Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5982

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
13/728106-17 (13Geep) + 13/728028-17 (13Baudette)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar, o.a.voor het medeplegen van moord en het medeplegen van het voorbereiden van een liquidatie. (ook poging doodslag van een trambestuurster en –reiziger, bedreiging met een wapen, wapenbezit en heling van auto’s).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/728106-17 (13Geep) + 13/728028-17 (13Baudette)

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats] .

Verdachte wordt hierna “ [verdachte] ” genoemd

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18 en 20 juli 2018 en 14 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H. Hoekstra en A. van de Venn (hierna: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en zijn raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers naar voren hebben gebracht.

In de zaak 13Geep heeft de benadeelde partij [nabestaande 1] een vordering tot schadevergoeding ingediend. Ter terechtzitting is die vordering toegelicht door zijn advocaat, mr. E. Huls. Ook hebben de nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] (deels via mr. Huls) gebruik gemaakt van het spreekrecht.

In de zaak 13Baudette heeft de benadeelde partij [benadeelde partij ] een vordering tot schadevergoeding ingediend.

Tot slot heeft de rechtbank in de zaak 13Baudette kennis genomen van de verklaringen van de deskundigen, R. Kalikadien, N.M. Lalta en S.R. Ruissen-Soeratram, die op de terechtzitting van 17 juli 2018 zijn verschenen en de verklaring van de deskundige, K.S.W.M. Rolfast, die op de terechtzitting van 18 juli 2018 is verschenen.

2 Tenlasteleggingen

13Geep

[verdachte] wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich op 13 mei 2015 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van moord of doodslag van [slachtoffer] ;

2. medeplegen van een poging tot moord of poging tot doodslag van [naam 1] en/of [naam 2] en/of één of meer andere personen (zich bevindende in een tram op het kruispunt van de Bilderdijkstraat en de De Clercqstraat);

3. medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie;

4. medeplegen van bedreiging van [naam 3] en [naam 4] .

13Baudette

[verdachte] wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van voorbereiding van moord of doodslag in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 in Almere en/of Amsterdam door opzettelijk diverse voorbereidingsmiddelen te verwerven en/of voorhanden te hebben, bestemd om dat misdrijf mee te plegen;

2. medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie op 1 juni 2017 in Almere;

3. medeplegen van opzetheling of schuldheling in de periode van 17 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 in Amsterdam en/of Almere van twee BMW’s en een Volkswagen Caddy, alledrie voorzien van een vals kenteken.

De tekst van de gehele tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, volgens de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging, feit 3 de zinsnede ‘dat het (een) door verkregen goed(eren) betroffen’ te worden gelezen als: ‘dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen’. Omdat sprake is van een kennelijke verschrijving zal de rechtbank de tenlastelegging verbeterd lezen. Gelet op de behandeling op zitting is [verdachte] daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs in 13Geep

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Dat [verdachte] de man met het aanvalsgeweer was, kan worden bewezen op grond van de getuigenverklaringen van [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] , de verklaring van [verdachte] dat hij in de shishalounge een doorschot heeft opgelopen waarbij de kogel via zijn buik door zijn rug ging of andersom, de hoogte van de beschadiging door de kogel in het deurkozijn in de shishalounge en het DNA van [verdachte] dat op de kogelpunt in de shishalounge is aangetroffen. Hieruit volgt ook dat het [verdachte] was die met een aanvalsgeweer in de De Clercqstraat heeft geschoten, waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is doodgeschoten en een tram is geraakt. [verdachte] en zijn handlanger hadden ruim van tevoren het criminele doel om [naam doelwit] (hierna: [naam doelwit] ) in de shishalounge te liquideren. Dat uiteindelijk [slachtoffer] het slachtoffer is geworden staat niet in de weg aan het aannemen van de voorbedachte raad. Bovendien werkte [verdachte] nauw en bewust samen met zijn handlanger. Dit levert medeplegen op. Op grond hiervan kan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] (feit 1) en het medeplegen van de poging tot moord van de inzittenden in de tram, waaronder [naam 2] en [naam 1] (feit 2), worden bewezen. Het alternatieve scenario dat door de verdediging is aangevoerd is op geen enkele manier onderbouwd en biedt geen uitleg voor de vele belastende onderzoeksresultaten. Het medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en een automatisch wapen en bijbehorende munitie (feit 3) kan op grond van het voorgaande eveneens worden bewezen. Tot slot kan grond van de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] het medeplegen van bedreiging (feit 4) worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1, 2 en 3. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] in de shishalounge was voor een incasso-opdracht. De opzet van [verdachte] was om druk te zetten om geld op te halen (feiten 1 en 2). De stelling van het Openbaar Ministerie dat het de bedoeling was iemand te liquideren is onvoldoende onderbouwd, zeker voor zover is gesteld dat het beoogde doelwit [naam doelwit] was. [verdachte] had een wapen om hiermee te dreigen en om zichzelf in het uiterste geval te beschermen. In de shishalounge werd hij door een kogel geraakt. Daarna is hij naar buiten gelopen. [verdachte] heeft van meet af aan ontkend dat hij een aanvalsgeweer heeft gebruikt. Niet hij, maar zijn handlanger hanteerde een aanvalsgeweer en is verantwoordelijk voor het vuurwapengeweld op straat. Dit wordt niet door de bewijsmiddelen weerlegd. Uit een van de 112-meldingen volgt dat de man met het grote wapen een helm droeg en dat onder die helm rastahaar vandaan kwam. Uit de verklaringen van [naam 9] , [naam 6] en van [naam 10] volgt dat de man met het grote wapen een ongewoon lange man was en duidelijk langer was dan de man op de scooter. Dit komt overeen met de verklaring van [verdachte] dat hij de scooter bestuurde, dat zijn handlanger rastahaar had en een stuk langer was dan hij. De verklaringen van [naam 3] zijn onbetrouwbaar. Hij verklaarde zeker te weten dat de man met het aanvalsgeweer van buiten werd beschoten. Die verklaring is door het onderzoek naar de schotbanen weerlegd. Daaruit is immers gebleken dat het schot uit de richting van de gokkasten moet zijn gekomen waar [naam 3] stond.

Van medeplegen is geen sprake. De bedoeling van het meebrengen van de wapens was alleen om druk te zetten bij de incasso. Uit het dossier is niet gebleken dat er afspraken waren of instemming was tussen [verdachte] en zijn handlanger om wapens af te vuren. Ook de handlanger was niet van plan te schieten, maar werd hiertoe bewogen, doordat hij door derden van binnen of buiten de lounge werd beschoten.

Het is niet vast te stellen of het handvuurwapen dat [verdachte] bij zich droeg geladen was (feit 3), want hij heeft hiermee niet geschoten. Daarom moet hij van dit feit worden vrijgesproken.

[verdachte] heeft bekend dat hij mensen in de shishalounge heeft bedreigd (feit 4). De raadsman refereert zich wat dit feit betreft aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen in bijlage II van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 13 mei 2015 kwamen twee mannen op een scooter aan bij ‘ [naam shisha lounge] ’, een shishalounge aan de [adres] in [plaats] . De twee mannen liepen naar binnen. Één van hen liep met een handvuurwapen de zaak in. De andere man bleef bij de deur staan met een aanvalsgeweer. In de shishalounge viel een schot, waarbij de man met het aanvalsgeweer werd geraakt en viel. De man met het aanvalsgeweer kroop naar buiten, de De Clercqstraat in. Aldaar schoot hij over de straat. [slachtoffer] reed op dat moment langs en stopte vlak voorbij de shishalounge met zijn auto voor het stoplicht. Hij stapte uit zijn auto. De man met het aanvalsgeweer schoot op [slachtoffer] . Op het moment dat [slachtoffer] viel, naderde de man met het aanvalsgeweer hem, terwijl hij op [slachtoffer] bleef schieten. De man met het aanvalsgeweer rende vervolgens terug in de richting van de shishalounge en stapte daar achterop een scooter met bestuurder (de man met het handvuurwapen), die vervolgens wegreed in de richting van de Admiraal de Ruijterweg. [slachtoffer] is vier maal door kogels geraakt en is ter plaatse overleden aan zijn verwondingen.

Op het moment dat op [slachtoffer] werd geschoten reed een tram over de kruising Bilderdijkstraat - De Clercqstraat. In de tram werden later kogelgaten aangetroffen.

Tijdens onderzoek in de shishalounge werd een schotbeschadiging in de deurpost gezien op een hoogte van 129,5 centimeter gemeten vanaf de drempel. In de hal van de shishalounge werd een kogelpunt aangetroffen, met daarop het DNA van [verdachte] . Het projectiel is vanuit de shishalounge afgevuurd.

Verder staat vast dat [verdachte] tijdens de schietpartij in zijn buik of rug is geraakt door een kogel. Op het moment dat hij werd geraakt bevond [verdachte] zich in de buurt van de in- en uitgang van de shishalounge.

3.3.2

Wie is de man met het aanvalsgeweer?

De rechtbank stelt vast dat de man die met het aanvalsgeweer in de shishalounge stond dezelfde persoon is die in de De Clercqstraat [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Zij zal daarom allereerst ingaan op de vraag wie de man met het aanvalsgeweer is.

