Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5850

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
13/650370-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man is veroordeeld tot 24 maanden cel, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor zijn betrokkenheid bij de ernstige mishandeling van twee homoseksuele mannen op het Damrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650370-17 (Promis)

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonend aan de [adres] te [woonplaats] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S. Gerson naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1

primair:

medeplegen van poging tot moord dan wel doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 juni 2017 te Amsterdam. Ten aanzien van [slachtoffer 1] door hem te omsingelen, te slaan (met een steen), hem naar de grond te trekken, te schoppen en op hem te springen, waardoor hij bewusteloos is geraakt en twee tanden moet missen. Ten aanzien van [slachtoffer 2] door hem vast te pakken, te slaan, op de grond te gooien en hem daar vastgedrukt houden, hem (tegen het gelaat) te schoppen en hem, toen hij zich trachtte op te richten, vol in het gezicht te trappen, waardoor [slachtoffer 2] bewusteloos is geraakt, een gescheurde lip en tandletsel heeft opgelopen;

subsidiair:

medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 juni 2017 te Amsterdam door voornoemde handelingen te plegen;

meer subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 18 juni 2017 te Amsterdam door voornoemde handelingen te plegen;

2:

openlijke geweldpleging op 18 juni 2017 op de Dam, het Damrak en het Beursplein te Amsterdam door voornoemde handelingen te plegen.

De letterlijke tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

In de nacht van 17 op 18 juni 2017 liepen aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), aangever [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) na een uitgaansavond over het Damrak richting het Centraal Station. Iets eerder hadden zij – in de omgeving van de Reguliersdwarsstraat – contact met een persoon die later bleek te zijn [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Zij hebben verklaard dat hij hen aansprak vanwege hun geaardheid, dat hij zei dat hij tegen homoseksualiteit was2, dat het niet was toegestaan om homoseksueel te zijn3 en dat hij homo’s wilde doodmaken4. Hij zou zijn vrienden hebben gebeld en hebben gezegd dat ze moesten komen.5 Hierna zijn ze elkaar tijdelijk uit het oog verloren.

Als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] aan de winkelzijde over het Damrak lopen is op camerabeelden te zien hoe [naam 3] en zijn broer, [naam broer] (hierna: [naam broer] ), hen van achteren naderen.6 [naam 3] en [naam broer] gaan op een gegeven moment aan weerszijden van [slachtoffer 1] staan. Vrijwel meteen haalt [naam 3] twee keer met zijn vuist hard uit naar het hoofd van [slachtoffer 1] , waarna [slachtoffer 1] terugdeinst, zich uit de voeten maakt en de trambaan op rent. [naam 3] volgt [slachtoffer 1] en terwijl zij op de trambaan staan slaat [naam 3] [slachtoffer 1] nog een keer tegen zijn hoofd. [slachtoffer 1] loopt vervolgens snel door naar de overkant van het Damrak ter hoogte van de Beurs van Berlage. [naam 3] en [naam broer] lopen terug naar de winkelzijde. Op dat moment komen vanuit de verte twee personen over de trambaan aanrennen, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en verdachte. [naam 3] en [naam broer] draaien zich om en alle vier de personen rennen in de richting van [slachtoffer 1] , die dan tegen de gevel van de Beurs van Berlage staat. [slachtoffer 1] wordt ingesloten en [naam 3] , [medeverdachte 1] en verdachte beginnen op hem in te slaan. [slachtoffer 1] wordt naar de grond getrokken door [medeverdachte 1] en geschopt door [medeverdachte 1] en [naam 3] . Ook verdachte schopt in de richting van [slachtoffer 1] , terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt. Het geweld houdt op als [naam broer] [naam 3] wegduwt. [naam 3] , [medeverdachte 1] , [naam broer] en verdachte laten [slachtoffer 1] , die het bewustzijn heeft verloren, op de grond achter en lopen terug. Later blijkt dat hij onder andere een tand heeft verloren en dat een andere tand is afgebroken7.

