigenlijk optimaal

[medeverdachte 3] : Ok, als we gelijk kunnen branden gaan we niet met die benzine in de auto rijden, we gaan….

[…]

[medeverdachte 3] : we gaan het wegzetten waar we het gaan branden

[…]

[medeverdachte 2] : Hm hm. Ja tuurlijk….

Om 20.16 uur werd vervolgens gezien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de Polo van [medeverdachte 1] parkeerden in de Altvioolstraat. [medeverdachte 2] , [naam 1] en [medeverdachte 3] stapten uit. [naam 1] liep naar de Volkswagen Caddy, stapte in als bestuurder en reed met [medeverdachte 3] weg. [naam 1] parkeerde de Volkswagen Caddy op een parkeerplaats. [naam 1] en [medeverdachte 3] stapten uit en verrichtten handelingen aan de achterzijde van de Volkswagen Caddy ter hoogte van de kentekenplaat. [medeverdachte 2] liep ook naar de Volkswagen Caddy, keek ernaar en liep vervolgens weer weg. [medeverdachte 3] stapte vervolgens weer in en parkeerde de Volkswagen Caddy in de Altvioolstraat. [medeverdachte 2] en [naam 1] liepen vervolgens weg. [medeverdachte 2] en [naam 1] kwamen [medeverdachte 3] vervolgens lopend weer tegen, waarna zij weer samen verder liepen.

Op 29 april 2017 reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo vanaf de [adres 3] , waar [medeverdachte 1] woont, naar het zuiden van het land. De Polo maakte om 15.29 uur een rondje door de [adres 2] .

In de nacht van 13 op 14 mei 2017 reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] vanuit Almere naar Amsterdam-Noord. Op de Achtersteven werd de Polo geparkeerd. Vervolgens was te horen dat de portieren open en dicht gingen. Nadat de Polo korte tijd geparkeerd had gestaan reed deze terug naar Almere. [medeverdachte 1] zat nu alleen in de auto. In een telefoongesprek dat zij vervolgens voerde, vertelde zij dat zij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] had afgezet om een andere auto te halen.

Op 15 mei 2017 werd [medeverdachte 3] door de politie aangetroffen in een gestolen BMW met vervalste kentekenplaten met kenteken [kenteken] . Tijdens zijn aanhouding belde hij naar de telefoon van [medeverdachte 1] en kreeg hij [medeverdachte 2] te spreken, die hem adviseerde om weg te rennen.

Op 20 mei 2017 reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo. De Polo reed om 22.28 uur door de [adres 2] . Hierna reed de Polo door naar Amsterdam.

Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort in Amsterdam waren geweest reed de Polo weer terug naar Almere. Weer reed de Polo de Literatuurwijk in. Nu zette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] af in de Cees Buddinghstraat, een straat die grenst aan de [adres 2] en reed alleen naar huis. Vlak voordat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] afzette in de Cees Buddinghstraat voerden zij het volgende gesprek:

[medeverdachte 1] : Moet ik terug komen?

[medeverdachte 2] : Ik ga je melden als het koud is toch. Als het niet koud is ga ik gewoon zitten.

Op 21 mei 2017 om 01.18 uur haalde [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] weer op in de omgeving van de [adres 2] .

Om 03.37 uur reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nogmaals door de [adres 2] . Zij kwamen vanaf het centrum van Almere en reden via de [adres 2] naar de [adres 3] . De [adres 2] ligt niet op de route van het centrum naar de [adres 3] . Op het moment dat zij door de [adres 2] reden, vond het volgende gesprek plaats:

[medeverdachte 2] : (scheldt uit)

[medeverdachte 1] : Hij zet het ergens of hij heeft een andere auto

[medeverdachte 2] : Nee dan weet ik het direct

Op 22 mei 2017 reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo van Amsterdam naar Almere, waar zij om 20.57 uur door de [adres 2] reden. Rond 23.30 uur reden zij nogmaals naar de Literatuurwijk, naar de Jan Campertstraat, en stopten daar. Vlak voordat zij daar uit de Polo stapten, vond het volgende gesprek plaats:

[medeverdachte 2] : Rij binnendoor ntv kan rennen en die ding weggooien. Ik neem een klote fiets en dan ga ik mijn werk rustig doen.