Scenario [verdachte]

heeft verklaard dat hij op 13 mei 2015 samen met een ander op een scooter naar de shishalounge is gegaan voor een incasso-opdracht. Daar was hij namens zijn opdrachtgever op zoek naar het doelwit van de incasso-opdracht dat hij – volgens de opdracht – tot betaling moest dwingen. [verdachte] liep met een handvuurwapen langs de tafels op zoek naar het doelwit, maar kon hem niet vinden. Ondertussen stond zijn handlanger met een aanvalsgeweer in de shishalounge. Op een gegeven moment hoorde [verdachte] een knal, waarna hij wegliep. Bij de ingang hoorde hij nog twee of drie knallen en werd hij door een kogel geraakt. Hij hield hieraan een doorschot over van zijn buik tot zijn rug, maar hij weet niet aan welke kant de kogel naar binnen is gegaan. Hij liep naar de scooter, waarna zijn handlanger achterop de scooter sprong en zij samen wegreden. Toen [verdachte] zijn handlanger later sprak, bleek de handlanger ook gewond te zijn geraakt in de shishalounge. De handlanger dacht dat iemand hem van buiten had beschoten, was de De Clercqstraat ingelopen en had daar iemand neergeschoten.

Vaststellingen rechtbank

Getuige [naam 3] heeft verklaard dat de man met het aanvalsgeweer bij de deur stond, “handen omhoog” riep en later gewond raakte. Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van [naam 3] onbetrouwbaar zijn, omdat [naam 3] mogelijk heeft gelogen over de plek waar het schot vandaan kwam dat op de man met het aanvalsgeweer is gelost. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [naam 3] dat een man met een aanvalsgeweer bij de deuropening van de shishalounge stond door andere getuigen wordt bevestigd. Bovendien wordt de verklaring van [naam 3] op dit punt ook ondersteund door [verdachte] , die heeft verklaard dat hij bij de in- en uitgang van de shishalounge geraakt is door een kogel en “handen omhoog” heeft geroepen. Hoewel [naam 3] verklaring dat vanaf buiten op de man met het aanvalsgeweer is geschoten onjuist is, betekent dat nog niet dat zijn verklaring op overige punten als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. Ook [verdachte] zelf wist niet of hij van binnen of van buiten werd beschoten. Bovendien kan de rechtbank niet inzien welk belang [naam 3] zou hebben bij het geven van onjuiste informatie over de daders.

[naam 3] heeft verder verklaard dat hij de man met het aanvalsgeweer met een Surinaams/Antilliaans accent hoorde praten. Ook heeft hij verklaard dat hij hem goed van voren heeft gezien en dat hij hem kan omschrijven als een man met een Surinaams/Antilliaans uiterlijk, een zeer donkere huidskleur en een ringbaardje. [verdachte] zegt zich niet meer te kunnen herinneren of hij op de dag van de schietpartij een ringbaard had, maar uit een proces-verbaal blijkt dat [verdachte] op 30 mei 2015, zestien dagen na de schietpartij, in ieder geval wel een sik of baard had. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in beginsel in het door [naam 3] opgegeven signalement past.

[verdachte] heeft verklaard dat hij in de shishalounge door een kogel is geraakt, maar niet weet aan welke kant de kogel naar binnen ging. Uit letselonderzoek aan het lichaam van [verdachte] is gebleken dat hij littekens heeft op zijn buik en rug. Het litteken op zijn buik bevindt zich op een hoogte van circa 114 centimeter vanaf de vloer. Het litteken op zijn rug bevindt zich op een hoogte van circa 124 centimeter van de vloer. Gezien de hoogtes van de verschillende verwondingen acht de rechtbank het aannemelijk dat de kogel eerst door de buik van [verdachte] is gegaan, om vervolgens de deurpost van de shishalounge te raken. In de deurpost van de shishalounge is de schotbeschadiging immers aangetroffen op een hoogte van 129,5 centimeter, gemeten vanaf de drempel. Op de vloer van de hal van de shishalounge is de kogelpunt aangetroffen met daarop DNA-materiaal dat matcht met [verdachte] . Bovendien verklaart [verdachte] dat hij geraakt is op het moment dat hij zich in de buurt van de in- en uitgang van de shishalounge bevond. Gezien de hoogte van de schotbeschadiging in de deurpost, de hoogte van de littekens van [verdachte] , de verklaring van [naam 3] dat de man met het aanvalsgeweer bij de deur stond en gewond was geraakt en gelet op het feit dat [verdachte] op die plek geraakt is door een kogel, oordeelt de rechtbank dat [verdachte] de man moet zijn geweest die met het aanvalsgeweer bij de deur stond.

In het dossier heeft de rechtbank ook geen concrete aanwijzingen kunnen vinden dat [verdachte] de man met het handvuurwapen was, zoals hij zegt. Alleen [verdachte] zelf heeft verklaard dat beide gewapende mannen in de shishalounge gewond zijn geraakt. Geen enkele getuige heeft verklaard dat ook de tweede man gewond is geraakt. Ook heeft [verdachte] verklaard dat de man met het aanvalsgeweer niet wist of hij vanuit de shishalounge of van buiten af werd beschoten. Dit past bij de verklaring van [verdachte] dat hij niet wist of hij in zijn buik of in zijn rug is geraakt. Bovendien past dit bij hetgeen zich bij de shishalounge heeft afgespeeld en geeft dit een verklaring voor de gepleegde feiten. Immers als de man met het aanvalsgeweer dacht dat het schot mogelijk van buiten kwam en daarbij het slachtoffer [slachtoffer] aanzag voor de mogelijke schutter, kan dat verklaren waarom de man met het aanvalsgeweer zo gericht op [slachtoffer] is gaan schieten.

Al met al acht de rechtbank daarom het alternatieve scenario van [verdachte] , dat hij niet de man met het aanvalsgeweer maar juist de man met het handvuurwapen was, onaannemelijk.

3.3.3

Oordeel over feit 1: medeplegen moord/doodslag [slachtoffer]

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van moord moet komen vast te staan dat er sprake is van:

  • -

    opzet op de dood;

  • -

    voorbedachte raad;

  • -

    medeplegen.

Had [verdachte] opzet op de dood van [slachtoffer] ?

[verdachte] heeft [slachtoffer] vanaf een afstand met een aanvalsgeweer beschoten, waarna deze op de grond neerviel. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag, liep [verdachte] – zoals ook op de beelden is te zien – op hem af en loste van dichtbij meerdere schoten op hem. De rechtbank oordeelt dat [verdachte] daarmee geen andere bedoeling kan hebben gehad dan de dood van [slachtoffer] te verzekeren. Hij heeft dus opzet gehad op de dood van [slachtoffer] .

Was er sprake van voorbedachte raad?

Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad (en dus van moord) moet komen vast te staan dat [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. [verdachte] moet de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is van voorbedachte raad heeft de rechtbank rekening gehouden met het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:581, NJ 2017/581). Hierin is het volgende overwogen:

Naar het oordeel van het hof kan uit deze feitelijke omstandigheden worden afgeleid dat in het kader van de voorbereiding van de actie niet alleen is nagedacht over het ontvoeren van de persoon die het doel was van de actie, maar dat ook rekening is gehouden met het gebruik van vuurwapens en dat derhalve sprake is geweest van gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van het gebruik van vuurwapens en zich daarvan rekenschap te geven. Dat levensberoving niet in eerste instantie het doel van de actie zou zijn geweest staat, anders dan de kennelijke opvatting van de verdediging, naar het oordeel van het hof niet in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad, nu immers de groep bewapend voor de woonwagen is gaan staan en er derhalve vanuit gegaan kan worden dat rekening is gehouden met het gebruik van die vuurwapens.

(…)

Voorts geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte en zijn medeverdachten de bewezenverklaarde (poging tot) opzettelijke levensberoving met voorbedachte raad hebben begaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het, in het licht van de feiten en omstandigheden die het Hof omtrent de toedracht heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de overwegingen van het Hof tot uitdrukking is gebracht dat (ook) de verdachte vanaf de gezamenlijke voorbereidingen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het besluit om gebruik te maken van vuurwapens bij de actie op (de bewoner(s) van) de woonwagen en dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit kan volgen dat de verdachte niet in overeenstemming met dat besluit is blijven handelen of anderszins kenbaar van dat genomen besluit afstand heeft genomen”.

Op grond van het dossier en de verklaring van [verdachte] ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. [verdachte] is met een handlanger zwaar bewapend op een scooter naar de shishalounge gegaan. Zij droegen helmen toen zij naar binnen liepen. De handlanger liep met een handvuurwapen langs de tafels, op zoek naar een zekere [naam doelwit] . Vermoedelijk betrof de gezochte [naam doelwit] , een regelmatige bezoeker van de shishalounge die vlak voor de aankomst van [verdachte] en diens handlanger uit de shishalounge was vertrokken. Op het moment dat zijn handlanger op zoek was naar [naam doelwit] stond [verdachte] bij de deur met een geladen aanvalsgeweer om zijn handlanger dekking te geven. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat er geen vooropgezet plan bestond om [slachtoffer] om het leven te brengen. Zij waren immers op zoek naar [naam doelwit] . Wel is de rechtbank van oordeel dat er gelet op genoemde omstandigheden een vooropgezet plan bestond om een ernstig misdrijf te plegen in de shishalounge. Welk misdrijf dat betrof is niet geheel zeker. Er zijn aanwijzingen dat de daders [naam doelwit] wilden liquideren, maar niet is uit te sluiten dat ze hem bijvoorbeeld wilden afpersen, zoals [verdachte] zelf heeft verklaard. Op het moment dat [verdachte] bij de deuropening in de shishalounge stond, werd hij beschoten. Hij wist niet vanuit welke kant het schot was afgevuurd, zo heeft hij verklaard. De rechtbank gaat uit van het scenario dat [verdachte] in reactie op het schot dat hem raakte – en kennelijk in de veronderstelling dat dit van buiten kwam – de aanval opende op degene van wie hij dacht dat het de schutter was.

