Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5925

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
13/751441-18
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een EAB, afkomstig van de Poolse justitiële autoriteit, ter vervolging van de opgeëiste persoon in Polen. De rechtbank doet een tussenuitspraak. Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2018:7032.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751441-18

RK-nummer: 18/3804

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,

niet ingeschreven in de Basisregistratie personen,

verblijfadres in Nederland: [verblijfadres] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [Huis van Bewaring] ” te [plaats] .

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting 19 juli 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd om de beantwoording van de door de Ierse rechter gestelde prejudiciële vragen in zaak C-216/18 PPU af te wachten, omdat die beantwoording mogelijk relevant zou zijn voor de afdoening van deze zaak. Deze beslissing had tot gevolg dat de beslistermijn werd opgeschort totdat de prejudiciële vragen waren beantwoord.

Verder heeft de rechtbank het verzoek om schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon afgewezen, omdat de rechtbank het met de officier van justitie eens was dat het vluchtgevaar te groot was.

Prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van het Europese Hof van Justitie van

25 juli 2018

Bij het arrest van 25 juli 2018 heeft het Europese Hof van Justitie in de zaak C-216/18 PPU de prejudiciële vragen beantwoord. Sindsdien is de beslistermijn niet meer opgeschort.

Zitting 7 augustus 2018

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,

mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Verder heeft de rechtbank een nieuw verzoek om schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon afgewezen, omdat de rechtbank nog steeds – met de officier van justitie – van oordeel was dat het vluchtgevaar te groot was.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 18 juni 2015 van the District Court in Poznań-Stare Miasto (referentie: III Kp 353/15-/-).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zes naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- dat de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen is aangevangen;

- dat de verdovende middelen in Polen zijn ingevoerd;

- dat de rechtsorde in Polen is geschaad;

- dat de bewijsmiddelen in Polen zijn.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Poolse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de feiten gedeeltelijk in Nederland zouden zijn gepleegd.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

6 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

6.1

Inleiding

De rechtbank heeft op 19 juli 2018 het onderzoek ter zitting geschorst om de beantwoording door het Europese Hof van Justitie van door de Ierse rechter (the High Court) gestelde prejudiciële vragen af te wachten. Die vragen zagen op – kort samengevat – de toetsing van het gevaar dat de opgeëiste persoon na overlevering geen eerlijk proces zou krijgen in Polen. Ze zijn gesteld in het licht van het met redenen omkleed voorstel van de Europese Commissie van 20 december 2017 op grond van artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake de rechtsstaat in Polen [COM(2017) 835 final] (hierna: met redenen omkleed voorstel) en de documenten waarnaar in dat voorstel wordt verwezen, op basis waarvan de Ierse rechter tot de conclusie was gekomen dat de rechtsstaat in Polen was geschonden. In het arrest van 25 juli 2018 heeft het Europese Hof van Justitie in de zaak C-216/18 PPU de vragen beantwoord (hierna: het arrest).

Op 7 augustus 2018 heeft de rechtbank het arrest met de opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie ter zitting besproken. De rechtbank zal hieronder eerst de standpunten van de raadsman en de officier van justitie met betrekking tot de uitleg van het arrest en de toepassing daarvan in deze zaak weergeven. Vervolgens zal het (tussen)oordeel van de rechtbank worden vermeld.

6.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft onder verwijzing naar het arrest het volgende naar voren gebracht.

De opgeëiste persoon verzet zich tegen zijn overlevering naar Polen, omdat er sprake is van structurele of, op zijn minst, fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces kunnen aantasten.

Gelet hierop is de rechtbank gehouden te beoordelen of de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.

Hiertoe dient allereerst op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Polen, nagegaan te worden of er een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat dat verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van Polen niet onafhankelijk zijn wegens structurele of fundamentele gebreken in Polen. Uit de inlichtingen die de Europese Commissie recent op grond van artikel 7, lid 1, VEU naar voren heeft gebracht over de lopende artikel 7 procedure tegen Polen kan geconcludeerd worden dat dit reële gevaar aanwezig is.

Voorts moet concreet en nauwkeurig beoordeeld worden of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat cliënt dit gevaar na zijn overlevering aan Polen zal lopen.