[medeverdachte 1] : we moeten een snorfiets hebben.

[medeverdachte 2] : Ehe, weggooien of niet, in het water. Ik neem het geld voor drie mensen. Een 50.

Op 23 mei 2017 om 19.45 uur zette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] weer af in de omgeving van de [adres 2] . [medeverdachte 1] reed alleen weer weg.

Om 21.34 uur pikte [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] op de Herman Gorterweg weer op. De Herman Gorterweg is de toegangsweg naar de Literatuurwijk.

Op 27 mei 2017 rond 01.31 uur reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo door de [adres 2] .

Op 27 mei 2017 rond 23.25 uur reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een andere man weg vanaf [adres 3] naar de Jan Camperstraat. Hier stapte [medeverdachte 2] uit de Polo. Om 23.42 uur stapte [medeverdachte 2] weer in de Polo en zij reden weer weg.

Op 29 mei 2017 om 18.45 uur werd een gestolen BMW verplaatste van een parkeerplaats in Amsterdam-Noord naar de Prozastraat in Almere. Daar werd de BMW geparkeerd. Inmiddels was het voertuig voorzien van valse kentekenplaten met het kenteken [kenteken] . Om 23.00 uur reden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de Polo naar de Borneostraat in Amsterdam om [verdachte] op te halen. Daarna reden ze naar de J.J. Slauerhoffstraat in Almere, waar [verdachte] en [medeverdachte 2] uitstapten en [medeverdachte 1] wegreed. Op schermafbeeldingen van een camera was te zien dat op 29 mei 2017 tussen 23.31.11 uur en 23.31.13 uur twee personen, een negroïde en een blanke man, vanuit de steeg de [adres 2] inliepen. De blanke man werd herkend als [verdachte] . Om 23.34 uur stapten [verdachte] en [medeverdachte 2] in de BMW en verplaatsten deze naar de Jan Campertstraat. Om 23.42 uur bevonden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich in de Polo die in de Herman Gorterweg geparkeerd stond. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] brachten [verdachte] terug naar de Borneolaan.

Op 30 mei 2017 om 20.46 uur zette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] af op de Hans Lodeizenstraat, vlakbij de [adres 2] . Daar stapte [medeverdachte 2] uit. Hij liep de [adres 2] in. Acht minuten later stapte hij de Polo in en reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Amsterdam om [verdachte] op te halen. Tijdens deze rit zei [medeverdachte 2] “Ik ga naar die tunnel toch, kan niet alles in de auto bespreken toch. Ik ga hem halen en praten”. Hierna stapte [medeverdachte 2] uit en sprak met [verdachte] buiten de auto.

[medeverdachte 2] zei vervolgens: “We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. [verdachte] en [medeverdachte 2] reden in de Polo naar het tankstation op de Dukdalfweg. Daar zei [verdachte] tegen [medeverdachte 2] : “Hier pak handschoentje, ik ga je nog eentje geven wacht, hiero…nog eentje, dan is hier de flesje”. Na het tanken reden [medeverdachte 2] en [verdachte] terug naar de [adres 3] . Bij het parkeren gaf [verdachte] aan dat [medeverdachte 2] het tasje moest meenemen.

Om 30 mei 2017 om 23.58 uur werd de gestolen BMW door [verdachte] verplaatst naar de [adres 2] . Rond 01.42 uur, inmiddels op 31 mei 2017 kwam een persoon met de fiets via de J.J. Slauerhoffstraat door een steeg naar de woning op het adres [adres 2] [huisnummer] en is daar naar binnen gegaan. Enkele seconden later maakte de gestolen BMW een rondje door onder andere de [adres 2] en werd in die straat werd geparkeerd. Om 02.31 uur werd de gestolen BMW in de Meistraat, nabij de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geparkeerd.

Op 31 mei 2017 omstreeks 19.22 uur werd de Volkswagen Polo van [beoogd doelwit] door de politie geparkeerd in de [adres 2] . Om 19.30 uur reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de [adres 2] . Toen de Polo van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door de [adres 2] reed, was te horen dat [medeverdachte 2] zei: “Ma pang pang, hij staat in de rij”. Rond 21.20 uur reden zij naar de Borneolaan in Amsterdam en haalden [verdachte] daar weer op. [medeverdachte 2] belde [medeverdachte 3] en het volgende gesprek vond plaats:

[medeverdachte 2] : Dat ding waar we waren geweest bij dinge toch, je weet waar toch. Toen we gingen lopen toch. Ga voor me kijken noh, kijk even dan, ja toch.