De rechtbank overweegt dat het voor [verdachte] en zijn handlanger te verwachten was dat [naam doelwit] maatregelen zou treffen om de dreigende situatie zoals deze door [verdachte] en zijn handlanger zou worden gecreëerd, te beëindigen. Daartegen zouden [verdachte] en zijn handlanger zich verdedigen, desnoods met de vuurwapens die zij in hun handen hadden (maar in elk geval met het aanvalsgeweer). Dat verklaart ook waarom zij niet alleen met een handvuurwapen naar de lounge zijn gegaan maar dat [verdachte] met een aanvalsgeweer bij de deur stond, kennelijk juist in verband met mogelijke tegenacties. Hieruit volgt dat zij rekening hielden met het gebruik van de vuurwapens die zij bij zich hadden. Dat is ook gebleken. Zodra vanuit de shishalounge op [verdachte] werd geschoten, ging hij – kennelijk in de veronderstelling dat hij vanaf de straat werd beschoten – naar buiten en schoot over de straat, net toen de auto van [slachtoffer] passeerde. Vervolgens schoot [verdachte] [slachtoffer] neer, toen die naast zijn auto voor het stoplicht stond. Om zich ervan te verzekeren dat [slachtoffer] kwam te overlijden heeft [verdachte] nog een aantal keer op hem geschoten terwijl [slachtoffer] al op de grond lag. In lijn met bovengenoemd arrest van de Hoge Raad leidt de rechtbank uit deze omstandigheden af dat in het kader van de voorbereiding van de actie ook rekening is gehouden met het gebruik van de vuurwapens en dat dus sprake is geweest van gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van het gebruik van de vuurwapens en zich daarvan rekenschap te geven. Niet is gebleken dat [verdachte] niet in overeenstemming met dat besluit is blijven handelen of anderszins kenbaar van dat genomen besluit afstand heeft genomen. Dit betekent dat sprake is van voorbedachte raad.

Was er sprake van medeplegen?

Hierboven heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake was van een vooraf besproken plan. [verdachte] en zijn handlanger zijn samen zwaarbewapend op een scooter naar de shishalounge gereden. [verdachte] bleef met het aanvalsgeweer bij de deur staan om zijn handlanger dekking te geven, terwijl zijn handlanger met het handvuurwapen langs de tafels ging, op zoek naar [naam doelwit] . [verdachte] schoot, in de veronderstelling dat hij van buiten werd beschoten, [slachtoffer] dood. Vervolgens stapten zij samen op de scooter en reden weg. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn handlanger. Dat het uiteindelijk [verdachte] was die in de De Clercqstraat schoot, was overeenkomstig het plan. Dit staat niet aan medeplegen in de weg.

3.3.4

Oordeel over feit 2: medeplegen moord/doodslag op [naam 1] en [naam 2]

Had [verdachte] opzet op de dood van [naam 1] en [naam 2] ?

[verdachte] loste op de De Clercqstraat met een aanvalsgeweer schoten op [slachtoffer] . Enkele kogels raakten een passerende tram. In de tram zaten op dat moment de bestuurster, [naam 1] , en passagiers, waaronder [naam 2] . Door midden in de stad op de openbare weg met een aanvalsgeweer te schieten, bestond de aanmerkelijke kans dat [verdachte] passagiers in de tram dodelijk zou treffen. Door zo te handelen aanvaardde hij die kans bovendien bewust. [verdachte] had dan ook opzet, zij het in voorwaardelijke zin, op de dood van deze personen.

Was er sprake van voorbedachte raad?

Hierboven heeft de rechtbank overwogen dat [verdachte] en zijn handlanger rekening hielden met het gebruik van hun vuurwapens. Niet kan worden vastgesteld dat zij ook hebben nagedacht over de mogelijkheid dat zij daarbij ook inzittenden in een voorbijrijdende tram zouden kunnen raken en ook daarmee vooraf rekening hielden. Van voorbedachte raad, en dus moord, is daarom in dit geval geen sprake.

Was er sprake van medeplegen?

Ten aanzien van de vraag of sprake is van medeplegen oordeelt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat bij de handlanger sprake was van opzet op de dood van die tramreizigers, ook niet in voorwaardelijke zin, nu niet vast staat dat dit voorzienbaar is geweest voor zijn handlanger.

3.3.5

Oordeel over feit 3: medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie

Door getuigen is gezien dat één van de twee mannen, waarvan inmiddels is vastgesteld dat dit [verdachte] was, een vuurwapen had dat leek op een Kalasjnikov. Nu het wapen niet is teruggevonden, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat dit daadwerkelijk een Kalasjnikov was. Wel kan op basis van de getuigenverklaringen worden vastgesteld dat het een volautomatisch aanvalsgeweer was. Hierboven is vastgesteld dat met het aanvalsgeweer door [verdachte] schoten zijn gelost. Dit volgt ook uit de hulzen die op straat zijn gevonden. Hieruit volgt dat [verdachte] dit wapen en de bijbehorende munitie voorhanden had.

Volgens getuigenverklaringen had de handlanger van [verdachte] een handvuurwapen bij zich. Niet staat vast dat dit een vuurwapen was van categorie II van de Wet wapens en munitie. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] , als medepleger, een dergelijk wapen voorhanden heeft gehad en zal hij van dat onderdeel worden vrijgesproken.

3.3.6

Oordeel over feit 4: medeplegen bedreiging

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is bewezen dat [verdachte] en de mededader zich schuldig hebben gemaakt aan bedreiging van [naam 4] en [naam 3] .

4 Waardering van het bewijs in 13Baudette

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3.

Het medeplegen van de voorbereiding van een liquidatie (feit 1) kan worden bewezen op grond van de volgende omstandigheden. In het onderzoek 13Baudette zijn in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 een groot aantal OVC-gesprekken opgenomen in een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] , de auto van [medeverdachte 1] . De start van de voorbereidingshandelingen heeft zich echter daarvoor, kennelijk buiten het zicht van de politie, afgespeeld. De relevante gesprekken zijn – voor zover die in de Surinaamse taal, het Sranan, zijn gevoerd – door vier verschillende tolken uitgewerkt. In de OVC-gesprekken is te horen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] spraken over ‘timeren’ en de ‘Caddy’. Zij spraken daarbij over een gezamenlijk doel. In een gesprek met [medeverdachte 2] en [naam 11] sprak [verdachte] over ‘de schutters’ (sessienummer 56). Alle onderzoeksresultaten tezamen wijzen op een gezamenlijk doel van [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] : het voorbereiden van een liquidatie. Uit de OVC-gesprekken blijkt vervolgens dat elke verdachte met hetzelfde criminele doel handelde. Het beoogde doelwit was [benadeelde partij ] (hierna: [benadeelde partij ] ). Hij is in 2012 al eens beschoten en heeft verklaard dat hij op de straat heeft gehoord dat hij op de lijst van [naam 12] staat, een grote speler in de Amsterdamse onderwereldvete.

De verdachten hebben gedurende de ten laste gelegde periode onder andere twee gestolen BMW’s en een gestolen Caddy met vervalste kentekenplaten voorhanden gehad. Deze auto’s zijn gebruikt voor de voorverkenningen en zouden worden gebruikt bij de uitvoering van de liquidatie en de vlucht daarna. In de schuur van [verdachte] en [medeverdachte 1] werden een flesje met benzine en ammoniak gevonden. Tijdens de aanhouding hadden [verdachte] en [medeverdachte 3] PGP-telefoons (PGP betekent Pretty Good Privacy) en donkere kleding bij zich. Ook bij [medeverdachte 2] werd een PGP-telefoon aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen met zulke telefoons over de uitvoering van strafbare feiten communiceren, omdat de daarmee verzonden versleutelde berichten moeilijk te onderscheppen zijn.

[medeverdachte 3] droeg tijdens zijn aanhouding twee lagen kleding over elkaar, een muts en handschoenen. [verdachte] had tijdens zijn aanhouding een geladen vuurwapen bij zich.

Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt met voldoende bepaaldheid dat zij het opzet hadden om een levensdelict voor te bereiden.

[verdachte] was bij alle voorbereidingshandelingen betrokken. Hij nam actief deel aan de gesprekken die zagen op het plannen van de liquidatie en het in kaart brengen van het doelwit. Hij was bij alle voorverkenningsrondjes, voorobservaties, verplaatsingen van gestolen auto’s en andere voorbereidingshandelingen aanwezig en had contact met alle medeverdachten. Het alternatieve scenario waarover [verdachte] ongeveer een half jaar na zijn aanhouding heeft verklaard, is niet onderbouwd en verifieerbaar en geeft geen uitleg voor de belastende onderzoeksbevindingen. De OVC-gesprekken bieden geen enkel aanknopingspunt voor de voorbereiding van een ander strafbaar feit. [benadeelde partij ] heeft verklaard dat hij geen schulden heeft. Het alternatieve scenario kan dus niet kloppen.