Aan de overzijde van de straat, aan de winkelzijde, staat [slachtoffer 2] – naar eigen zeggen in shock – naar het geweld tegen [slachtoffer 1] te kijken. Als [naam 3] , [medeverdachte 1] , [naam broer] en verdachte weer teruglopen naar de winkelzijde van het Damrak verandert [naam 3] ineens zijn looprichting en loopt hij op [slachtoffer 2] af en slaat hij hem hard tegen zijn hoofd. [slachtoffer 2] probeert terug te slaan, waarna ook [medeverdachte 1] en [naam broer] op hem afrennen en slaande bewegingen maken. [medeverdachte 1] gooit [slachtoffer 2] op de grond en slaat hem herhaaldelijk tegen het hoofd. Tegelijkertijd schopt [naam 3] hem meermalen. Verdachte komt aanrennen vanuit het pand aan het [pand] , springt omhoog en probeert [slachtoffer 2] op zijn hoofd te trappen. Hij mist ternauwernood, omdat [slachtoffer 2] net op dat moment zich opricht. Als [slachtoffer 2] van de grond omhoog weet te komen, vlucht hij het pand aan het [pand] in. Later blijkt dit een pand te zijn waar [naam 3] , [medeverdachte 1] , [naam broer] en verdachte toegang toe hadden. Zij volgen [slachtoffer 2] het pand in en verdwijnen een paar seconden uit beeld. Het eerstvolgende beeld is van [slachtoffer 2] die, met zijn gezicht naar beneden, door [medeverdachte 1] het pand wordt uitgegooid en op het trottoir terecht komt. Terwijl [slachtoffer 2] zich probeert op te richten, komt [naam 3] de deur uitrennen en schopt hij [slachtoffer 2] hard en vol in het gezicht. Door de schop slaat het hoofd van [slachtoffer 2] achterover en komt hij op zijn zij te liggen. Hij grijpt met zijn handen naar zijn hoofd. [naam 3] schopt hierna nog twee keer hard in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] , waarbij hij de eerste keer zijn handen raakt en de tweede keer mist. [naam broer] komt het pand uitrennen, gaat tussen [slachtoffer 2] en [naam 3] in staan en trekt [naam 3] weg. [slachtoffer 2] staat moeizaam op en loopt wankelend weg. [slachtoffer 2] heeft als gevolg van dit geweld pijn aan zijn tanden opgelopen en een gescheurde lip.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden bewezen. Verdachte en zijn mededaders hebben meerdere harde vuistslagen en trappen in de richting van of tegen het hoofd van de slachtoffers gegeven. Door op deze manier te handelen hebben verdachte en zijn mededaders willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat slachtoffers zouden komen te overlijden. Het hoofd is erg kwetsbaar en meervoudig toegebracht fors geweld op het hoofd is zeer risicovol. Ten aanzien van [slachtoffer 1] geldt dat verdachte geweldshandelingen uitvoert en met zijn neus bovenop de handelingen van de anderen staat. Verdachte maakt dus deel uit van de groep die het geweld pleegt. Zijn rol maakt hem medepleger van de poging doodslag die ten aanzien van [slachtoffer 1] plaatsvindt. Ten aanzien van [slachtoffer 2] geldt dat verdachte een aanloop neemt, de lucht in springt en met een stampende beweging neerkomt op de plek waar het hoofd van [slachtoffer 2] zich een fractie daarvoor bevond. Deze sprong kan op zichzelf als een poging doodslag worden gekwalificeerd. Daarnaast kan de openlijke geweldpleging worden bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 1] en van [slachtoffer 2] . Ten aanzien van [slachtoffer 2] moet verdachte ook worden vrijgesproken van het meer subsidiair tenlastegelegde. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte slachtoffers van het leven heeft willen beroven dan wel de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat zij zouden komen te overlijden, dan wel dat hen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Er is geen bewijs voor medeplegen. Verdachte kan niet mede verantwoordelijk worden gehouden voor alle geweldshandelingen van medeverdachten. Verdachte heeft bovendien geen enkel letsel toegebracht aan [slachtoffer 2] . De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

De rol van verdachte

Zoals onder 3.1 is weergegeven heeft verdachte een rol gespeeld in het geweld tegen zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] . Op de camerabeelden is te zien dat verdachte samen met [naam 3] , [medeverdachte 1] en [naam broer] [slachtoffer 1] heeft ingesloten en dat verdachte op hem in heeft geslagen en in zijn richting heeft geschopt terwijl hij op de grond lag. Wat betreft het geweld tegen [slachtoffer 2] is te zien dat verdachte uit het pand [pand] naar buiten komt rennen, omhoog springt en probeer met zijn voet met kracht op het hoofd van [slachtoffer 2] te trappen. Verdachte trapt mis enkel omdat [slachtoffer 2] probeert op te staan.