[medeverdachte 3] : Wat zei je nog een keer.

[medeverdachte 2] : Je weet toen we met die kleine man ver gingen lopen toch, kijken of dat ding was toch.

[medeverdachte 3] : Die witte ding bedoel je toch?

[medeverdachte 2] : Ja toch, die kleine, net als die van mij toch.

[medeverdachte 3] : No spang geregeld.

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] reden vervolgens naar Almere. Het volgende gesprek vond plaats:

[verdachte] : Wil je daar gaan kijken nog?

[medeverdachte 2] : Ja toch, gaan kijken als die waggie nog hetzelfde dinge is, plek

[verdachte] : ja, dan? Dan gaan we die andere appen. Het is te laat om nu nog te gaan timeren.

Via de omgeving van de [adres 2] reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar de [adres 3] . [verdachte] en [medeverdachte 2] gingen naar de gestolen BMW in de Meistraat en openden de kofferbak, waarna [medeverdachte 2] uit beeld liep. [verdachte] stapte in de BMW en parkeerde een aantal plaatsen verderop. Rond 03.05 uur brachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [verdachte] in de Polo terug naar Amsterdam.

Op 1 juni 2017 om 21.50 uur reden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Amsterdam, waar [verdachte] instapte. [verdachte] had een gele plastic tas bij zich. Vervolgens kwamen [medeverdachte 2] en [verdachte] aan bij de gestolen BMW. [verdachte] stapte aan de bestuurderszijde in. [medeverdachte 2] stapte 50 meter verderop in als passagier. De gestolen BMW reed de Literatuurwijk in, waar [verdachte] en [medeverdachte 2] werden aangehouden.

[medeverdachte 2] en [verdachte] waren tijdens de aanhouding beiden in het bezit van een encrypted BlackBerry telefoon waarvan de batterij was verwijderd. Zij hadden de batterijen wel bij zich. [verdachte] bleek twee lagen kleding over elkaar te dragen. De bovenste laag was donker van kleur en de laag eronder was licht van kleur. Ook droeg hij doorzichtige handschoenen en een muts.

[medeverdachte 2] bleek een vuurwapen bij zich te hebben voorzien van scherpe munitie. Ook had hij handschoenen binnen handbereik. Op het vuurwapen bleek DNA van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aanwezig te zijn op meerdere plaatsen op het wapen.

In de schuur van de woning aan de [adres 3] werd tijdens de doorzoeking een plastic tasje gevonden met daarin een flesje met ammoniak en een flesje met benzine. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen geplakt die [verdachte] droeg bij zijn aanhouding.

3.3.2

Oordeel rechtbank voor wat betreft de voorbereiding liquidatie op [beoogd doelwit]

De rechtbank zal eerst beoordelen of [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van een moord op [beoogd doelwit] . Daarna zal de rechtbank oordelen over de rol van [verdachte] .

Beoogde doelwit [beoogd doelwit]

De rechtbank concludeert op basis van de bovengenoemde feiten en omstandigheden dat [medeverdachte 2] op zoek was naar een auto en dat zijn handelingen waren gericht op de woning op het adres [adres 2] , waar [beoogd doelwit] stond ingeschreven. [medeverdachte 2] reed in een periode van ruim een maand veelvuldig, soms op meerdere momenten op dezelfde dag, in de (omgeving van de) [adres 2] , kennelijk op zoek naar iets. Op het moment dat [medeverdachte 2] op 31 mei 2017 door de [adres 2] reed, acht minuten nadat de politie het voertuig van [beoogd doelwit] in de [adres 2] had geparkeerd, zei [medeverdachte 2] “hij staat in de rij” en vroeg hij [medeverdachte 3] diezelfde dag of hij daar wilde kijken naar ‘die kleine, net als die van mij’ waarmee hij kennelijk het voertuig van [beoogd doelwit] bedoelde, dat net als het voertuig van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een Volkswagen Polo was. De rechtbank concludeert hieruit dat [beoogd doelwit] het beoogde doelwit van [medeverdachte 2] was.

