Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5937

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
Parketnummer 13/751433-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overleveringsverzoek België, detentieomstandigheden, overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751433-18

RK-nummer: 18/3768

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 mei 2018 door het parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeeïste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de [detentie adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem.

De rechtbank heeft op 10 juli 2018 de behandeling aangehouden voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen vragen betreffende de detentieomstandigheden voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De rechtbank heeft op 31 juli 2018 het onderzoek hervat. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Bij gelegenheid van de behandeling ter zitting van 10 juli 2018 zijn door de rechtbank beslissingen genomen op de door de raadsman gevoerde verweren ter zake van de ontvankelijkheid van de officier van justitie en de genoegzaamheid van de stukken. Deze beslissingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding bij verstek van Onderzoeksrechter B. Vandeputte van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 23 november 2015 met beschikking tot verwijzing naar de correctionele rechtbank door de Raadkamer te Brugge van 7 maart 2018.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten op deze lijst onder nummer 20, te weten:

oplichting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Detentieomstandigheden

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft verzocht de overlevering te weigeren wegens een dreigend gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in Belgische gevangenissen. Weliswaar heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit per e-mail van 30 juli 2018 laten weten dat in ieder geval de komende 3 maanden geen stakingen in de Belgische gevangenissen worden verwacht, maar de media schetsen een ander beeld. Een rechter in Mechelen heeft onlangs een verdachte in vrijheid gesteld vanwege de situatie in Belgische gevangenissen en het is zelfs zo dat verdachten niet worden vervoerd naar raadkamerzittingen op de rechtbank. Daar komt bij dat cliënt kwetsbaar is, zij is in Nederland slachtoffer geworden van een ernstig delict (ontvoering en verkrachting) dat waarschijnlijk in verband staat met de Belgische zaak. [aangever] wilde met zijn aangifte bereiken dat zij zich met hem verzoent, aldus de raadsman.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 30 juli 2018 per e-mail laten weten dat er geen akkoord is tussen de minister en de vakbonden, maar dat wel verder wordt onderhandeld. Er is sprake van een protocol van niet-akkoord. Het wetgevend proces zal worden voortgezet. Dit zal ongeveer 3 maanden in beslag nemen en gedurende het proces worden geen stakingen van gevangenispersoneel verwacht. De officier van justitie heeft voorts meegedeeld dat de Belgische autoriteit opnieuw contact zal opnemen als de situatie verandert.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 augustus 2018 (parketnummer 13/751972 ECLI:NL:RBAMS:2018:5594 nog niet extern gepubliceerd), ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden als volgt overwogen:

[Citaat]

“Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Standpunt van de raadsman

Wat betreft de detentieomstandigheden in België ligt de vraag voor of wij met goed fatsoen personen kunnen overleveren naar België in de huidige situatie. Er moet worden getoetst aan het kader dat is gegeven in het arrest van het Europese Hof van Justitie van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Cặldặraru). Eerst moet de vraag worden beantwoord of er een reële vrees voor schending van artikel 4 van het Handvest is. De beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer (IRK) met kenmerk: ECLI:NL:RBAMS:2018:4657 is daarbij van belang. Vervolgens moeten vragen worden gesteld met het oog op het uitsluiten van het gevaar voor de opgeëiste persoon. De Belgische autoriteit heeft bij e-mail van 11 juli 2018 de door de officier van justitie gestelde vragen beantwoord. Gelet op deze antwoorden is het gevaar voor de opgeëiste persoon niet uitgesloten. Er is sprake van een voorontwerp van wet. Op 26 juli 2018 zal op dat voorontwerp worden gereageerd. Het is onduidelijk wat er gaat gebeuren met het voorontwerp. De status van het wetsontwerp is onduidelijk. Er is niet gebleken van een definitief akkoord. Er is niet gebleken dat het ontwerp zal worden aangenomen. De implementatiedatum is onduidelijk. Het gevangenispersoneel kan op elk moment weer gaan staken. Als er wordt gestaakt, is de naleving van artikel 4 van het Handvest niet gewaarborgd. Het reële gevaar moet over de gehele detentieperiode worden getoetst en dan is er sprake van een reëel gevaar. De conclusie is dat het gevaar voor de opgeëiste persoon niet is uitgesloten door de antwoorden in de e-mail. Deze zaak heeft eerst negen maanden op de plank gelegen. Vervolgens is de zaak op zitting behandeld en aangehouden. Als de procedure te lang duurt, moet die worden beëindigd.