De rechtbank heeft bij haar bewezenverklaring onderscheid gemaakt tussen de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] en die tegen [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het medeplegen van de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (feit 1 primair), het medeplegen van de zware mishandeling op [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair) en de openlijke geweldpleging (feit 2) bewezen.

3.4.2

Vrijspraak van poging tot moord

De rechtbank is het, met de officier van justitie en de raadsvrouw, eens dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat sprake is geweest van het voor poging tot moord vereiste kalm beraad en rustig overleg. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.4.3 –

Geweld ten aanzien van [slachtoffer 2]

De rechtbank heeft ten aanzien van het tegen [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld het volgende vastgesteld. [slachtoffer 2] is tweemaal geslagen waarna hij op de grond is gegooid. Terwijl [slachtoffer 2] op de grond ligt en door mededaders tegen zijn hoofd wordt geschopt en geslagen, komt verdachte aanrennen, hij springt omhoog en probeert met zijn voet met kracht op het hoofd van [slachtoffer 2] te trappen. Dit lukt niet omdat [slachtoffer 2] probeert op te staan. Nadat [slachtoffer 2] het pand aan het [pand] is ingevlucht wordt hij het pand uitgegooid en vervolgens hard in het gezicht geschopt.

Medeplegen

Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de plegers een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld hebben geleverd. Indien twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen, behoeven niet alle delictsbestanden door elk van hen te worden vervuld. Verdachte heeft een aanloop genomen en geprobeerd [slachtoffer 2] op zijn hoofd te trappen, terwijl hij op de grond lag en werd geslagen en geschopt door mededaders. Dit geweld is gelijktijdig uitgeoefend. De rechtbank acht bewezen dat bij de geweldshandelingen sprake is geweest van een zodanige gezamenlijke uitvoering en een nauwe samenwerking dat deze de kwalificatie medeplegen oplevert.

Poging tot doodslag

De vraag die voorligt is of verdachte door zijn rol in dit geweld opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . De rechtbank overweegt dat de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 2] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als gericht op de dood van [slachtoffer 2] .

Verdachte heeft – terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag en werd geschopt en geslagen door mededaders – een aanloop genomen, een sprong omhoog gemaakt en geprobeerd met zijn voet met kracht op het hoofd van [slachtoffer 2] te trappen. Het is slechts geluk dat verdachte niet vol het hoofd van [slachtoffer 2] heeft geraakt. Uit de beelden kan niet anders worden afgeleid dan dat verdachte wel de bedoeling had om het hoofd van [slachtoffer 2] te raken. Dat dit niet is gelukt, is slechts te danken aan het feit dat [slachtoffer 2] probeerde op te staan. Naar algemene ervaringsregels brengt het met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd trappen de aanmerkelijke kans met zich mee dat dit tot de dood van het slachtoffer leidt. Het hoofd is immers een kwetsbaar en vitaal deel van het menselijk lichaam. Verdachte moet zich van deze aanmerkelijke kans bewust zijn geweest. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Verdachte had [slachtoffer 2] door de trap immers even goed wél op zijn hoofd kunnen raken. Aldus was bij verdachte sprake van opzet op de dood van [slachtoffer 2] . Dit gedeelte van het onder 1 primair tenlastegelegde, de poging tot doodslag, kan dan ook bewezen worden verklaard.

3.4.4 –

Geweld ten aanzien van [slachtoffer 1]

Vrijspraak van poging tot doodslag

De rechtbank heeft ten aanzien van het tegen [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld het volgende vastgesteld. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met zijn mededaders ingesloten op het trottoir voor de Beurs van Berlage op het Damrak en heeft op hem ingeslagen. Verdachte heeft in de richting van [slachtoffer 1] geschopt, terwijl hij op de grond lag. Zijn mededaders hebben [slachtoffer 1] meerdere malen tegen het hoofd geslagen en tegen zijn lichaam geschopt.