Voorbereidingsmiddelen bestemd voor liquidatie

[medeverdachte 2] en [verdachte] werden op 1 juni 2017 in de nacht aangehouden in een gestolen BMW met valse kentekenplaten ( [kenteken] ). [verdachte] droeg op dat moment een dubbele laag kleding, handschoenen en een muts. In zijn kleding trof de politie een paar tuinhandschoenen aan. [medeverdachte 2] gaf direct aan dat hij een vuurwapen had en tussen zijn benen zag de politie een handschoen liggen. Tijdens een doorzoeking zijn in de schuur van [medeverdachte 1] een flesje benzine en een flesje ammoniak gevonden. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen als [verdachte] droeg tijdens zijn aanhouding.

De kleding die [verdachte] tijdens zijn aanhouding droeg was geschikt om tijdens het begaan van een moord te dragen. Donkere kleding is immers geschikt om herkenning te voorkomen en in het donker minder op te vallen. De lichtere kleding die hij daaronder droeg was geschikt om op een later moment, als de politie probeert de identiteit van de daders te achterhalen, herkenning te voorkomen of verhinderen. De handschoenen en tuinhandschoenen zijn bovendien geschikt om te voorkomen dat sporen worden achtergelaten op de plaats delict. Ammoniak is geschikt omdat het DNA-materiaal en vingerafdrukken vernietigt.

De BMW, naar algemeen bekend een snel voertuig, was geschikt om als vluchtauto te dienen, ook omdat de BMW was voorzien van valse kentekenplaten. Nadat [medeverdachte 3] op 30 april 2017 in de BMW met vals kenteken [kenteken] was aangehouden, was een nieuwe vluchtauto nodig. Daarop is de BMW met vals kenteken [kenteken] in gebruik genomen. De rechtbank neemt in overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij liquidaties vaak gebruik wordt gemaakt van een gestolen auto met valse kentekenplaten die na de vlucht in brand wordt gestoken. Er stond een fles benzine gereed in de schuur van [medeverdachte 1] . Dat deze fles benzine zich tijdens de aanhouding niet in de BMW bevond, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders. Het is immers niet komen vast te staan dat het plan ook inhield dat de vluchtauto meteen in brand zou worden gestoken.

Ook de Volkswagen Polo is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een voorwerp dat bestemd is voor het begaan van het misdrijf. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] op 1 juni 2017 in de Literatuurwijk had [medeverdachte 2] een geladen wapen bij zich en handschoenen. [verdachte] droeg verschillende lagen kleding over elkaar, evenals handschoenen en een muts. Beiden hadden de batterij uit hun BlackBerry telefoon gehaald. Kennelijk hielden zij er rekening mee dat zij een liquidatiepoging zouden doen als de gelegenheid zich voordeed. [medeverdachte 2] en [verdachte] zaten in de gestolen BMW toen zij werden aangehouden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hadden [verdachte] met de Polo opgehaald in Amsterdam en vervolgens waren zij teruggereden naar Almere, waar [medeverdachte 2] en [verdachte] in de BMW stapten. De rechtbank concludeert uit deze omstandigheden dat de Polo ook bestemd was om [medeverdachte 2] en [verdachte] naar de vluchtauto te brengen in het kader van de uitvoering van de liquidatie. De Polo diende dus niet alleen voor de voorbereiding maar ook voor het begaan van het te plegen misdrijf.

Het spreekt voor zich dat het geladen vuurwapen naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd kan zijn tot het begaan van een liquidatie. Dit geldt ook voor de PGP (Pretty Good Privacy) telefoons die tijdens de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij hen zijn aangetroffen. Door deze telefoons verzonden versleutelde berichten zijn voor politie en justitie moeilijk te onderscheppen, zodat deze goed gebruikt kunnen worden om er vertrouwelijk mee te communiceren over het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank oordeelt dat deze voorwerpen samen bestemd zijn voor een moord.

De vraag is of met voldoende bepaaldheid is gebleken welk misdadig doel [medeverdachte 2] had. Voor het bewijs dat de bovengenoemde voorwerpen “bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf” moeten naar het oordeel van de rechtbank ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken.