Op basis van zijn bekennende verklaring kan worden bewezen dat [verdachte] een wapen en munitie voorhanden had (feit 2). Ook kan worden bewezen dat hij drie gestolen voertuigen (twee BMW’s en een Volkswagen Caddy) had verworven of voorhanden gehad (feit 3). Het verwisselen van de originele voor vervalste kentekenplaten kan niet anders worden uitgelegd dan dat de herkomst van de auto’s verhuld moest worden. [verdachte] wist dus dat het gestolen voertuigen betrof.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van feit 1. [verdachte] heeft verklaard dat hij in de Literatuurwijk was in verband met een incasso-opdracht. Hij vroeg [medeverdachte 3] hem daarbij te helpen. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 3] op 17 juli 2018, waaruit volgt dat de opdracht ‘iets met geld’ te maken had. Ook had [verdachte] een wapen meegenomen om zichzelf te kunnen verdedigen en de eis (om geld) wat kracht bij te zetten. Als het niet tot betaling zou komen, zou hij het slachtoffer wellicht meenemen naar een andere locatie (gijzelen). Als zou worden geschoten of gevochten, zou de politie snel ter plaatse zijn en de buurt afgrendelen. [verdachte] had in dat geval een scooter nodig om te vluchten. De aard, inhoud en strekking van de gesprekken falsificeren dit scenario niet. Het scenario wordt juist ondersteund en geverifieerd door de bevindingen van de politie. Het alternatieve scenario kan slechts worden gefalsificeerd als dit (volstrekt) onaannemelijk is. Dat wil zeggen dat andere scenario’s zonder redelijke twijfel uit te sluiten zijn of dat deze als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kunnen worden gesteld, zo volgt uit de conclusie van advocaat-generaal A.E. Harteveld van 6 juli 2017 (ECLI:NL:PHR:2017:393).

Duidelijk is dat er een crimineel oogmerk was, namelijk het met geweld afhandig maken van geld. De vermeende voorverkenningen, de gesprekken die op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd en de wijze waarop [verdachte] de opdracht wilde uitvoeren, zijn onvoldoende om daaruit af te leiden dat het om de voorbereiding van een liquidatie ging.

De telefoon- en OVC-gesprekken en het berichtenverkeer zijn vluchtig gevoerd en de inhoud daarvan kan op verschillende manieren worden begrepen. Dat dit ook op verschillende manieren is begrepen, blijkt uit de verschillende uitwerkingen door de verschillende tolken. In verband met het culturele aspect van de gesprekken en de betekenis van bepaalde woorden of zinnen is het belangrijk dat de tolk dezelfde culturele afkomst heeft als de spreker. Dat was bij de eerste drie uitwerkingen niet het geval. Daarom zijn de gesprekken niet concreet genoeg om hieruit af te leiden dat [verdachte] van plan was om iemand om te brengen, laat staan dat het beoogde slachtoffer [benadeelde partij ] was. Het ‘rijp’-gesprek (sessienummer 289) gaat evident over [medeverdachte 2] . Het ‘schutter’-gesprek (sessienummer 56) vond op 22 april 2017 plaats. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat het gesprek iets te maken had met de [adres 1] , want daarvoor is het gesprek te vaag en niet concreet en na het gesprek gebeurde lange tijd niets in de [adres 1] . Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat [benadeelde partij ] onderdeel uitmaakt van de ‘Mocro-onderwereld’, maar dit volgt niet uit het dossier. [benadeelde partij ] heeft hierover verklaard dat hij niet weet waarom hij het doelwit zou zijn en wie hem op een dodenlijst heeft gezet.

De modus operandi die door het Openbaar Ministerie is gepresenteerd is niet uniek voor de voorbereiding van een liquidatie. [verdachte] droeg tijdens zijn aanhouding geen donkere kleding of handschoenen. In de auto was ook geen brandversneller aanwezig. Deze omstandigheden zijn juist contra-indicaties voor feit 1.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In de periode van 22 april 2017 tot en met 31 mei 2017 reed [verdachte] 15 keer door of in de omgeving van de [adres 1] te [plaats] . Dit was op 22 april, 29 april, twee keer op 20 mei, twee keer op 21 mei, twee keer op 22 mei, 23 mei, twee keer op 27 mei, 29 mei, twee keer op 30 mei en op 31 mei 2017.

Op het adres [adres 1] stond [benadeelde partij ] ingeschreven. Deze straat bevindt zich in de [plaats] .

Op 21 april 2017 reden [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de Polo) van medeverdachte [medeverdachte 1] , de vriendin van [verdachte] . Zij voerden het volgende gesprek:

[verdachte] : We gaan niet parkeren waar we die brommer gezet hebben snap je. Mogen niet lang met die waggi. Lopen wij gewoon binnendoor toch. Morgen gaan we die…busje gaan we daar zetten, ja toch? We gaan bij deze man niet in die parking lopen waar we die dingen gaan rijden toch?

[medeverdachte 2] : Ja, gaat niet open.

[verdachte] : Gaan we gewoon via die achterkant. Snap je? Rustig.

[medeverdachte 2] : Ze gaan weten dat jullie naar dingen gaan, muziekwijk. Die politiebureau ze gaan daar helemaal uitkammen. Helemaal uitkammen. Daar gaan ze helemaal uitkammen. Literatuurwijk komen alle politie ntv. Dus jullie moeten echt scherp zijn wanneer je dingen gaat zetten. Ntv. Ze gaan hem sowieso vinden. Dat weet ik 100%. In principe gaan ze sowieso vinden 100%.

[verdachte] : Als die bakkie open kon, bakkie? We gaan gewoon erin.

[medeverdachte 2] : Goed schoonmaken, ntv uitladen, ntv bewust met blote handen. Je gaat niet overal kunnen schoonmaken.

[verdachte] : Je kan geluk hebben dat er geen dinge… motorman daar is. ntv. Je kan ook ongeluk hebben dat…

[medeverdachte 2] : Het is vrijdag toch. Die skotoe, Grote Markt toch? Moeten ze een melding krijgen toch? Gaan ze van Grote Markt naar Muziekwijk, misschien, nog niet eens een minuut snap je?

[medeverdachte 2] : Motro ntv sowieso richting stad rijden. Hoe je ook het ook draait of keert. Je kunt ook naar Almere Poort gaan snap je? Sowieso moet je.

Op 22 april 2017 rond 01.07 uur reden [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] in de Polo in de omgeving van de [adres 1] . Zij voerden het volgende gesprek:

[verdachte] : Zet de waggie daar op diezelfde plek van die man, ja! Je gaat meteen moeten/loesoe toch? Ja man dan gaan we die man zijn waggie neerzetten ntv… of gaat ie nog weg gaan, denk het niet.

[naam 11] : Sowieso als hij uit zou gaan zou hij sowieso allang al de deur uit zijn. Als hij uit zou gaan dan gaat hij toch niet om half twee uit!

[verdachte] : het kan man.

[…]

[verdachte] : Morgenochtend toch? Die bak… open maken toch?

[medeverdachte 2] : Kunnen we nu toch proberen?

[verdachte] : Gaan we doen ja. We gaan timeren (wachten) in dat ding, morgen. Die bak toch van die ding gaan we timeren tot hij naar buiten komt toch!

[verdachte] : Die man zegt tegen me, dat jij weet hoe je dat open moet doen. Met een schroevendraaier. Die bak.

[naam 11] : welke bak? Van die…

[verdachte] : Caddy ja.

Op 22 april 2017 rond 22.00 uur reden [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] in de Polo in de Muziekwijk in Almere en zei [verdachte] op het moment dat zij bij een tankstation zonder camera’s aankwamen: “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter. Ze hebben geen camera’s hier”.

Op 25 april 2017 om 00.28 uur waren [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] in de Muziekwijk in Almere. Daar voerden zij het volgende gesprek:

[naam 11] : Ik zei tegen hem over die busje, je weet toch. Gaat niet je weet toch om in die busje te gaan timeren, ik zeg maar dat gaat niet man. Ik zeg tegen hem die ding heeft volgens mij storing ofzo man. Ik zeg tegen hem van de vorige keer we hebben geen lichte aangelaten weet je toch. Ik zeg tegen hem die ding is gewoon ehh die busje is gewoon paranoia broer.

[medeverdachte 2] : Als je die sleutel uit het contact haalt en.. hoor je… ieeee irritant geluid.

[…]

[naam 11] : kentekenplaten pakken. En op internet kijken APK. Broer zeg tegen die gasten, brother, voordat ze überhaupt een kaulo sleutel kopiëren moeten ze eerst kijken naar de APK.

Op 25 april 2017 vond een observatie plaats rondom een gestolen Volkwagen Caddy met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Caddy). Om 20.02 uur voerden [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] rijdend in de Polo naar de Volkswagen Caddy toe het volgende gesprek:

[naam 11] : we kunnen die busje daar weer gaan zetten maar ik zeg tegen hem stel je voor hij gaat niet aan voor die deur

[verdachte] : […] ok ok jullie komen naar me toe, even kijken of hij start. Als hij niet start…

[naam 11] : Ja ja het is wel heet je weet toch. Stel je voor hij kijkt of iemand ziet je of wat dan ook… ja dan kan je ook… een hele kale busje hij ziet die busje en daaro belt ie en dan. Eh broer ik zeg je eerlijk he als we in die busje zitten broer ik zeg eerlijk ik heb trauma’s van die gannoes bij ons te halen ze.. gewoon heel dicht bij ons in die busje

[…]

[medeverdachte 2] : Die actie…ntv…toch? Of busje gelijk branden …ntv

[naam 11] : Busje gelijk branden is eigenlijk optimaal

[medeverdachte 2] : Ok, als we gelijk kunnen branden gaan we niet met die benzine in de auto rijden, we gaan….