De vraag die voorligt is of verdachte, door aldus te handelen, opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar volgt dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geslagen en in zijn richting heeft geschopt, maar dat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld met hoeveel kracht [slachtoffer 1] is geraakt. Dit heeft er mee te maken dat de toezichtcamera de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] aan de Beurszijde van het Damrak niet scherp in beeld heeft gebracht. Hoewel niet kan worden afgedaan aan het letsel dat [slachtoffer 1] heeft opgelopen en aan het feit dat [slachtoffer 1] het bewustzijn heeft verloren, kan de rechtbank daarom niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] door het geweld zou komen te overlijden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit gedeelte van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring medeplegen zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich samen met mededaders schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 1] , nu er meermalen tegen het hoofd is geslagen en tegen zijn lichaam is geschopt. Het hoofd is een uitermate kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Vaststaat dat [slachtoffer 1] als gevolg van de mishandeling fors letsel aan zijn gebit heeft opgelopen. Of sprake is van zwaar lichamelijk letsel hangt af van de aard en de ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank is van oordeel dat de verwondingen van [slachtoffer 1] , waaronder in het bijzonder het volledig uit de mond raken van één tand en het afbreken van een andere tand, zwaar lichamelijk letsel oplevert. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de tandheelkundige ingrepen die [slachtoffer 1] al heeft moeten ondergaan (zoals een wortelkanaalbehandeling en het plaatsen van een stift), de verwachte – langdurige – hersteltijd en de verklaring van de tandarts van [slachtoffer 1] van 30 januari 2018. Volgens de tandarts is het zeer dubieus of [slachtoffer 1] zijn twee tanden kan behouden. Om die reden acht de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 1] het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen.

3.4.5 –

Openlijke geweldpleging

Hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het uitgeoefende geweld brengt de rechtbank eveneens tot bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging. Het geweld is immers in vereniging in het openbaar gepleegd op het Damrak.

3.5 –

Partiële bewezenverklaring van het primair en subsidiair tenlastegelegde

Ten aanzien van het (partieel) bewezen verklaren van zowel het onder 1 primair als het onder 1 subsidiair tenlastegelegde verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187. De rechtbank is van oordeel dat het aldus benaderen van de tenlastelegging geen grondslagverlating oplevert nu het hier gaat om verschillende gedragingen.

3.6 –

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair, het onder 1 subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair:

op 18 juni 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet naar die [slachtoffer 2] is toegerend, waarna hij verdachte en zijn mededaders

- die [slachtoffer 2] tegen het hoofd hebben geslagen en gestompt en

- die [slachtoffer 2] van achteren hebben vastgepakt en

- vervolgens die [slachtoffer 2] hebben geslagen en

- die [slachtoffer 2] met kracht op de grond hebben gegooid en

- vervolgens die [slachtoffer 2] tegen de grond gedrukt hebben gehouden en

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en tegen de grond gedrukt werd gehouden die [slachtoffer 2] meermalen met geschoeide voet (tegen het gelaat) hebben geschopt en tegen het gelaat hebben gestompt en

- omhoog zijn gesprongen en met kracht in de richting van die [slachtoffer 2] hebben getrapt en

- toen die [slachtoffer 2] zich trachtte op te richten met geschoeide voet hard en vol in het gezicht van die [slachtoffer 2] hebben geschopt ten gevolge waarvan het hoofd van die [slachtoffer 2] hard achterover is geslagen en

- toen die [slachtoffer 2] op de grond lag met geschoeide voet meermalen in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben geschopt

ten gevolge waarvan de lip van die [slachtoffer 2] is gescheurd en die [slachtoffer 2] tandletsel heeft bekomen;

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

op 18 juni 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door opzettelijk

- die [slachtoffer 1] te omsingelen en

- die [slachtoffer 1] meermalen te slaan en te stompen en te trappen en

- die [slachtoffer 1] hard naar de grond te trekken en

- toen die [slachtoffer 1] op de grond lag die [slachtoffer 1] meermalen met geschoeide voet te trappen

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] bewusteloos is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] een of meer tanden moet missen;

ten aanzien van feit 2:

op 18 juni 2017 te Amsterdam met anderen op de openbare weg, Damrak, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- omsingelen van die [slachtoffer 1] en

- meermalen slaan en stompen van die [slachtoffer 1] en

- hard naar de grond trekken van die [slachtoffer 1] en

- meermalen met geschoeide voet trappen van die [slachtoffer 1] terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt

en

- lopen naar die [slachtoffer 2] en

- tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] slaan en

- van achteren vastpakken van die [slachtoffer 2] en

- vervolgens slaan van die [slachtoffer 2] en

- met kracht op de grond gooien van die [slachtoffer 2] en

- vervolgens tegen de grond gedrukt houden van die [slachtoffer 2] en

- meermalen met geschoeide voet (tegen het gelaat) van die [slachtoffer 2] schoppen en tegen het gelaat van die [slachtoffer 2] stompen terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en tegen de grond gedrukt werd gehouden en