[medeverdachte 2] heeft hierover – kort gezegd – verklaard dat het om een incasso-opdracht ging en dat hij een wapen had meegenomen om zichzelf te beschermen. Mogelijk zou hij het slachtoffer gijzelen of afpersen als het niet tot betaling zou komen.

In het arrest van het Hof Amsterdam van 27 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436) heeft het Hof vrijgesproken van voorbereiding van liquidatie, omdat niet voldoende was komen vast te staan dat het criminele plan van de verdachten een liquidatie was. Anders dan in de zaak die bij het Hof diende, is in deze zaak wel sprake van een concreet slachtoffer, [beoogd doelwit] .

De rechtbank wijst verder op een gesprek tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [naam 1] , waarin [medeverdachte 3] opmerkte dat de politie de hele buurt zou uitkammen en dat alle politie naar de Literatuurwijk zou komen. Ook zei hij in dat gesprek ‘goed schoonmaken’ en ‘je gaat niet overal kunnen schoonmaken’. Verder hadden ze het over ‘timeren’. De rechtbank begrijpt dat dit het observeren van [beoogd doelwit] betekent.

In het zogenoemde ‘schutter’-gesprek met [naam 1] , waarbij ook [medeverdachte 3] aanwezig was, zei [medeverdachte 2] : “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter”.

Naar het oordeel van de rechtbank wijzen alle besproken feiten en omstandigheden erop dat [medeverdachte 2] bezig was met het voorbereiden van een liquidatie en de genoemde voorbereidingsmiddelen wilde gebruiken met die bestemming.

Dat sprake was van een incasso-opdracht, zoals [medeverdachte 2] heeft verklaard, acht de rechtbank onaannemelijk. Zoals al overwogen droeg [verdachte] tijdens zijn aanhouding twee kledinglagen. Als het doel inderdaad was om geld op te halen of, in het uiterste geval, [beoogd doelwit] te gijzelen is nog niet in te zien waarvoor het dragen van twee kledinglagen diende.

Verder is gebleken dat [medeverdachte 2] en de medeverdachten een snelle vlucht voorbereidden. Dat past niet bij een gijzeling. Zo’n misdrijf vereist een geruisloze vlucht en brengt met zich mee dat dit in het algemeen niet snel kan gebeuren. Een liquidatie daarentegen is een misdrijf dat veelal de aandacht trekt, bijvoorbeeld door het lossen van schoten. Bij zo’n misdrijf past juist wel een snelle vlucht. Ook het gebruik van een snorfiets past beter bij een snelle vlucht, en dus bij een liquidatie. Bovendien valt niet goed in te zien hoe een snorfiets onderdeel zou uitmaken van het scenario van [medeverdachte 2] . Het is immers niet gebleken hoe in dat kader uitvoering zou moeten worden gegeven aan een gijzeling. Hoewel [medeverdachte 2] hierover wel is bevraagd, heeft hij hierover op zitting geen duidelijkheid verschaft.

Uit de periode waarin de voorbereiding plaatsvond leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] de gelegenheid had over dit voorgenomen misdrijf na te denken en rekening te houden met de gevolgen daarvan. Daarom is sprake van voorbedachte raad en dus voorbereiding van moord.

De rechtbank concludeert dat alles overwegende, op basis van alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van moord op [beoogd doelwit] . De genoemde middelen waren daarbij bestemd tot het begaan van de moord.

Rol [verdachte]

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of [verdachte] opzet had op het misdadige doel, de liquidatie van [beoogd doelwit] .

Op basis van de onder 3.3.1 genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] de gestolen BMW met het valse kenteken [kenteken] , het geladen vuurwapen, encrypted telefoons, een flesje met daarin een hoeveelheid benzine, lagen kleding en plastic- en tuinhandschoenen voorhanden heeft gehad. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of ook [verdachte] deze middelen voorhanden heeft gehad met het oog op een moord Ter beantwoording van deze vraag zal de rechtbank hieronder eerst nader ingaan op de rol van [verdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van de liquidatie in de dagen voorafgaand aan de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Dit leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden.

[verdachte] werd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vier avonden achter elkaar vanuit Almere opgehaald in Amsterdam, waarna zij met zijn drieën naar Almere reden. [verdachte] werd iedere keer ook weer door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] teruggebracht naar Amsterdam.