[…]

[medeverdachte 2] : we gaan het wegzetten waar we het gaan branden

[…]

[verdachte] : Hm hm. Ja tuurlijk….

Om 20.16 uur werd vervolgens gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de Polo van [medeverdachte 1] parkeerden in de Altvioolstraat. [verdachte] , [naam 11] en [medeverdachte 2] stapten uit. [naam 11] liep naar de Volkswagen Caddy, stapte in als bestuurder en reed met [medeverdachte 2] weg. [naam 11] parkeerde de Volkswagen Caddy op een parkeerplaats. [naam 11] en [medeverdachte 2] stapten uit en verrichtten handelingen aan de achterzijde van de Volkswagen Caddy ter hoogte van de kentekenplaat. [verdachte] liep ook naar de Volkswagen Caddy, keek ernaar en liep vervolgens weer weg. [medeverdachte 2] stapte vervolgens weer in en parkeerde de Volkswagen Caddy in de Altvioolstraat. [verdachte] en [naam 11] liepen vervolgens weg. [verdachte] en [naam 11] kwamen [medeverdachte 2] vervolgens lopend weer tegen, waarna zij weer samen verder liepen.

Op 29 april 2017 reden [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Polo vanaf de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] woont, naar het zuiden van het land. De Polo maakte om 15.29 uur een rondje door de [adres 1] .

In de nacht van 13 op 14 mei 2017 reden [verdachte] , [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 1] vanuit Almere naar Amsterdam-Noord. Op de Achtersteven werd de Polo geparkeerd. Vervolgens was te horen dat de portieren open en dicht gingen. Nadat de Polo korte tijd geparkeerd had gestaan reed deze terug naar Almere. [medeverdachte 1] zat nu alleen in de auto. In een telefoongesprek dat zij vervolgens voerde, vertelde zij dat zij [verdachte] en [medeverdachte 2] had afgezet om een andere auto te halen.

Op 15 mei 2017 werd [medeverdachte 2] door de politie aangetroffen in een gestolen BMW met vervalste kentekenplaten met kenteken [kenteken] . Tijdens zijn aanhouding belde hij naar de telefoon van [medeverdachte 1] en kreeg hij [verdachte] te spreken, die hem adviseerde om weg te rennen.

Op 20 mei 2017 reden [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Polo. De Polo reed om 22.28 uur door de [adres 1] . Hierna reed de Polo door naar Amsterdam.

Nadat [medeverdachte 1] en [verdachte] kort in Amsterdam waren geweest reed de Polo weer terug naar Almere. Weer reed de Polo de Literatuurwijk in. Nu zette [medeverdachte 1] [verdachte] af in de Cees Buddinghstraat, een straat die grenst aan de [adres 1] en reed alleen naar huis. Vlak voordat [medeverdachte 1] [verdachte] afzette in de Cees Buddinghstraat voerden zij het volgende gesprek:

[medeverdachte 1] : Moet ik terug komen?

[verdachte] : Ik ga je melden als het koud is toch. Als het niet koud is ga ik gewoon zitten.

Op 21 mei 2017 om 01.18 uur haalde [medeverdachte 1] [verdachte] weer op in de omgeving van de [adres 1] .

Om 03.37 uur reden [medeverdachte 1] en [verdachte] nogmaals door de [adres 1] . Zij kwamen vanaf het centrum van Almere en reden via de [adres 1] naar de Augustusstraat. De [adres 1] ligt niet op de route van het centrum naar de Augustusstraat. Op het moment dat zij door de [adres 1] reden, vond het volgende gesprek plaats:

[verdachte] : (scheldt uit)

[medeverdachte 1] : Hij zet het ergens of hij heeft een andere auto

[verdachte] : Nee dan weet ik het direct

Op 22 mei 2017 reden [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Polo van Amsterdam naar Almere, waar zij om 20.57 uur door de [adres 1] reden. Rond 23.30 uur reden zij nogmaals naar de Literatuurwijk, naar de Jan Campertstraat, en stopten daar. Vlak voordat zij daar uit de Polo stapten, vond het volgende gesprek plaats:

[verdachte] : Rij binnendoor ntv kan rennen en die ding weggooien. Ik neem een klote fiets en dan ga ik mijn werk rustig doen.

[medeverdachte 1] : we moeten een snorfiets hebben.

[verdachte] : Ehe, weggooien of niet, in het water. Ik neem het geld voor drie mensen. Een 50.

Op 23 mei 2017 om 19.45 uur zette [medeverdachte 1] [verdachte] weer af in de omgeving van de [adres 1] . [medeverdachte 1] reed alleen weer weg.

Om 21.34 uur pikte [medeverdachte 1] [verdachte] op de Herman Gorterweg weer op. De Herman Gorterweg is de toegangsweg naar de Literatuurwijk.

Op 27 mei 2017 rond 01.31 uur reden [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Polo door de [adres 1] .

Op 27 mei 2017 rond 23.25 uur reden [medeverdachte 1] , [verdachte] en een andere man weg vanaf Augustusstraat naar de Jan Camperstraat. Hier stapte [verdachte] uit de Polo. Om 23.42 uur stapte [verdachte] weer in de Polo en zij reden weer weg.

Op 29 mei 2017 om 18.45 uur werd een gestolen BMW verplaatst van een parkeerplaats in Amsterdam-Noord naar de Prozastraat in Almere. Daar werd de BMW geparkeerd. Inmiddels was het voertuig voorzien van valse kentekenplaten met het kenteken [kenteken] . Om 23.00 uur reden [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Polo naar de Borneostraat in Amsterdam om [medeverdachte 3] op te halen. Daarna reden ze naar de J.J. Slauerhoffstraat in Almere, waar [medeverdachte 3] en [verdachte] uitstapten en [medeverdachte 1] wegreed. Op schermafbeeldingen van een camera was te zien dat op 29 mei 2017 tussen 23.31.11 uur en 23.31.13 uur twee personen, een negroïde en een blanke man, vanuit de steeg de [adres 1] inliepen. De blanke man werd herkend als [medeverdachte 3] . Om 23.34 uur stapten [medeverdachte 3] en [verdachte] in de BMW en verplaatsten deze naar de Jan Campertstraat. Om 23.42 uur bevonden [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] zich in de Polo die in de Herman Gorterweg geparkeerd stond. [verdachte] en [medeverdachte 1] brachten [medeverdachte 3] terug naar de Borneolaan.

Op 30 mei 2017 om 20.46 uur zette [medeverdachte 1] [verdachte] af op de Hans Lodeizenstraat, vlakbij de [adres 1] . Daar stapte [verdachte] uit. Hij liep de [adres 1] in. Acht minuten later stapte hij de Polo in en reden [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Amsterdam om [medeverdachte 3] op te halen. Tijdens deze rit zei [verdachte] “Ik ga naar die tunnel toch, kan niet alles in de auto bespreken toch. Ik ga hem halen en praten”. Hierna stapte [verdachte] uit en sprak met [medeverdachte 3] buiten de auto.

[verdachte] zei vervolgens: “We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. [medeverdachte 3] en [verdachte] reden in de Polo naar het tankstation op de Dukdalfweg. Daar zei [medeverdachte 3] tegen [verdachte] : “Hier pak handschoentje, ik ga je nog eentje geven wacht, hiero…nog eentje, dan is hier de flesje”. Na het tanken reden [verdachte] en [medeverdachte 3] terug naar de Augustusstraat. Bij het parkeren gaf [medeverdachte 3] aan dat [verdachte] het tasje moest meenemen.

Om 30 mei 2017 om 23.58 uur werd de gestolen BMW door [medeverdachte 3] verplaatst naar de [adres 1] . Rond 01.42 uur, inmiddels op 31 mei 2017, kwam een persoon met de fiets via de J.J. Slauerhoffstraat door een steeg naar de woning op het adres [adres 1] [huisnummer] en is daar naar binnen gegaan. Enkele seconden later maakte de gestolen BMW een rondje door onder andere de [adres 1] en werd in die straat geparkeerd. Om 02.31 uur werd de gestolen BMW in de Meistraat, nabij de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] , geparkeerd.

Op 31 mei 2017 omstreeks 19.22 uur werd de Volkswagen Polo van [benadeelde partij ] door de politie geparkeerd in de [adres 1] . Om 19.30 uur reden [medeverdachte 1] en [verdachte] door de [adres 1] . Toen de Polo van [verdachte] en [medeverdachte 1] door de [adres 1] reed, was te horen dat [verdachte] zei: “Ma pang pang, hij staat in de rij”. Rond 21.20 uur reden zij naar de Borneolaan in Amsterdam en haalden [medeverdachte 3] daar weer op. [verdachte] belde [medeverdachte 2] en het volgende gesprek vond plaats:

[verdachte] : Dat ding waar we waren geweest bij dinge toch, je weet waar toch. Toen we gingen lopen toch. Ga voor me kijken noh, kijk even dan, ja toch.

