Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
RK 18/1567
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek 591a Sv afgewezen door proceshouding (in strafzaak) en reden beleidssepot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2018/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/997001-17

RK: 18/1567

Beschikking op het verzoekschrift ex 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende op het adres [woonadres] ,

voor dit verzoek woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. S. Pijl, [adres] .

verzoeker.

1 De procesgang

Het verzoekschrift is op 6 maart 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 10 april 2018 heeft het Openbaar Ministerie (OM) zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 8 augustus 2018 de gemachtigde raadsman van verzoeker,

mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

2 De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 6.384,78 voor de kosten van de raadslieden en een vergoeding van € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard, onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie, zich te verzetten tegen het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadslieden. In elk geval dient deze vergoeding fors te worden gematigd.

4 De beoordeling

Op grond van de stukken en het verhandelde in openbare raadkamer gaat de rechtbank van het volgende uit.

1. Na een doorzoeking in het bedrijf ‘ [naam bedrijf] ’ van verzoeker op 25 oktober 2016, in het onderzoek ‘Melogale’’ van het Landelijk Parket, zijn gegevensdragers, administratie en een aanzienlijk geldbedrag inbeslaggenomen. De doorzoeking heeft plaatsgevonden in de zaak tegen hoofdverdachte [medeverdachte] . In de kantoorruimte van het bedrijf werd achter een stoel, in een plastic Albert Heijn tas, een contact geldbedrag van € 77.889,- aangetroffen.

2. De ongebruikelijke wijze waarop dit grote bedrag werd aangetroffen is een zogenaamde witwasindicator. Het bedrag bleek niet terug te vinden in (officiële) boeken van verzoeker en kon evenmin worden verantwoord met stukken van reguliere handelsactiviteiten. Bij de doorzoeking zijn voorts 6 kogelwerende vesten, 3 geldtelmachines en 2 jammers aangetroffen. Dit versterkte de witwasverdenking.

3. Verzoeker is op 31 oktober 2016 gehoord als verdachte. Hij heeft een verklaring afgelegd over de legale herkomst van het geldbedrag. Het geld kwam uit de handel in mobiele telefonie. Hij was bereid dat te onderbouwen met jaarstukken. De verdediging heeft vanaf het eerste verhoor op verschillende momenten contact gezocht met de politie en het OM in verband met de teruggave van het beslag. Op 9 maart 2017 is een klaagschrift ingediend.

4. Na de inbeslagname van het contante geldbedrag en het verhoor van 31 oktober 2016 is vanwege het OM diverse keren aan verzoeker gevraagd om de relevante boekhouding te overleggen, dan wel de wachtwoorden te geven van zijn computers zodat onderzoek kon worden gedaan naar de herkomst van dat geldbedrag. Volgens verzoeker was het geld van zijn bedrijf, van de verkoop van telefoons. Hij had geen kassa en moest de boekhouding van zijn bedrijf nog op orde maken. Verzoeker wilde op 1 december 2016 niet meewerken aan een getuigenverhoor in de zaak [medeverdachte] . Hij had al genoeg verteld over het geld. Aan de RC is gevraagd hem als getuige te horen.

5. Op 15 maart 2017 is verzoeker aanvullend gehoord als verdachte in de witwaszaak. Hij heeft toen een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Na afloop van het verhoor heeft de politie hem opnieuw gevraagd zijn administratie te overleggen. Hierop gaf verzoeker te kennen dat hij dit niet kon uitleveren, omdat deze nog onder beslag van de politie zou zijn. Pas wanneer hij de administratie terug zou krijgen, kon hij (naar eigen zeggen) de bedoelde administratie overhandigen. Hij verleende niet zijn medewerking cq. kon niet voldoen aan het verzoek tot het ontsluiten van een aantal in beslag genomen gegevensdragers.

6. Op 3 april 2017 heeft het OM de raadsman op diens verzoek een overzicht verzonden van het onder verzoeker gelegde beslag en tevens gemeld dat verzoeker tot op dat moment geen enkel inzicht had gegeven in zijn administratie. Een aantal inbeslaggenomen goederen, waaronder de administratie, waren inmiddels aan verzoeker teruggegeven.

7. Op 22 mei 2017 is verzoeker als getuige gehoord door RC in het onderzoek “Melogale’. Tijdens dit verhoor is aan de orde gekomen dat hij zich bezig hield met de handel van onder meer ‘NO 1 BC’ telefoons aan voornoemde [medeverdachte] . Tijdens dit verhoor is aan verzoeker gevraagd of hij de codes van de inbeslaggenomen computers wilde geven, zodat onderzoek kon worden gedaan naar de inhoud van de gegevensdragers. Dit heeft verzoeker geweigerd.