De raadsman is primair van oordeel dat nu al vast staat dat cliënt dit gevaar loopt. Gelet op het verontrustende rapport van de Europese Commissie en de omstandigheid dat de Poolse regering zich niets wenst aan te trekken van de kritiek op dit punt loopt iedere verdachte en dus ook de opgeëiste persoon gevaar dat zijn grondrechten worden geschonden.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden teneinde de Poolse rechter nadere gegevens te laten verstrekken waarin aangetoond wordt dat de Poolse rechter onafhankelijk is.

De opgeëiste persoon heeft op vragen van de rechtbank verklaard:

  • -

    dat zijn zaak in Polen nog niet is aangebracht bij de rechter;

  • -

    dat er geen medeverdachten zijn veroordeeld;

  • -

    dat er twee personen in de zaak zijn aangehouden, maar dat hij met die personen geen contact heeft;

  • -

    dat zijn Poolse advocaat hem heeft verteld dat rechters worden aangewezen door de overheid en niets te vertellen hebben, maar dat hij daarbij geen concrete voorbeelden kan geven;

  • -

    dat hij niet bekend is met de rechter van het Circuit Court in Poznan die het EAB heeft uitgevaardigd.

6.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, mede naar aanleiding van het arrest, het volgende naar voren gebracht.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 18 januari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:222) al geoordeeld over de inlichtingen die de Europese Commissie op grond van artikel 7, lid 1, VEU naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft toen geen schending van de beginselen van de rechtsstaat vastgesteld en geen beletsel gezien dat aan overlevering aan Polen in de weg stond. Nu de informatie op basis waarvan in deze zaak moet worden beslist, niet verschilt van de informatie in vorenbedoelde zaak, moet de overlevering ook in de onderhavige zaak worden toegestaan.

Aan de toetsing bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest, te weten

onderzoek door de uitvoerende rechterlijke autoriteit in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de haar ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen,

wordt niet toegekomen. Het is dan ook niet nodig de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

In het arrest wordt in rechtsoverweging 75 ook nog melding gemaakt van een andere toets die moet worden verricht, te weten

beoordeling door de uitvoerende rechterlijke autoriteit of er, in het licht van de specifieke zorgen die de betrokkene tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen.

Het is aan de opgeëiste persoon om in het kader van deze toets argumenten aan te dragen om een concreet gevaar te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan.

6.4

Oordeel van de rechtbank

6.4.1

Ten aanzien van eerdere uitspraken van de rechtbank

De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 januari 2018, waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, het verweer dat de opgeëiste persoon het risico loopt om het slachtoffer te worden van een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) – het recht op een eerlijk proces –, omdat het rechtssysteem van Polen niet meer voldoet aan de eisen van een rechtsstaat, verworpen. De rechtbank heeft toen overwogen dat sprake was van een zorgelijke ontwikkeling in Polen. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat op dat moment binnen EU-verband de artikel 7-procedure was gestart en dat door de Europese Commissie een nieuwe aanbeveling inzake de rechtsstaat tot Polen was gericht. Deze inspanningen strekten er volgens de rechtbank toe te voorkomen dat in de verdere toekomst een situatie zou ontstaan waarin het rechtssysteem in Polen niet meer zou voldoen aan de eisen van een rechtsstaat. De rechtbank heeft geconcludeerd dat bij de stand van zaken op dat moment niet kon worden geoordeeld dat overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen tot een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, in het bijzonder artikel 47 van het Handvest, zou leiden.

De rechtbank heeft deze lijn ook in een enkele latere uitspraak voortgezet. Die lijn is door de rechtbank echter gewijzigd, nadat de door de Ierse rechter geïnitieerde prejudiciële procedure bij het Europese Hof van Justitie bekend was geworden. De rechtbank heeft sindsdien in zaken betreffende Poolse EAB’s ter vervolging van opgeëiste personen de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen afgewacht. Nu deze vragen zijn beantwoord door het Europese Hof van Justitie zal de rechtbank de overwegingen in deze zaak toespitsen op het hierna weergegeven toetsingskader dat is gegeven bij het arrest.

6.4.2

Het toetsingskader gegeven bij het arrest

De rechtbank komt vooralsnog tot de volgende uitleg van het arrest.