De raadsman heeft zich gelet op het voorgaande primair op het standpunt gesteld dat de verzochte overlevering moet worden geweigerd. Subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om meer duidelijkheid te verkrijgen over de detentiesituatie in België.

Standpunt van de officier van justitie

In de beslissing van de IRK die de raadsman heeft aangehaald, is door de rechtbank overwogen dat er op dat moment sterke aanwijzingen waren dat in Belgische gevangenissen waar wordt gestaakt, sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De IRK heeft vragen laten stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Deze vragen zijn beantwoord bij de e-mail van 11 juli 2018. We moeten vertrouwen op de verstrekte informatie. Daaruit blijkt dat er op dit moment weer wordt gewerkt in de gevangenissen en dat weer wordt voldaan aan de eisen van artikel 4 van het Handvest. Dat het wetgevingstraject nog loopt en dat de uitkomst onduidelijk is, betekent niet dat er een gevaar is van schending van artikel 4 van het Handvest. Er kan altijd in elk land worden gestaakt door gevangenispersoneel. Het Openbaar Ministerie zal bij de feitelijke overlevering rekening houden met een eventuele nieuwe staking.

Oordeel van de rechtbank

De Belgische autoriteit heeft in het bericht van 11 juli 2018 van de FOD Justitie over de stakingen de volgende informatie verstrekt:

De stakingen zijn begonnen op 19 juni jl. en troffen alle Belgische gevangenissen, zij het in verschillende mate. De inzet van de staking was de invoering van een gegarandeerde dienstverlening tijdens stakingen in de gevangenissen, waarvan het voorontwerp van wet midden juni werd aangenomen door de Ministerraad. Ook het ontwerp van nieuw statuut voor het gevangenispersoneel was een inzet.

Dit ontwerp voorziet in de mogelijkheid om personeel desnoods op te vorderen om een minimale regime aan de gedetineerden te kunnen bieden in geval van staking. Dit regime omvat het recht op voeding, hygiëne, zorg, briefwisseling, bezoek, telefoon, wandeling, en toegang tot de advocaat, consulaire of diplomatieke vertegenwoordiger en godsdienst.

De staking vond plaats in alle gevangenissen. Wel werden zij om beurten gehouden in de Nederlandstalige, resp. Franstalige inrichtingen, maar alle personeelsleden zijn vrij om alle dagen te staken.

Vanaf het begin van de staking zijn er formele en informele onderhandelingen opgestart met de vakbonden. Tijdens deze fase hebben de vakorganisaties een aantal opmerkingen kunnen maken rond het voorontwerp van tekst. Hieruit werd een nieuwe tekst opgemaakt waar de sociale partners tegen 26 juli op zullen reageren. Daarna zal de tekst opnieuw voorgelegd worden op de Ministerraad. Op basis hiervan heeft het personeel beslist het werk te hervatten.

Zoals gemeld werd er in alle gevangenissen gestaakt, maar wel op verschillende wijze naar gelang de inrichting. Het regime dat een actie aangeboden kan worden is immers afhankelijk van het aantal werkwilligen op die dag. De activiteiten die prioritair voorgaan zijn: douche, wandeling, telefoon en bezoek. Voedsel- en medicatiebedeling is altijd gegarandeerd. Het werkwillig personeel doet er steeds alles aan om een maximum aan basisvoorzieningen inzake regime aan de gedetineerden te bieden.

Wat betreft de naleving van artikel 4 van het Handvest heeft de Belgische autoriteit de volgende informatie verstrekt:

Zolang de minimale dienstverlening niet wettelijk is geregeld kunnen wij niet garanderen dat tijdens stakingen de detentieomstandigheden zullen beantwoorden aan de eisen van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook niet voor gedetineerden voor wie de nodige garanties werden gegeven.

Tot slot heeft de Belgische autoriteit de volgende informatie verstrekt over de beëindiging van de stakingen:

De staking is officieel beëindigd op 10 juli om 22 uur. Vanaf 11 juli starten de gevangenissen terug op en wordt het normaal regime weer ingevoerd. Dit proces kan 1 tot 2 dagen innemen.

Nu de staking voorbij is, worden de gevangenisregimes uiteraard weer normaal uitgevoerd in de Belgische gevangenissen. An sich antwoorden deze regimes aan de vereisten van in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de nu beschikbare informatie moet worden geconcludeerd dat tijdens stakingen in de Belgische gevangenissen sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest.