8. Op 12 juli 2017 heeft het OM diverse stukken ontvangen die zouden zien op de boekhouding van het inbeslaggenomen geldbedrag. Hierop is de geplande raadkamerzitting van 13 juli 2017 op verzoek van het OM aangehouden om de politie in staat te stellen de overgelegde administratie nader te onderzoeken. Daartoe is onder andere een rechtshulpverzoek naar Duitsland verzonden.

9. In de beklagzaak heeft op 15 november 2017 een raadkamerzitting plaatsgevonden. De verdediging heeft voor deze procedure de stukken van de beklagzaak bestudeerd, een pleitnota is opgesteld en in raadkamer de verdediging is gevoerd. Het standpunt van verzoeker was van meet af dat het beslag niet van misdrijf afkomstig was en dat er geen sprake was van witwassen. Het klaagschrift is op 29 november 2017 ongegrond verklaard, omdat het - kort gezegd – niet hoogst onwaarschijnlijk werd geacht dat de strafrechter, later oordelend, het beslag verbeurd zou verklaren.

10. Op 20 december 2017 heeft het OM de zaak geseponeerd en ongeveer een week later beslist om het inbeslaggenomen geld terug te geven aan verzoeker. Verzoeker heeft afstand gedaan van de inbeslaggenomen jammers en een transactie betaald van € 1.500,-.

11. De strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd in verband met het feit dat een ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleerde (code 20). De belastingdienst heeft de boekhouding van verzoeker onderzocht en een suppletie aangifte voor de omzetbelasting gedaan. Verzoeker heeft vervolgens een bedrag van € 33.000,- is betaald. Ook is aan verzoeker een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd en betaald van € 17.000,-. Hoewel de verdenking van witwassen nog steeds aanwezig was, omdat het contante geldbedrag van € 77.000,- niet genoegzaam kon worden verklaard, is door het OM uit opportuniteits- en doelmatigheids-overwegingen beslist dat de interventie van de Belastingdienst (maatschappelijk) effect heeft gehad, zodat de vervolging in de strafzaak tegen verzoeker niet behoefde te worden voortgezet.

Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 89 en/of 591s Sv. Het verzoek is tijdig ingediend.

In het verzoekschrift en in aanvulling daarop in raadkamer is door de raadsman bepleit om welwillend naar de gemaakte kosten in het kader van de strafzaak en het klaagschrift te kijken, nu een vergoeding van deze kosten door de proceshouding van verzoeker en de teruggave van het beslag te billijken is.

De officier van justitie heeft in het schriftelijk standpunt en in aanvulling daarop in raadkamer aangevoerd dat de aanleiding van het beleidssepot geen schadevergoeding rechtvaardigt. Het strafrechtelijk onderzoek heeft langer geduurd door de keuze van verzoeker om geen inzicht te geven in zijn administratie, wat bij een witwasverdenking in de lijn van de huidige jurisprudentie van een verdachte gevergd mag worden. Het is een goed recht van verzoeker om geen openheid van zaken te geven, maar de consequenties hiervan, te weten de hogere kosten voor rechtsbijstand, komen dan voor zijn rekening.

De officier van justitie heeft verder betoogd dat de ervaring leert, dat in procedures waarin om een schadevergoeding wordt verzocht, terwijl daartoe geen gronden van billijkheid aanwezig zijn, in sommige gevallen door de rechtbanken toch een gedeeltelijke vergoeding van de kosten wordt toegewezen. In dat kader heeft de officier van justitie in het schriftelijk standpunt opgenomen dat een eventuele vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand fors dient te worden gematigd dan wel te worden gehalveerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 591a lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.1

Bij de beantwoording van de vraag of de hiervoor genoemde gronden van billijkheid aanwezig zijn, kent de rechtbank betekenis toe aan de door de verzoeker in zijn hoedanigheid van verdachte in deze strafzaak gekozen proceshouding. Door bij herhaling geen medewerking te verlenen aan het overleggen van zijn administratie en het ontsluiten van gegevensdragers heeft verzoeker zelf bijgedragen aan het ontstaan en vergroten van de schade waarvan hij in de onderhavige procedure om vergoeding verzoekt.

Dat de strafzaak tegen verzoeker uiteindelijk is geseponeerd, maakt (ook) niet zonder meer dat hij recht heeft op een schadevergoeding. De reden van het beleidssepot dient daarbij in de afweging te worden betrokken. In deze zaak is na een interventie van de Belastingdienst uit opportuniteits- en doelmatigheidsoverwegingen door het OM besloten verzoeker niet verder te vervolgen. De reden voor het sepot was niet gelegen in het ontbreken van bewijs.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden van billijkheid zijn om aan verzoeker enige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. V.V. Essenburg, rechter,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier.

en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank,

binnen een maand na betekening van deze beschikking.

1 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566.