[medeverdachte 2] : Wat zei je nog een keer.

[verdachte] : Je weet toen we met die kleine man ver gingen lopen toch, kijken of dat ding was toch.

[medeverdachte 2] : Die witte ding bedoel je toch?

[verdachte] : Ja toch, die kleine, net als die van mij toch.

[medeverdachte 2] : No spang geregeld.

[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] reden vervolgens naar Almere. Het volgende gesprek vond plaats:

[medeverdachte 3] : Wil je daar gaan kijken nog?

[verdachte] : Ja toch, gaan kijken als die waggie nog hetzelfde dinge is, plek

[medeverdachte 3] : ja, dan? Dan gaan we die andere appen. Het is te laat om nu nog te gaan timeren.

Via de omgeving van de [adres 1] reden [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] naar de Augustusstraat. [medeverdachte 3] en [verdachte] gingen naar de gestolen BMW in de Meistraat en openden de kofferbak, waarna [verdachte] uit beeld liep. [medeverdachte 3] stapte in de BMW en parkeerde een aantal plaatsen verderop. Rond 03.05 uur brachten [medeverdachte 1] en [verdachte] [medeverdachte 3] in de Polo terug naar Amsterdam.

Op 1 juni 2017 om 21.50 uur reden [verdachte] en [medeverdachte 1] naar Amsterdam, waar [medeverdachte 3] instapte. [medeverdachte 3] had een gele plastic tas bij zich. Vervolgens kwamen [verdachte] en [medeverdachte 3] aan bij de gestolen BMW. [medeverdachte 3] stapte aan de bestuurderszijde in. [verdachte] stapte 50 meter verderop in als passagier. De gestolen BMW reed de Literatuurwijk in, waar [medeverdachte 3] en [verdachte] werden aangehouden.

[verdachte] en [medeverdachte 3] waren tijdens de aanhouding beiden in het bezit van een encrypted BlackBerry telefoon waarvan de batterij was verwijderd. Zij hadden de batterijen wel bij zich. [medeverdachte 3] bleek twee lagen kleding over elkaar te dragen. De bovenste laag was donker van kleur en de laag eronder was licht van kleur. Ook droeg hij doorzichtige handschoenen en een muts.

[verdachte] bleek een vuurwapen bij zich te hebben voorzien van scherpe munitie. Ook had hij handschoenen binnen handbereik. Op het vuurwapen bleek DNA van [verdachte] en [medeverdachte 1] aanwezig te zijn op meerdere plaatsen op het wapen.

In de schuur van de woning aan de Augustusstraat werd tijdens de doorzoeking een plastic tasje gevonden met daarin een flesje met ammoniak en een flesje met benzine. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen geplakt als [medeverdachte 3] droeg bij zijn aanhouding.

4.3.2

Oordeel over feit 1: medeplegen voorbereiding moord/doodslag [benadeelde partij ]

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, voorhanden heeft gehad. Bij de beantwoording van de vraag of het onder 1 tenlastegelegde feit is bewezen, moet dus komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2007:AZ0213) en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:1503)).

Voorhanden hebben

Ten laste is gelegd dat [verdachte] samen met anderen een vuurwapen, de Polo, drie gestolen auto’s; de BMW met het valse kenteken [kenteken] , de BMW met het valse kenteken [kenteken] en de Volkswagen Caddy, encrypted Blackberry telefoons, een flesje benzine, een flesje ammoniak, lagen kleding (over elkaar), plastic handschoenen, tuinhandschoenen en een muts (hierna: de middelen) opzettelijk voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van een moord. De rechtbank stelt op grond van de onder 4.3.1 genoemde feiten en omstandigheden vast dat [verdachte] deze middelen tezamen met anderen voorhanden heeft gehad.

Het misdadige doel dat [verdachte] met de middelen voor ogen had

De centrale vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of (met een voldoende mate van bepaaldheid) kan worden vastgesteld dat de misdadige plannen van [verdachte] met deze middelen zagen op het om het leven brengen van [benadeelde partij ] en dat het niet (volstrekt) onaannemelijk is dat hij van plan was om een incasso-opdracht uit te voeren en daarbij [benadeelde partij ] eventueel te gijzelen, zoals hij op de zitting heeft verklaard.

Was het beoogde slachtoffer [benadeelde partij ] ?

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat [verdachte] zich in de periode van 22 april 2017 tot en met 1 juni 2017 veelvuldig in de (omgeving van) de [adres 1] bevond en langs de woning van [benadeelde partij ] op nummer [huisnummer] reed. Op 30 mei 2017 bevond hij zich met [medeverdachte 3] in de gestolen BMW in de [adres 1] . Enkele seconden nadat een persoon de (naastgelegen) woning op huisnummer [huisnummer] naderde, reed de gestolen BMW een rondje door de [adres 1] , Ida Gerhardstraat, J.J. Slauerhoffstraat en de Cees Buddinghstraat, waarna het voertuig weer in de [adres 1] werd geparkeerd. Op het moment dat [verdachte] op 31 mei 2017 door de [adres 1] reed, acht minuten nadat de politie de Volkswagen Polo van [benadeelde partij ] in die straat had geparkeerd, zei hij: “Ma pang pang, hij staat in de rij”. Diezelfde avond belde [verdachte] [medeverdachte 2] op en vroeg hem: “Ga voor me kijken noh, kijk even dan, ja toch. Je weet toen we met die kleine man ver gingen lopen toch, kijken of dat ding was toch. Die kleine, net als die van mij toch”.

De rechtbank oordeelt op basis van deze feiten en omstandigheden dat [verdachte] en de medeverdachten op zoek waren naar een auto en dat hun handelingen waren gericht op de woning op het adres [adres 1] , waar [benadeelde partij ] stond ingeschreven. [verdachte] is in een periode van ruim een maand immers veelvuldig, soms op meerdere momenten op dezelfde dag, in de (omgeving van de) [adres 1] gereden, kennelijk op zoek naar iets. Op het moment dat de politie het voertuig van [benadeelde partij ] in de [adres 1] had geparkeerd, zei [verdachte] “hij staat in de rij” en vroeg [medeverdachte 2] diezelfde dag of hij daar wilde kijken. Met ‘die kleine, net als die van mij’ bedoelde [verdachte] kennelijk het voertuig van [benadeelde partij ] , dat net als het voertuig van [verdachte] en [medeverdachte 1] een Volkswagen Polo is.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [benadeelde partij ] het beoogde slachtoffer was van de plannen van [verdachte] en de medeverdachten.

Was het de bedoeling om [benadeelde partij ] te liquideren?

Alle feiten en omstandigheden zoals opgenomen onder 4.3.1. wijzen er volgens de rechtbank op dat het de bedoeling was om [benadeelde partij ] te liquideren. In het bijzonder kunnen de OVC-gesprekken in de Polo niet anders worden geïnterpreteerd dan dat zij op zoek waren naar (de auto van) [benadeelde partij ] en dat het de bedoeling was dat [benadeelde partij ] zou worden geliquideerd. In een gesprek van 21 april 2017, waaraan [verdachte] , [naam 11] en [medeverdachte 2] deelnamen, zei [medeverdachte 2] dat de politie de hele buurt zou uitkammen en dat alle politie naar de Literatuurwijk zou komen. Ook zei hij in het gesprek ‘goed schoonmaken’ en ‘je gaat niet overal kunnen schoonmaken’. Verder spraken ze over ‘timeren’, wat naar het oordeel van de rechtbank kennelijk het observeren van en wachten op [benadeelde partij ] betekent. Dat [verdachte] en zijn medeverdachten geen andere bedoeling hadden dan [benadeelde partij ] te liquideren wordt bovendien in sterke mate ondersteund door het OVC-gesprek op 22 april 2017, waarin [verdachte] , terwijl hij zich in de auto bevond met [medeverdachte 2] en [naam 11] , en ze zich bij een tankstation zonder camera’s bevonden zei: “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter”.

Door de raadsman is aangevoerd dat dit gesprek op 22 april 2017 plaatsvond en dat daarna niets is gebeurd. Omdat het gesprek bovendien te vaag was, kan niet worden geconcludeerd dat dit gesprek iets te maken had met de reden dat [verdachte] zo vaak in de [adres 1] was, aldus de raadsman. De rechtbank oordeelt dat dit gesprek is gevoerd in het kader van het geplande misdrijf waarvoor [verdachte] en de medeverdachten zo vaak in de [adres 1] waren. Immers in die periode waren [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 11] vaker in elkaars aanwezigheid bij de Volkswagen Caddy. [verdachte] heeft ook geen alternatieve uitleg voor dat gesprek gegeven. Dat vervolgens niet meteen iets ‘gebeurde’ in de [adres 1] maakt dit niet anders. Het betrof immers een gesprek in het kader van de voorbereiding van het misdrijf.

Verder acht de rechtbank van belang dat in het OVC-gesprek van 25 april 2017 waaraan [verdachte] , [naam 11] en [medeverdachte 2] deelnamen, werd gesproken over het uitbranden van het busje. De rechtbank gaat ervan uit dat ze met het busje de Volkswagen Caddy bedoelden, omdat zij daar op dat moment naartoe reden. Daarbij bespraken zij onderling dat het direct in brand steken van dat busje eigenlijk optimaal zou zijn. Ook dit wijst erop dat het bedoeling was om [benadeelde partij ] te liquideren, en niet om hem af te persen of te gijzelen. De rechtbank ziet namelijk niet in waarom in dat geval het busje direct zou moeten worden uitgebrand.