Op 29 mei 2017 werden [verdachte] en [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] afgezet in de J.J. Slauerhoffstraat. Op schermafbeeldingen van een camera was te zien dat [verdachte] met een negroïde man, die [medeverdachte 2] geweest moet zijn, vervolgens vanuit een steeg de [adres 2] inliep. Vervolgens werd door een observatieteam gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 2] in de gestolen BMW stapten en deze naar de Jan Campertstraat verplaatsten. Vervolgens brachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [verdachte] weer in de Polo terug naar Amsterdam. Hier is [verdachte] langs of heeft [verdachte] in de buurt van de woning van [beoogd doelwit] gelopen.

Op 30 mei 2017 reden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opnieuw naar Amsterdam om [verdachte] op te halen en zei [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] dat hij dingen met [verdachte] in een tunnel moest bespreken die hij niet in de auto kon bespreken. [medeverdachte 2] zei vervolgens tegen [medeverdachte 1] : “We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. Diezelfde avond reden [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het tankstation op de Dukdalfweg. [verdachte] zei: “Hier pak handschoentje, ik ga je nog eentje geven wacht, hiero…nog eentje, dan is hier de flesje”. Na het tanken reden [verdachte] en [medeverdachte 2] terug naar de [adres 3] en instrueerde [verdachte] [medeverdachte 2] dat hij het tasje moest meenemen.

Om 23.58 uur verplaatste [verdachte] de BMW naar de [adres 2] . Rond 01.42 uur, inmiddels op 31 mei 2017, maakte hij een rondje met de BMW een paar seconden nadat de bewoner van de woning op huisnummer [huisnummer] , de woning naast [beoogd doelwit] , was thuisgekomen. Op diezelfde dag werd de auto van [beoogd doelwit] door de politie in de [adres 2] geparkeerd. Toen [medeverdachte 2] kort daarna door de [adres 2] reed, zei hij “ma pang pang hij staat in de rij”. De rechtbank heeft hierover overwogen dat dit ging over de auto van [beoogd doelwit] in de [adres 2] . Diezelfde avond reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar Rotterdam. Op de terugweg vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 2] of hij daar nog wilde kijken en zei [verdachte] : “Het is toch te laat nu om te timeren. Gaan we morgen gewoon timeren toch?”. Ook zei [verdachte] tijdens de rit van Rotterdam naar Amsterdam “Het is weer die bus. Van daar verderop al man, ik vertrouw dat soort busjes niet. Ik ben een keer gevolgd door zo’n busje. Kan een busje van het ot zijn, man”.

Later die avond werden [verdachte] en [medeverdachte 2] samen aangehouden in de gestolen BMW, die op dat moment door [verdachte] werd bestuurd en waarvan hij de sleutel tot zijn beschikking had. Zij waren in het bezit van PGP-telefoons waarvan de batterij was verwijderd. De batterijen hadden ze wel bij zich. [verdachte] droeg handschoenen, een muts en twee lagen kleding over elkaar.

Wetenschap [verdachte] van de voorbereiding van een moord

Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat [medeverdachte 2] als doel had om [beoogd doelwit] om het leven te brengen. Uit bovenstaande volgt dat [verdachte] een actieve deelname had in die voorbereiding. Daarom moet hij hebben geweten van dit doel van [medeverdachte 2] , althans heeft hij – door niet door te vragen op het doel van de handelingen – in elk geval voor lief genomen dat [medeverdachte 2] een ernstig delict ging plegen, zoals moord. [verdachte] vervulde een cruciale rol in de voorbereiding van de liquidatie en werkte daarbij nauw samen met [medeverdachte 2] . Dit betekent dat [verdachte] de middelen samen met [medeverdachte 2] voorhanden had met het oog op de voorbereiding een moord. Gezien de rol die [verdachte] in de voorbereiding heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat hij in voorwaardelijke zin opzet had op het voorbereiden van een liquidatie op een persoon die in de [plaats] verbleef. Hij wist immers dat het doelwit van [medeverdachte 2] een persoon was die in de [adres 2] op nummer [huisnummer] woonde. Met zijn rol aanvaardde [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans dat zijn actieve deelname bijdroeg aan het voorbereiden van een liquidatie.