Het uitgangspunt is volgens het Europese Hof van Justitie dat lidstaten erop moeten vertrouwen dat de grondrechten van verdachten in andere lidstaten worden gerespecteerd. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan dit wederzijds vertrouwen beperkt worden. In lijn met zijn eerdere rechtspraak (het arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) maakt het Europese Hof van Justitie duidelijk dat dit vertrouwen beperkt kan worden na het doorlopen van twee stappen:

  1. eerst vaststellen of er structurele problemen bestaan op het gebied van de bescherming van de grondrechten,

  2. daarna vaststellen of er ten aanzien van de opgeëiste persoon in het concrete geval ook een reëel risico bestaat dat zijn grondrechten na overlevering worden geschonden.

Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88) gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.1

Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?2

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?3

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.4

Vraag 1 betreft stap 1, die uit het arrest Aranyosi en Căldăraru voortvloeit, en vragen 2 en 3 zien op stap 2 uit dit arrest. Deze drie vragen moeten (ook logischerwijs) in voormelde volgorde worden beantwoord en slechts bij bevestigende beantwoording van al deze vragen, waarmee zou zijn aangenomen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit ervan afzien om aan het tegen die persoon uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel gevolg te geven.5

Over het door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te verrichten onderzoek in het kader van de beantwoording van voormelde vragen is in het arrest het volgende overwogen.

Ad 1. (toetsing ‘gebreken t.a.v. rechterlijke macht’)

Allereerst dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat (zie in die zin arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 89), na te gaan of er een ‘algemeen gevaar’ als bedoeld in vraag 1 bestaat. De inlichtingen in een met redenen omkleed voorstel dat de Commissie recent op grond van artikel 7, lid 1, VEU aan de Raad heeft doen toekomen, zijn voor die verificatie bijzonder relevante gegevens.6

Een dergelijke verificatie moet worden verricht naar de maatstaven van het beschermingsniveau van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht (zie naar analogie arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).7 Die maatstaven zien op de onafhankelijkheid van rechters en zijn in het arrest als volgt nader uitgewerkt in de punten 63 tot en met 67:

63 Daarbij moet eraan worden herinnerd dat het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat tot de kern van dit recht behoort, onlosmakelijk verbonden is met de rechterlijke opdracht en twee aspecten omvat. Het eerste, externe, aspect veronderstelt dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zouden kunnen brengen en hun beslissingen zouden kunnen beïnvloeden (zie in die zin arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Voor deze onontbeerlijke vrijheid ten opzichte van dergelijke externe factoren zijn bepaalde waarborgen nodig ter bescherming van de persoon van degenen die tot taak hebben recht te spreken, zoals hun onafzetbaarheid (arrest van 19 september 2006, Wilson, C‑506/04, EU:C:2006:587, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De ontvangst door die personen van een bezoldiging die qua omvang evenredig is aan het belang van de functies die zij uitoefenen, is ook een aan de rechterlijke onafhankelijkheid inherente waarborg (arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 45).

65 Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip onpartijdigheid en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 19 september 2006, Wilson, C‑506/04, EU:C:2006:587, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het orgaan, de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van zijn leden, die het mogelijk maken elke legitieme twijfel omtrent de onvatbaarheid van dit orgaan voor externe factoren en omtrent zijn neutraliteit ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen uit de geest van de justitiabelen te bannen. Aan de voorwaarde van onafhankelijkheid van de betrokken instantie is volgens de rechtspraak met name slechts voldaan indien de gevallen waarin haar leden kunnen worden afgezet, in uitdrukkelijke wetsbepalingen zijn genoemd (arrest van 9 oktober 2014, TDC, C‑222/13, EU:C:2014:2265, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Het vereiste van onafhankelijkheid gebiedt ook dat de tuchtregels voor de personen met een rechterlijke opdracht de noodzakelijke waarborgen bieden om elk gevaar uit te sluiten dat dergelijke regels worden gebruikt als systeem om politiek toezicht op de inhoud van de rechterlijke beslissingen te houden. Regels waarbij zowel de gedragingen die tuchtrechtelijke overtredingen opleveren als de concreet daarop toepasselijke sancties worden omschreven, waarbij wordt voorzien in de tussenkomst van een onafhankelijke instantie volgens een procedure waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten, waaronder de rechten van de verdediging, volledig worden gewaarborgd en waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen de beslissingen van de tuchtinstanties, vormen in dat verband een geheel van essentiële waarborgen voor het behoud van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet aan de hand van de in de punten 62 tot en met 67 van het arrest genoemde vereisten vaststellen dat er in de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van die lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen.8

Ad 2 (toetsing ‘gebreken t.a.v. rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen’)