- omhoog springen en met kracht in de richting van die [slachtoffer 2] trappen en

- toen die [slachtoffer 2] zich trachtte op te richten met geschoeide voet hard en vol in het gezicht van die [slachtoffer 2] schoppen ten gevolge waarvan het hoofd van die [slachtoffer 2] hard achterover sloeg en

- toen die [slachtoffer 2] op de grond lag met geschoeide voet meermalen in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij onder andere rekening gehouden met het discriminatoire aspect van het geweld, de ernst van het geweld en het strafblad van verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel met een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden en/of een werkstraf. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van het mogelijk discriminatoire karakter van het geweld.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, een zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Verdachte heeft met zijn mededaders zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] ernstig toegetakeld, onder andere door hen in het gezicht te slaan, te schoppen en op de grond te gooien. Met dit handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Uit de verklaringen van de slachtoffers en de toelichting bij hun vorderingen tot betaling van schadevergoeding blijkt dat zij hiervan nog steeds nadelige gevolgen ondervinden, zowel fysiek als psychisch. Het geweld heeft bovendien plaatsgevonden op de openbare weg, waar op elk uur van de dag en de nacht mensen zijn, namelijk het Damrak. Verdachte heeft op de koop toegenomen dat voorbijgangers werden geconfronteerd met het geweld en daardoor zelf ook angstig zouden kunnen worden om over straat te gaan. Daarnaast brengen dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving, hetgeen in deze zaak met bijbehorende media aandacht ook duidelijk is gebeurd.

De aanleiding van het geweld was onmiskenbaar gerelateerd aan het feit dat de slachtoffers homoseksueel waren. De twee aangevers en hun vrienden, [naam 1] en [naam 2] , waren – na een uitgaansavond in de Reguliersdwarsstraat – naar eigen zeggen op een wijze gekleed waardoor zij duidelijk als homoseksueel herkenbaar waren. [naam 2] was die avond bijvoorbeeld als drag queen gekleed. Alle vier verklaren zij dat zij zonder aanleiding door [naam 3] werden uitgescholden, die op dat moment zonder de andere verdachten over straat liep. “Misselijkmakende homo’s. Waarom doen jullie zo? Er zijn hier genoeg vrouwen. Gay zijn is niet goed.” En “Ik ben geen vriend van homo’s. Ik wil jullie doodmaken”. Het geweld van verdachte en zijn mededaders dat later volgde kan hier niet los van worden gezien. Zonder dat zij daartoe enige aanleiding hebben gegeven zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in elkaar geslagen en getrapt. Zij werden, uit alle mensen die op dat moment op straat waren, gericht uitgekozen en aangepakt, slechts om wie zij zijn. De vraag rijst in dit verband of verdachte wetenschap had van die aanleiding van het geweld. Verdachte ontkent dit. De rechtbank stelt vast dat tussen [naam 3] en [medeverdachte 1] telefonisch contact heeft plaatsgevonden kort voordat het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] begon. De rechtbank kan niet vaststellen dat de uitlatingen door de telefoon van [naam 3] over de seksuele geaardheid van aangevers en hun twee vrienden verdachte hebben bereikt. Ook uit het korte videofragment op de telefoon van [medeverdachte 1] , dat enkele uren na het geweldsincident als Whatsapp-bericht is verzonden, kan niet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het geweld er weet van had dat de geaardheid van aangevers de aanleiding was voor het geweld. In het videofragment spreken [naam 3] en [medeverdachte 1] over het aftuigen van homo’s. De rechtbank houdt het er voor dat zij hier doelen op het uitgeoefende geweld tegen aangevers enkele uren daarvoor, maar verdachte neemt niet deel aan dat gesprek. Nu ook overigens uit het dossier de wetenschap van verdachte ten tijde van het geweld over de homoseksuele geaardheid van aangevers niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid, laat de rechtbank bij de straftoemeting de relatie tussen het geweld en de homoseksuele geaardheid van aangevers buiten beschouwing.