Het door [verdachte] naar voren gebrachte alternatieve scenario komt erop neer dat hij de BMW waarin hij is aangehouden enkel voor [medeverdachte 2] moest verplaatsen en dat hij daar een vergoeding tussen de € 500,- en € 1.000,- voor zou krijgen. Verder heeft [verdachte] op de zitting verklaard dat hij niets wist van de voorbereiding van een liquidatie en heeft hij ontkend zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij op de dag van aanhouding samen met [medeverdachte 2] ging kijken of er een bepaald persoon thuis was. [medeverdachte 2] had wel gezegd dat er geld gehaald moest worden, maar daar zou hij niet in detail op hebben doorgevraagd.

De rechtbank acht dit scenario onaannemelijk. Zij kan niet inzien waarom [verdachte] vier keer uit Amsterdam werd opgehaald en weer werd teruggebracht om daarbij voor een bedrag tussen de € 500,- en € 1000,- een gestolen auto te verplaatsen in het kader van een incasso-opdracht. Bovendien reden [medeverdachte 2] en [verdachte] samen naar een tankstation en gaf [verdachte] aanwijzingen aan [medeverdachte 2] en gaf hij hem een handschoenen en een flesje (naar de rechtbank aanneemt: met benzine) aan. Tevens instrueert hij [medeverdachte 2] om een tasje mee te nemen. Ook dit past niet bij het door hem geschetste scenario.

Het door [verdachte] geschetste scenario is daarom onaannemelijk. Dit wordt nog eens bevestigd door de dubbele laag kleding, handschoenen, muts die [verdachte] tijdens zijn aanhouding droeg en de PGP-telefoon en losse batterij die hij toen bij zich had, als ook door het feit dat hij de beschikkingsmacht had over de gestolen BMW waarin ze zaten. [verdachte] had namelijk de sleutel van deze BMW.

3.3.3.

Oordeel over feit 2: medeplegen voorhanden hebben wapen en munitie

Ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] op 1 juni 2017 in de Literatuurwijk had [medeverdachte 2] een geladen wapen bij zich en handschoenen. [verdachte] droeg verschillende lagen kleding over elkaar, evenals handschoenen en een muts. Beiden hadden de batterij uit hun BlackBerry telefoon gehaald. Kennelijk hielden zij er rekening mee dat zij een liquidatiepoging zouden doen als de gelegenheid zich voordeed. Daaruit volgt dat ook [verdachte] als medepleger verantwoordelijk is voor het wapen waar [medeverdachte 2] over beschikte.

3.3.4

Vrijspraak van feit 3: medeplegen heling voertuigen

Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Volkswagen Caddy en de BMW met het valse kenteken [kenteken] van diefstal afkomstig waren. De rechtbank spreekt hem daarom vrij van heling van deze voertuigen.

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan schuldheling van de BMW met het valse kenteken [kenteken] . [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij een vermoeden had dat de BMW was gestolen. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat bij het plegen van ernstige misdrijven vaak snelle auto’s worden gestolen die vervolgens als vluchtauto dienen. [verdachte] had daarom redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze BMW gestolen was. De rechtbank acht schuldheling bewezen.

4 Bewezenverklaringen

De rechtbank bewijst op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen dat [verdachte]

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 29 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 te Almere en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

- een vuurwapen, te weten een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm luger)) en

- een patroonmagazijn met daarin 10 patronen (model volmantel rondneus, kaliber 9 mm luger (synoniem 9x19 mm) en

- een personenauto’s van het merk BMW, type 5er, Reihe 530i (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en

- encrypted telefoons (merk: Blackberry) en

- een flesje met daarin benzine en

- lagen kleding over elkaar en

- plastic en tuin handschoenen en

- een muts,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf;

ten aanzien van feit 2:

op 1 juni 2017 in Almere tezamen en in vereniging met een ander een wapen en munitie te weten

‐ een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm luger)) en

‐ een patroonmagazijn (met daarin een of meer (10) patronen (model volmantel rondneus, kaliber 9 mm luger (synoniem 9x19 mm)) van categorie III voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 29 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 te Amsterdam en Almere, tezamen en in vereniging met een ander een auto van het merk BMW, type 5er, Reihe 530i (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal [verdachte] een gevangenisstraf van 7 jaren opleggen. Die gevangenisstraf is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Bij de keuze tot het opleggen van deze gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