De rechtbank merkt daarnaast op dat [medeverdachte 3] tijdens zijn aanhouding twee kledinglagen droeg. Als het doel inderdaad was geld op te halen of, in het uiterste geval, [benadeelde partij ] te gijzelen is nog niet in te zien waarvoor het dragen van twee kledinglagen diende. Dit past niet bij het door [verdachte] geschetste scenario.

Verder is gebleken dat [verdachte] en de medeverdachten een snelle vlucht voorbereidden. Dat past niet bij een gijzeling. Zo’n misdrijf vereist een geruisloze vlucht en brengt met zich mee dat dit in het algemeen niet snel kan gebeuren. Een liquidatie daarentegen is een misdrijf dat veelal de aandacht trekt, bijvoorbeeld door het lossen van schoten. Bij zo’n misdrijf past juist wel een snelle vlucht. Ook het gebruik van een snorfiets past beter bij een snelle vlucht, en dus bij een liquidatie. Bovendien valt niet goed in te zien hoe een snorfiets onderdeel zou uitmaken van het scenario van [verdachte] . Het is immers niet gebleken hoe in dat kader uitvoering zou moeten worden gegeven aan een gijzeling. Hoewel [verdachte] hierover wel is bevraagd, heeft hij hierover op zitting geen duidelijkheid verschaft.

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde feiten en omstandigheden er in onderling verband en samenhang bezien sterk op wijzen dat [verdachte] en zijn medeverdachten bezig waren met het voorbereiden van een liquidatie en de genoemde voorbereidingsmiddelen wilden gebruiken met die bestemming.

Een ander misdadig doel zoals een gijzeling of afpersing behoort daarom niet tot één van de mogelijkheden. Het door [verdachte] geschetste scenario is gelet op de besproken feiten en omstandigheden hoogst onwaarschijnlijk. De raadsman heeft onder meer een beroep gedaan op een arrest van het Hof Amsterdam van 27 december 2017. Het Hof heeft in dat arrest - bij de beoordeling van de vraag wat het criminele plan van de verdachten was - overwogen dat andere scenario’s niet als (volstrekt) onaannemelijk terzijde kunnen worden geschoven. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak voor wat betreft de feiten en omstandigheden in grote mate van het arrest van 27 december 2017 verschilt. De rechtbank heeft hierboven reeds vastgesteld dat het voorbereide misdrijf zag op een concreet slachtoffer, namelijk [benadeelde partij ] . Daar komt bij dat in de onderhavige zaak diverse tap- en OVC-gesprekken zijn opgenomen en [verdachte] en zijn medeverdachten voor een langere periode geobserveerd. Hieruit zijn belangrijke aanwijzingen naar voren gekomen die maken dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat [verdachte] en zijn medeverdachten een liquidatie aan het voorbereiden waren, zoals hierboven reeds is overwogen.

Bestemd tot het begaan van het misdrijf

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de middelen, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd zijn tot het begaan van een moord. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De kleding die [medeverdachte 3] tijdens zijn aanhouding droeg was geschikt om tijdens het begaan van een moord te dragen. Donkere kleding is immers geschikt om herkenning te voorkomen en in het donker minder op te vallen. De lichtere kleding die hij daaronder droeg was geschikt om op een later moment, als de politie probeert de identiteit van de daders te achterhalen, herkenning te voorkomen of verhinderen. De handschoenen en tuinhandschoenen zijn bovendien geschikt om te voorkomen dat sporen worden achtergelaten op de plaats delict. Ammoniak is geschikt omdat het DNA-materiaal en vingerafdrukken vernietigt.

De BMW, naar algemeen bekend een snel voertuig, was geschikt om als vluchtauto te dienen, ook omdat de BMW was voorzien van valse kentekenplaten. Nadat [medeverdachte 2] op 30 april 2017 in de BMW met vals kenteken [kenteken] was aangehouden, was een nieuwe vluchtauto nodig. Daarop is de BMW met vals kenteken [kenteken] in gebruik genomen. De rechtbank neemt in overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij liquidaties vaak gebruik wordt gemaakt van een gestolen auto met valse kentekenplaten die na de vlucht in brand wordt gestoken. Er stond een fles benzine gereed in de schuur van [medeverdachte 1] . Dat deze fles benzine zich tijdens de aanhouding niet in de BMW bevond, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders. Het is immers niet komen vast te staan dat het plan ook inhield dat de vluchtauto meteen in brand zou worden gestoken.

Ook de Volkswagen Polo is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een voorwerp dat bestemd is tot het begaan van het misdrijf. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ten tijde van de aanhouding van [verdachte] en [medeverdachte 3] op 1 juni 2017 in de Literatuurwijk had [verdachte] een geladen wapen bij zich en handschoenen. [medeverdachte 3] droeg verschillende lagen kleding over elkaar, evenals handschoenen en een muts. Beiden hadden de batterij uit hun BlackBerry telefoon gehaald. Kennelijk hielden zij er rekening mee dat zij een liquidatiepoging zouden doen als de gelegenheid zich voordeed. [verdachte] en [medeverdachte 3] zaten in de gestolen BMW toen zij werden aangehouden. [verdachte] en [medeverdachte 1] hadden [medeverdachte 3] met de Polo opgehaald in Amsterdam en vervolgens waren zij teruggereden naar Almere, waar [verdachte] en [medeverdachte 3] in de BMW stapten. De rechtbank concludeert uit deze omstandigheden dat de Polo ook bestemd was om [verdachte] en [medeverdachte 3] naar de vluchtauto te brengen in het kader van de uitvoering van de liquidatie. De Polo diende dus niet alleen voor de voorbereiding maar ook tot het begaan van het te plegen misdrijf.

Het spreekt voor zich dat het geladen vuurwapen naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd kan zijn tot het begaan van een liquidatie. Dit geldt ook voor de PGP (Pretty Good Privacy) telefoons die tijdens de aanhouding van [verdachte] en [medeverdachte 3] bij hen zijn aangetroffen. Door deze telefoons verzonden versleutelde berichten zijn voor politie en justitie moeilijk te onderscheppen, zodat deze goed gebruikt kunnen worden om er vertrouwelijk mee te communiceren over het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank oordeelt dat deze voorwerpen samen bestemd zijn voor een moord.

Voorbedachte raad

Uit de periode waarin de voorbereiding plaatsvond leidt de rechtbank af dat [verdachte] de gelegenheid had over dit voorgenomen misdrijf na te denken en rekening te houden met de gevolgen daarvan. Daarom is sprake van voorbedachte raad en dus voorbereiding van moord.

Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van moord op [benadeelde partij ] . De in de tenlastelegging opgenomen middelen waren daarbij bestemd tot het begaan van de moord.

4.3.3

Oordeel over feit 2: medeplegen voorhanden hebben wapen en munitie

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] opzettelijk een vuurwapen en munitie voorhanden had.

4.3.4

Oordeel over feit 3: medeplegen heling voertuigen

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan heling van drie voertuigen.

5 Bewezenverklaringen

De rechtbank bewijst op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen dat [verdachte]

in de zaak 13Geep:

ten aanzien van feit 1:

op 13 mei 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ten aanzien van feit 2:

op 13 mei 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 1] en [naam 2] van het leven te beroven met dat opzet meermalen in de De Clercqstraat met een vuurwapen in de richting van die [naam 1] en [naam 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 3:

op 13 mei 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II, te weten: een volautomatisch aanvalsgeweer en munitie van categorie II, te weten: patronen van kaliber 7.62 x 39 mm voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 4:

op 13 mei 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander [naam 3] (eigenaar [naam shisha lounge] Amsterdam) en [naam 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam 4] gericht en een automatisch vuurwapen op die [naam 3] gericht en [naam 3] dreigend de woorden toegevoegd: “Handen omhoog”;

in de zaak 13Baudette:

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 te Almere en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

- een vuurwapen, te weten een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm luger)) en

- een patroonmagazijn met daarin 10 patronen (model volmantel rondneus, kaliber 9 mm luger (synoniem 9x19 mm) en

- een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] en

- drie gestolen auto’s van het merk BMW, type 5er, Reihe 530i (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en van het merk BMW, type 5-serie (origineelkenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en van het merk Volkswagen type Caddy sdi 55kw bestel (origineelkenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en

- encrypted telefoons (merk: Blackberry) en

- een flesje met daarin benzine en een flesje met daarin ammoniak en

- lagen kleding over elkaar en

- plastic en tuinhandschoenen en

- een muts,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf;

ten aanzien van feit 2:

op 1 juni 2017 te Almere een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm luger)) en een patroonmagazijn met daarin 10 patronen (model volmantel rondneus, kaliber 9 mm luger (synoniem 9x19 mm)) van categorie III voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 3:

omstreeks de periode van 17 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 te Amsterdam en Almere, tezamen en in vereniging met anderen personenauto’s van het merk BMW, type 5er, Reihe 530i (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en van het merk BMW type 5-serie (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en van het merk Volkswagen type Caddy sdi 55kw bestel (origineelkenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal [verdachte] een gevangenisstraf van 25 jaren opleggen. Die gevangenisstraf is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Bij de keuze tot het opleggen van deze gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

[verdachte] is zwaargewapend met een ander naar een shishalounge gegaan om daar een ernstig misdrijf te plegen. Toen het beoogde slachtoffer de shishalounge al bleek te hebben verlaten en [verdachte] het idee had dat hij van buitenaf werd beschoten schoot hij met een aanvalsgeweer op straat op een voorbijganger, [slachtoffer] , die daarbij dodelijk werd geraakt en waarbij ook een tram door de kogelregen werd getroffen.