De rechtbank houdt rekening met de significante rol die verdachte in het geweld heeft gespeeld. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zich onvindbaar heeft gehouden, terwijl het niet anders kan dan dat hij heeft geweten dat hij door de politie werd gezocht. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Ter zitting heeft verdachte zijn aandeel in het geweld erkend en zijn spijt betuigd, maar heeft hij het geweld ook geprobeerd te rechtvaardigen door te verklaren dat hij in de veronderstelling was dat [naam 3] door de slachtoffers eerst werd aangevallen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken en acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten en de vonnissen tegen de mededaders. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Gelet op de aard en ernst van de misdrijven als in deze zaak bewezen, is het opleggen van een taakstraf niet aan de orde, ook niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De reclassering heeft in het rapport van 22 juni 2018 geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting. De rechtbank zal dit advies volgen en een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 15.356,66 aan materiële schadevergoeding en
€ 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 2.895,00 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor wat betreft het materiële gedeelte kunnen worden toegewezen op gelijke wijze als bij de mededaders is toegewezen. Het immateriële gedeelte moet worden gesteld op € 5.000,00. De bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, onder verwijzing naar haar pleitnotities, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de immateriële schade te matigen en de materiële schade af te wijzen, dan wel bij toewijzing te matigen. Diverse posten zijn onvoldoende onderbouwd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het toe te wijzen deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen geachte medeplegen van zware mishandeling en het onder 2 bewezen geachte openlijke geweld, rechtstreeks schade heeft geleden. Ten aanzien van de materiële schade aan kleding en bezittingen acht de rechtbank de posten ‘Smart Watch (Samsung Frontier)’ en ‘Schoenen (Vans Denim) onvoldoende onderbouwd, nu geen stukken zijn overhandigd waaruit de schade blijkt en niet zonder meer uit het bewezenverklaarde volgt dat de schoenen en de smartwatch zijn beschadigd. Ook voor de schade met betrekking tot de posten ‘Jeans jasje (Zara)’, ‘Oorbellen (3 paar)’ en ‘T-Shirt’ zijn geen stukken overhandigd, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat aan deze goederen schade is ontstaan als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. De gevorderde bedragen zijn ook niet onredelijk, terwijl [slachtoffer 1] van meet af aan heeft verklaard over het verliezen van zijn oorbellen. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen (€ 249,95).

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die ziet op tandheelkundige kosten overweegt de rechtbank als volgt:

- ten aanzien van de post ‘Tandartsenpraktijk Evangelist B.V.’ wordt de vordering toegewezen voor een bedrag van € 601,35. De vordering wordt voor wat betreft de gevorderde incassokosten en rente niet-ontvankelijk verklaard;

- ten aanzien van de posten ‘Mondzorg Poli Amsterdam’ (€ 189,20) en ‘Tandartsenpraktijk [naam praktijk] ’ (€ 144,72) wordt de vordering eveneens toegewezen;

- ten aanzien van de post ‘Tandartsenpraktijk [naam praktijk] ’ wordt de vordering toegewezen voor een bedrag van € 96,81. De vordering wordt voor wat betreft de incassokosten niet-ontvankelijk verklaard;

- ten aanzien van de posten ‘MCZ (Fysiotherapie)’ (€ 83,50 en € 146,00), ‘Apotheek [naam apotheek] ’ (€ 1,29), ‘ [naam apotheek] Apotheek’ (€ 4,95) wordt de vordering toegewezen;

- ten aanzien van de post ‘Eigen risico Menzis’ (€ 336,20) wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu de raadsvrouw gemotiveerd heeft betwist dat het eigen risico is verbruikt aan kosten die in causaal verband staan met het opgelopen letsel en er geen stukken zijn waaruit blijkt dat dat eigen risico daadwerkelijk is verbruikt. Benadeelde heeft dit bedrag zelf geschreven op een brief over zijn premie.

De toegewezen bedragen zijn door middel van nota’s voldoende onderbouwd.