[verdachte] is als medepleger betrokken geweest bij het voorbereiden van het plan om [beoogd doelwit] te liquideren. Met zijn voorbereidingshandelingen creëerde hij alle omstandigheden die nodig waren voor het voltooien van de liquidatie. Uit het dossier blijkt dat de betrokkenheid van [verdachte] zich uitstrekte tot enkele dagen, maar de rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 2] samenwerkten en ook het aandeel van [medeverdachte 2] kan [verdachte] daarom worden toegerekend.

De voorbereiding van de moord op [beoogd doelwit] was van een professioneel karakter. Gestolen auto’s werden voorzien van valse kentekenplaten en werden koud gezet. Met de fles benzine die in de schuur van [medeverdachte 1] – klaar voor gebruik – werd bewaard zou de vluchtauto in brand worden gestoken na het plegen van de liquidatie. [verdachte] droeg ten tijde van zijn aanhouding verschillende lagen kleding over elkaar, kennelijk om herkenning te bemoeilijken. Door het ingrijpen van de politie is de liquidatie van [beoogd doelwit] voorkomen.

Moord behoort tot de ernstigste feiten in onze strafwetgeving.

Er lijkt een samenhang te bestaan tussen de feiten in deze zaak en de golf van geweld en liquidaties zoals die de afgelopen jaren tussen twee elkaar vijandige Amsterdamse groeperingen heeft plaatsgevonden en waarbij een mensenleven voor deze groeperingen geen enkele waarde lijkt te hebben. Door de recente golf van liquidaties bestaat grote onrust in de samenleving.

Liquidaties in het criminele milieu leiden vanwege het gevaarzettend karakter van zulk handelen bovendien tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit soort feiten schokt de rechtsorde en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank wil en kan de ogen niet sluiten voor het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van stafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikwekkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van potentieel ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt.

De rechtbank beoogt met de op te leggen straf ook bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het heeft er alle schijn van dat [verdachte] slechts een zeer lage drempel heeft hoeven te nemen voordat hij het pad insloeg dat tot dit feit heeft geleid. Dergelijk handelen rechtvaardigt alleen oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Duur gevangenisstraf

Bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat [verdachte] in de afgelopen jaren is veroordeeld voor wapenbezit en openlijk geweld en dat hij in 2009 tot zeven jaar gevangenisstraf is veroordeeld in verband met onder meer gijzeling. Ook heeft zij rekening gehouden met de rol van [verdachte] in de voorbereiding van de liquidatie als geheel, die in tijd en handelingen beperkt is. Daarnaast speelt mee dat de rechtbank bij [verdachte] een lichtere variant van opzet, namelijk voorwaardelijk opzet, heeft aangenomen. Alles overwegende is zij van oordeel dat een gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden is.

8 Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Kleding tijdens aanhouding, goednummer: 5396645;

2. 1.00 STK Tas met donkere kledingstukken incl. biv, goednummer: 5396645.

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van de voorwerpen gevorderd.

De raadsman heeft teruggave van de goederen aan [verdachte] verzocht.

De voorwerpen behoren aan [verdachte] toe. Nu met behulp van die voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

9 Vordering [beoogd doelwit]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet is onderbouwd. [beoogd doelwit] is ten aanzien van die post niet-ontvankelijk. Uit het dossier is gebleken dat [beoogd doelwit] onderdeel lijkt uit te maken van de Amsterdamse onderwereldvete. Voorstelbaar is dat de voorbereiding van zijn liquidatie een gevoel van onveiligheid en stress heeft veroorzaakt. Daarom heeft de officier van justitie gevorderd de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 5.000,- en [beoogd doelwit] voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat [beoogd doelwit] daarom niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

[beoogd doelwit] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering niet concreet is onderbouwd en het toelaten van nadere onderbouwing of bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [beoogd doelwit] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 46, 57, 63, 289 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van voorbereiding van moord;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van schuldheling.

Verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd onder 1 en 2 van de beslaglijst.

Verklaart [beoogd doelwit] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 augustus 2018.