Als gevolg hiervan kwam een jonge man zeer gewelddadig om het leven. De tragiek wil dat [slachtoffer] , daarvan is de rechtbank overtuigd, niet het beoogde doelwit was, maar een toevallige voorbijganger. [verdachte] en zijn handlanger hebben daarmee blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het menselijk leven. [verdachte] vuurde de laatste paar schoten gericht af terwijl het slachtoffer, [slachtoffer] , al weerloos op de grond lag en rende vervolgens zonder op of om te kijken weg. De moordaanslag was daarnaast ook voor de inzittenden van de tram en voor omwonenden een heftige gebeurtenis.

Naar het oordeel van de rechtbank getuigt dit handelen van gewetenloosheid. [verdachte] ontnam op meedogenloze wijze niet alleen [slachtoffer] zijn leven, maar bezorgde ook diens nabestaanden onherstelbaar leed. Zoals op zitting is gebleken, ondervinden zij tot op de dag van vandaag nog dagelijks het verdriet van het verlies van hun zoon en broer. De rechtbank heeft geconstateerd dat een herbeleving van de gebeurtenissen bij de broers van [slachtoffer] ook na ruim drie jaar nog hevige emoties losmaakt.

Daarnaast is [verdachte] als medepleger betrokken geweest bij het voorbereiden van het plan om [benadeelde partij ] te liquideren. Met zijn voorbereidingshandelingen creëerde hij alle omstandigheden die nodig waren voor het voltooien van de liquidatie. Uit het dossier blijkt dat de betrokkenheid van [verdachte] zich uitstrekte over een periode van ruim een maand. Doelgericht en met vasthoudendheid verkende hij – om de moord op [benadeelde partij ] mogelijk te maken – de Literatuurwijk. De voorbereiding van de moord op [benadeelde partij ] had een professioneel karakter. Gestolen auto’s werden voorzien van valse kentekenplaten en werden koud gezet. Met de fles benzine die in de schuur van [medeverdachte 1] – klaar voor gebruik – werd bewaard zou de vluchtauto in brand worden gestoken na het plegen van de liquidatie.

[verdachte] wekt door dit alles de indruk een professionele hitman te zijn, die niet wordt gehinderd door een geweten bij het uitvoeren van liquidaties, ook niet als hij daarbij toevallige voorbijgangers treft. Voor hem is kennelijk alleen van belang dat de opdracht hem geld oplevert.

Er lijkt een samenhang te bestaan tussen deze feiten en de golf van geweld en liquidaties zoals die de afgelopen jaren tussen twee elkaar vijandige Amsterdamse groeperingen heeft plaatsgevonden en waarbij een mensenleven voor deze groeperingen geen enkele waarde lijkt te hebben. De recente golf van liquidaties in en rond Amsterdam veroorzaakt grote onrust in de samenleving.

De moord op een onschuldig slachtoffer en de voorbereiding van een liquidatie in het criminele milieu leiden vanwege het gevaarzettend karakter van zulk handelen bovendien tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit soort feiten schokt de rechtsorde en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer daar waar op de openbare weg is geschoten. De maatschappelijke onrust die de feiten hebben veroorzaakt is dan ook aanzienlijk. Hoewel de schietpartij van 13Geep alweer meer dan drie jaar geleden plaatsvond, is de rechtbank gebleken dat de zaak ook nu nog onverkort in de maatschappelijke belangstelling staat. Het roekeloze handelen van [verdachte] heeft gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen bij buurtbewoners en vele anderen in de samenleving. Met afgrijzen is gereageerd op de zoveelste schietpartij in Amsterdam. Dat er weer een onschuldige burger het dodelijk slachtoffer is geworden heeft een golf van verontwaardiging veroorzaakt in de maatschappij.

De rechtbank wil en kan de ogen niet sluiten voor het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikwekkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt.

De rechtbank beoogt met de op te leggen straf ook bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het heeft er alle schijn van dat [verdachte] slechts een zeer lage drempel heeft hoeven nemen voordat hij het pad insloeg dat tot deze strafbare feiten heeft geleid. Dergelijk handelen moet leiden tot oplegging van een zeer lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

[verdachte] heeft op zitting allesbehalve volledige openheid van zaken en inzicht in zijn beweegredenen willen geven, laat staan verantwoordelijkheid willen nemen tegenover de slachtoffers. Hij leek vooral bezig te zijn met zijn eigen rol als slachtoffer, omdat hij in de shishalounge een doorschotverwonding opliep. Verder blijkt uit het dossier in 13Baudette dat [verdachte] anderen gebruikte voor zijn criminele plannen.

Duur gevangenisstraf

Door de officier van justitie is oplegging van een levenslange gevangenisstraf geëist. De rechtbank ziet in deze zaken een gelijkenis met zaken waarin eerder de levenslange gevangenisstraf is opgelegd. Toch ziet zij redenen om van de strafeis af te wijken.

De rechtbank merkt op dat een levenslange gevangenisstraf in het bijzonder bedoeld is voor die daders van wie bekend is dat een tijdelijke gevangenisstraf niet meer werkt. [verdachte] heeft een strafblad, maar is niet eerder veroordeeld voor zulke ernstige feiten. [verdachte] heeft bovendien niet eerder een langdurige gevangenisstraf opgelegd gekregen. Op geen enkele manier is gebleken dat oplegging van een lange gevangenisstraf niet meer zinvol zal zijn. De rechtbank vindt een levenslange gevangenisstraf daarom niet passend.

De rechtbank heeft over de dood van [slachtoffer] geoordeeld dat sprake was van voorbedachte raad en dus van moord. Wel heeft zij vastgesteld dat er sprake was van een lichtere vorm van voorbedachte raad, in die zin dat niet de moord op het uiteindelijke slachtoffer gepland was maar alleen de mogelijkheid dat de actie van [verdachte] en zijn mededader tot vuurwapengebruik zou leiden. De langste tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren vindt de rechtbank daarom evenmin passend.

Gegeven deze afwegingen zal de rechtbank een gevangenisstraf van 25 jaren opleggen.

9 Beslag

Onder [verdachte] zijn de voorwerpen in beslag genomen die op de beslaglijst zijn genoemd. Deze beslaglijst is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer gevorderd van de voorwerpen onder 1, 2, 4, 6 en 7 en verbeurdverklaring van de voorwerpen onder 8 tot en met 13. Ten aanzien van de goederen onder 3 en 5 is geen standpunt ingenomen.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen goederen.

De voorwerpen onder 8 tot en met 13 behoren aan [verdachte] toe. Nu met behulp van die voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard.

Nu met behulp van de voorwerpen onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

10 Vorderingen benadeelde partijen

10.1

[nabestaande 1] (13Geep)

De broer van het slachtoffer, [nabestaande 1] , heeft € 5.111,85 gevorderd aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze schade bestaat uit begrafeniskosten in Marokko en reiskosten van de nabestaanden van [slachtoffer] naar Marokko.

Vast staat dat aan [nabestaande 1] door feit 1 in de zaak 13Geep rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 16 mei 2015, tot aan de dag dat de vordering in zijn geheel is voldaan.

Voorts dient [verdachte] te worden veroordeeld in de kosten die [nabestaande 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [nabestaande 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan [verdachte] opgelegd.

10.2

[benadeelde partij ] (13Baudette)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet is onderbouwd. [benadeelde partij ] is ten aanzien van die post niet-ontvankelijk. Uit het dossier is gebleken dat [benadeelde partij ] onderdeel lijkt uit te maken van de Amsterdamse onderwereldvete. Voorstelbaar is dat de voorbereiding van zijn liquidatie een gevoel van onveiligheid en stress heeft veroorzaakt. Daarom heeft de officier van justitie gevorderd de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 5.000,- en [benadeelde partij ] voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft – gelet op het verzoek om vrijspraak – aangevoerd dat [benadeelde partij ] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

[benadeelde partij ] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering niet concreet is onderbouwd en het toelaten van nadere onderbouwing of bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [benadeelde partij ] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 46, 47, 57, 63, 285, 287, 289 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak 13Geep:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van moord;

ten aanzien van feit 2:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

in de zaak 13Baudette

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van voorbereiding van moord;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd onder 8 tot en met 13 van de beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen genoemd onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 van de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van het voorwerp genoemd onder 3 van de beslaglijst.

Wijst de vordering van [nabestaande 1], wonende te [woonplaats] , toe tot € 5.111,85 (vijfduizendhonderdelf euro en vijfentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 16 mei 2015, tot aan de dag dat de vordering in zijn geheel is voldaan.

Veroordeelt [verdachte] tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 1] .

Veroordeelt [verdachte] voorts in de kosten door [nabestaande 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] aan de Staat te betalen € 5.111,85 (vijfduizendhonderdelf euro en vijfentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 16 mei 2015, tot aan de dag dat de vordering in zijn geheel is voldaan, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 60 (zestig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover [verdachte] aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde partij ] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 augustus 2018.