Verder is € 13.640,17 gevorderd aan te verwachten toekomstige kosten voor het herstel van het gebit, hetgeen is gebaseerd op een globale kostenindicatie opgesteld door tandartsenpraktijk [naam praktijk] . De rechtbank overweegt dat uit de overhandigde stukken blijkt dat op dit moment nog onvoldoende vaststaat of deze kosten in volle omvang daadwerkelijk zullen worden gemaakt nu dit afhankelijk is van veel factoren. Om die reden zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Op basis van hetzelfde schriftelijk stuk van de tandarts is echter wel aannemelijk dat er in de toekomst kosten zullen worden gemaakt die direct verband houden met het bewezen verklaarde. De rechtbank schat deze vooralsnog naar redelijkheid en billijkheid op € 2.500,00 en zal dit bedrag toewijzen. Indien de kosten achteraf hoger blijken uit te vallen kan [slachtoffer 1] zich wenden tot de burgerlijk rechter.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat [slachtoffer 1] immateriële schade heeft ondervonden. Hij is mishandeld en hij heeft daarbij ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Die mishandeling vond bovendien plaats vanwege zijn geaardheid, hetgeen een ernstige impact op hem heeft gehad. Daarbij overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat verdachte niet wist dat het geweld zijn oorsprong vond in homohaat aan de aansprakelijkheid van verdachte niet afdoet, nu hij hoofdelijk met de mededaders voor de volledige schade aansprakelijk is. Om tot een begroting van de immateriële schade te komen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hetgeen in soortgelijke zaken aan slachtoffers wordt toegewezen. De rechtbank zal een bedrag ter vergoeding van immateriële schade toekennen van € 2.500,00. De benadeelde partij zal in het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit betekent dat ten aanzien van [slachtoffer 1] een bedrag van € 6.517,77 (bestaande uit € 4.017,77 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens [slachtoffer 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 6.517,77, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juni 2017.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het toe te wijzen deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder feit 1 primair bewezen geachte medeplegen van poging tot doodslag en het onder feit 2 bewezen geachte openlijke geweld, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevorderde materiële schadevergoeding, met uitzondering van de post ‘OLVG’, onvoldoende is onderbouwd, nu geen stukken zijn overgelegd waaruit de schade blijkt en niet zonder meer uit het bewezenverklaarde volgt dat de gevorderde schade is geleden. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de posten ‘Samsung Galaxy S8’, ‘Zwart leren jack’, ‘Blauw Witte Sneakers’, ‘Zonnebril (Porsche)’, ‘Gouden ketting’ en ‘Ear Piece koptelefoon’ niet-ontvankelijk in zijn vordering. De kostenpost ‘OLVG’ , die ziet op de kosten van de spoedeisende hulp, zal wel worden toegewezen tot het bedrag genoemd in de bijgevoegde nota (€ 250,-).

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat [slachtoffer 2] immateriële schade heeft ondervonden. Hij is mishandeld en hij heeft daarbij lichamelijk letsel opgelopen. Die mishandeling vond bovendien plaats vanwege zijn geaardheid, hetgeen een ernstige impact op hem heeft gehad. Daarbij overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat verdachte niet wist dat het geweld zijn oorsprong vond in homohaat aan de aansprakelijkheid van verdachte niet afdoet, nu hij hoofdelijk met de mededaders voor de volledige schade aansprakelijk is. De rechtbank komt tot een schadevergoeding van € 1.500,00. Dit bedrag is lager dan het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat aan [slachtoffer 1] is toegekend, nu [slachtoffer 1] ernstiger letsel aan de mishandeling heeft overgehouden. De benadeelde partij zal in het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit betekent dat ten aanzien van [slachtoffer 2] € 1.750,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juni 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens [slachtoffer 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 47, 57, 141, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair:

medeplegen van poging tot doodslag

en

medeplegen van zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd van 2 jaar bij Reclassering Nederland te [adres 1] melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling bij de Forensische Polikliniek de Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

t.a.v. benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van , wonende te [woonplaats] , toe tot € 6.517,77 (zesduizend vijfhonderdzeventien euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 juni 2017, tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 6.517,77 (zesduizend vijfhonderdzeventien euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 67 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, voor zover aan een van de genoemde betalingsverplichtingen is voldaan, daarmee de andere is vervallen.

t.a.v. benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van , wonende te [woonplaats] , toe tot € 1.750,00 (zeventienhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 juni 2017, tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , € 1.750,00 (zeventienhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 27 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, voor zover aan een van de genoemde betalingsverplichtingen is voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en A.E.M. van Loon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 augustus 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , doorgenummerde pag. 6-10.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , doorgenummerde pag. 43-45.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , doorgenummerde pag. 23-25.

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , doorgenummerde pag. 6-10.

6 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pag. 49-52 en waarneming van de rechtbank van de ter terechtzitting afspeelde beelden.

7 letselverklaring p. 37-38