Hoewel de stakingen op 10 juli 2018 zijn beëindigd en het normaal regime weer is ingevoerd, is de rechtbank van oordeel dat nog altijd sprake is van een zorgwekkende situatie. Hierbij is van belang dat de onderhandelingen over de nieuwe regelgeving nog gaande zijn en dat de uitkomst van die onderhandelingen onzeker is.

Verder acht de rechtbank, mede gelet op de eerdere stakingen door gevangenispersoneel in België in de afgelopen periode, de kans op nieuwe stakingen gedurende de onderhandelingen reëel.

Mocht het tot een nieuwe staking komen voordat de nieuwe regelgeving is ingevoerd, dan volgt uit voormelde e-mail van 11 juli 2018 dat niet kan worden gegarandeerd dat een overgeleverde persoon toch in een situatie zal verkeren die voldoet aan de eisen van artikel 4 van het Handvest. Het vragen van dergelijke waarborgen is op dit moment dan ook niet opportuun.

De rechtbank ziet in hetgeen zij hiervoor heeft overwogen aanleiding het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen totdat meer duidelijkheid kan worden verschaft door de uitvaardigende justitiële autoriteit over de uitkomst van de onderhandelingen omtrent de nieuwe regelgeving en de (structurele) gevolgen hiervan voor de detentieomstandigheden.”

[einde citaat]

De vraag ligt voor of er op dit moment nog aanleiding bestaat om de hiervoor beschreven lijn (vooralsnog) te handhaven. Daarbij zijn, onder meer, de volgende aspecten van belang.

De omstandigheden in Belgische detentie instellingen zijn sinds geruime tijd voorwerp van ernstige zorg. Het CPT heeft zich in de Openbare verklaring van 13 juli 2017 daarover uiterst kritisch uitgelaten. Daarbij is er op gewezen dat in het geval van stakingen een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie ontstaat.

In de hiervoor weergegeven verklaring van 11 juli 2018 is door de Belgische regering erkend dat in het geval van stakingen niet kan worden gegarandeerd dat de detentieomstandigheden zullen beantwoorden aan de eisen van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook niet voor gedetineerden voor wie de nodige garanties werden gegeven.

In haar uitspraak van 2 augustus 2018 (gebaseerd op de ter zitting van 19 juli 2018 beschikbare informatie) waren de onderhandelingen nog niet afgerond en was nog niet bekend wat het standpunt van de sociale partners en het vervolgproces zou zijn, hetgeen op dat moment een zodanig onzekere toestand vormde dat de kans op nieuwe stakingen, met de hiervoor geschetste gevolgen, als reëel werd bestempeld.

In een email bericht van 30 juli 2018 van de Belgische autoriteiten aan het IRC is, onder meer, het volgende beschreven:

“Op 26/7 hebben de sociale partners inderdaad hun opmerkingen bezorgd die toegevoegd werden aan een ontwerp van protocol dat het formele sociaal overleg heeft afgerond. De onderhandelingen werden dus afgesloten met een protocol van niet-akkoord maar dat vormt geen beletsel voor de voortgang van het dossier. Er is dus evenmin sprake van een verderzetting van de onderhandelingen op 20 augustus. Het wetgevend proces zal nu voortgang kennen aangezien het akkoord van de sociale partners geen verplichte maar een formele voorwaarde is. De stakingen zijn momenteel opgeschort.”

Blijkens de overige informatie in genoemd emailverkeer is beschreven dat het opvolgend wetgevingsproces ongeveer 3 maanden zal gaan duren.

Inmiddels kan worden vastgesteld dat sinds 11 juli 2018 er geen sprake meer is van nieuwe stakingen, de onderhandelingen zijn afgerond en bekend is wat het standpunt van de sociale partners is en wat het nu te volgen traject is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nu er op dit moment geen sprake is van stakingen en da kans daarop ook niet meer reëel is, er geen sprake is van een toestand die strijdig is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie er geen aanleiding bestaat tot uitstel van haar beslissing te komen.

Het Openbaar Ministerie heeft uitgesproken bij de feitelijke overlevering rekening te houden met een eventuele nieuwe staking. Voor zover er sprake zal zijn van stakingen na de uitspraak van de rechtbank en voor de feitelijke overlevering zal de opgeëiste persoon zich tot de officier van justitie kunnen wenden teneinde - zo nodig in rechte - te bewerkstelligen dat de feitelijke overlevering wordt opgeschort.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeeïste persoon] aan het parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) ten behoeve van het in België tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en F.A.N.J. Goudappel, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 augustus 2018.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.