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet vervolgens onderzoeken in hoeverre het vastgestelde ‘algemeen gevaar’ als bedoeld in vraag 1 gevolgen kan hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.9

Ad 3 (toetsing ‘concreet gevaar oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon’)

Indien blijkt dat het vastgestelde algemeen gevaar als bedoeld in vraag 1 gevolgen kan hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit tot slot nog te beoordelen of er een ‘concreet gevaar’ voor de opgeëiste persoon als bedoeld in vraag 3 moet worden aangenomen.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit is krachtens artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 verplicht om bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit alle aanvullende gegevens op te vragen die zij voor de beoordeling van het bestaan van een ‘concreet gevaar’ voor de opgeëiste persoon als bedoeld in vraag 3 noodzakelijk acht.10

In het kader van een dergelijke dialoog tussen de uitvoerende rechterlijke autoriteit en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan die laatste autoriteit de uitvoerende rechterlijke autoriteit in voorkomend geval elk objectief gegeven meedelen over eventuele wijzigingen in de uitvaardigende lidstaat met betrekking tot de voorwaarden voor de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid, dat aantoont dat dit gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten.11

6.4.3

Toepassing van het toetsingskader in deze zaak

Beantwoording vraag 1

De rechtbank leidt vooralsnog uit het arrest af dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.

Het daartoe te verrichten onderzoek zal moeten zijn gericht op beantwoording van de vragen:

  1. of de inlichtingen in het met redenen omkleed voorstel dan wel eventuele andere objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Polen tot de conclusie leiden dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, en zo ja,

  2. of die structurele of fundamentele gebreken de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, en zo ja,

  3. of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast door de door die structurele of fundamentele gebreken in gevaar gebrachte onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen.

De rechtbank stelt vast dat de raadsman de onder a, b en c vermelde vragen kennelijk positief heeft beantwoord en dit heeft onderbouwd door te verwijzen naar het met redenen omkleed voorstel.

Verder heeft de officier van justitie zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank van 18 januari 2018, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van de beginselen van de rechtsstaat in Polen. In die uitspraak heeft de rechtbank, zoals hiervoor al overwogen, echter niet het toetsingskader toegepast, zoals dat nu in het arrest is vastgelegd.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande en nu het gaat om een principiële, verstrekkende beslissing, aanleiding om het onderzoek te heropenen om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen:

  • -

    een (nader) onderbouwd standpunt in te nemen ten aanzien van vraag 1 in het hiervoor weergegeven toetsingskader, te weten of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.

  • -

    daarbij achtereenvolgens de hiervoor onder a, b, en c vermelde vragen te beantwoorden en – zo nodig – de maatstaven die zien op de onafhankelijkheid van de rechter, zoals in het arrest weergegeven in de punten 63 tot en met 67, te hanteren.

Het staat de raadsman en de officier van justitie uiteraard vrij om opmerkingen te maken over het door de rechtbank weergegeven toetsingskader en – afhankelijk van de beantwoording van de eerste vraag – ook nader in te gaan op de beantwoording van de tweede en derde vraag, zoals weergegeven bij het toetsingskader. Voorts kunnen de raadsman en officier van justitie datgene naar voren te brengen wat in het kader van de voorliggende problematiek dienstbaar wordt geacht. Hierbij merkt de rechtbank ter informatie op dat de Ierse rechter in de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld inmiddels bij (tussen)beslissing van 1 augustus 2018 vraag 1 in het hiervoor weergegeven toetsingskader, bevestigend heeft beantwoord (zie bijlage).

De rechtbank zal de voortzetting van de behandeling ter zitting plannen op 28 augustus 2018 om 11:30 uur.

De rechtbank verzoekt de raadsman en de officier van justitie hun standpunten per e-mail aan de griffier ( [e-mailadres] ) uiterlijk 23 augustus 2018 in te brengen.

7 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting tot 28 augustus 2018 om 11.30 uur, teneinde de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen

uiterlijk op 23 augustus 2018 (nader) onderbouwde standpunten, zoals hiervoor nader toegelicht, per e-mail ( [e-mailadres] ) in te brengen en de behandeling ter zitting vervolgens voort te zetten.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voormelde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon.

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen voormelde datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 augustus 2018.

Mr. C. Klomp is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 punt 60

2 punt 68

3 punt 74

4 punt 75

5 punt 78

6 punt 61

7 punt 62

8 punt 68

9 punt 74

10 punt 76

11 punt 77