Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5830

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
C/13/644658 / HA ZA 18-248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 843a Rv. Eiser vordert inzage in gegevens van de bank. Het betreft de bank waar de (vermoedelijke) oplichter van eiser rekeninghouder is en waar eiser geld naar heeft overgemaakt. De vordering wordt afgewezen, omdat het een fishing expedition is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/636
NTHR 2019, afl. 1, p. 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/644658 / HA ZA 18-248

Vonnis in incident van 15 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.A. Hupkes te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 februari 2018, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van eis ex artikel 843a Rv,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert [eiser] i) een verklaring voor recht dat ABN AMRO onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat dit onrechtmatig handelen aan ABN AMRO kan worden toegerekend, ii) een verklaring voor recht dat de door ABN AMRO geschonden normen strekken tot bescherming tegen schade zoals geleden door [eiser] , (iii) betaling van een bedrag van € 1.260.000,00 aan hem door ABN AMRO, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2017, en (iv) betaling door ABN AMRO van de buitengerechtelijke kosten ad € 6.775,00, de proceskosten en de nakosten.

2.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. In 2017 is [eiser] via de telefoon benaderd door een man die zich [naam 1] noemde waarbij hij vertelde dat hij werkte voor een internationale belegger genaamd [naam internationale belegger] (hierna: [naam internationale belegger] ). Deze man heeft [eiser] een beleggingsvoorstel gedaan, dat [eiser] heeft geaccepteerd. [eiser] heeft in de periode van 29 april 2017 tot en met begin juli 2017 meerdere geldbedragen overgemaakt naar een rekeningnummer bij ABN AMRO. De rekeninghouder is [naam internationale belegger] , [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is daarvan de oprichter en enig aandeelhouder en bestuurder. Bij elkaar opgeteld gaat het om een bedrag van € 1.260.000,00. Begin juli 2017 ging de site, waarop [eiser] het verloop van zijn ‘beleggingen’ kon volgen, plat en bleek de rekening, na conservatoir derdenbeslag door [eiser] , leeggehaald te zijn. Volgens [eiser] is er sprake van oplichting/fraude en heeft ABN AMRO als bank haar bijzondere zorgplicht jegens [eiser] als derde geschonden. Het ging hier namelijk om ongebruikelijke transacties met een georganiseerd karakter. Alle ontvangsten in de korte periode waren afkomstig van een en dezelfde klant. De omvang van de gestorte bedragen was ongebruikelijk hoog bij een pas zo kort bestaand bedrijf. Op basis van de door ABN AMRO verplicht te hanteren transactiemonitoringsprocessen had zij aanleiding moeten zien om zelfstandig onderzoek te doen of er sprake was van ongebruikelijke transacties. ABN AMRO mocht de activiteiten van [naam internationale belegger] niet zomaar op zijn beloop laten zonder zich ervan te vergewissen dat overeenkomstig de wet- en regelgeving werd gehandeld en dat er geen sprake was van illegale activiteiten. ABN AMRO heeft [eiser] blootgesteld aan risico’s die de – ook jegens derden bestaande – bijzondere zorgplicht van financiële instellingen beoogt uit te sluiten en daardoor heeft zij onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] en dient zij de als gevolg daarvan geleden schade van [eiser] te vergoeden.

3 Het geschil in incident

3.1.

[eiser] vordert op grond van artikel 843a Rv dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ABN AMRO veroordeelt om aan de advocaat van [eiser] binnen twee weken na betekening van het vonnis toe te zenden:

  1. een uitdraai uit haar systemen betreffende de in het lichaam van de dagvaarding omschreven factuurfraude zoals vastgelegd door haar afdeling Veiligheidszaken;

  2. de naam van de andere bij het onder i bedoelde incident betrokken bank;

  3. een compleet overzicht van mutaties van inkomende en uitgaande gelden betreffende rekeningnummer [rekeningnummer] alsmede betreffende de andere rekening gehouden bij de bank (waarvan het nummer onbekend is) die door [naam 2] althans de achterliggende dader(s) voor de doorstorting van de door [eiser] gestorte gelden is gebruikt, in de vorm van Pdf-bestanden van de bankafschriften die door de bank per maand achteraf in haar geautomatiseerde systemen worden aangemaakt;

  4. de naam van de andere bank waarop de stortingen van [eiser] bij wege van ‘tussenstop’ terecht zijn gekomen, voordat deze werden overgeboekt naar Dubai alsmede het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van deze rekening;

  5. onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag ingaande tien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

[eiser] stelt – samengevat – dat hij belang heeft bij een vordering ex artikel 843a Rv teneinde de verdere bestemming en eindbestemming van de geldstroom, die van hem afkomstig is, in kaart te brengen met het oog op het vinden van verhaal, hetzij op de daders, dan wel op andere banken dan ABN AMRO die een faciliterende rol bij de fraude hebben gespeeld. Verder heeft [eiser] belang bij zijn vordering, omdat het van belang is voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van ABN AMRO in de hoofdzaak wegens schending van haar zorgplicht.

3.3.

ABN AMRO voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Artikel 843a Rv verbindt aan de toewijsbaarheid van de daarin bedoelde vordering de volgende cumulatieve voorwaarden: (i) de eiser dient een rechtmatig belang te hebben en (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij zijn. Bovendien (iv) dient de wederpartij over de bescheiden te beschikken of deze onder haar berusting te hebben. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, is degene die de stukken waarvan afgifte wordt gevraagd niettemin niet gehouden deze af te geven indien (a) een gewichtige reden zich daartegen verzet of (b) redelijkerwijze aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder afgifte van de gevraagde stukken is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 Rv).

4.2.

Voor het aannemen van een rechtmatig belang is voldoende, dat de partij die de inzage verlangt aan de hand van de hem bekende feiten en omstandigheden aannemelijk maakt dat hij mogelijk een onderliggende vordering heeft. Geen aanspraak bestaat op inzage als de achterliggende vordering gelet op het daartegen gevoerde verweer onvoldoende aannemelijk is.

Vorderingen onder 3.1.(i) en (ii)

4.3.

[eiser] wenst afgifte van de in de digitale dan wel papieren systemen van ABN AMRO geregistreerde gegevens betreffende de factuurfraude, waarbij [naam 2] betrokken zou zijn geweest voorafgaand aan het openen van een zakelijke rekening bij de bank. Voorts wil [eiser] weten wat de naam van de andere bij de factuurfraude betrokken bank is. [eiser] stelt hierbij een rechtmatig belang te hebben, omdat dit enerzijds noodzakelijk is voor de onderbouwing van zijn vordering in de hoofdzaak op ABN AMRO en de

beoordeling daarvan door de rechtbank, en anderzijds om zo meer te weten te komen over de eventuele verhaalsmogelijkheden/vorderingen via een andere bank op de vermeende oplichter/fraudeur of nog andere onbekende derden of op die andere betrokken bank, aldus begrijpt de rechtbank.

4.4.

De vorderingen onder 3.1.(i) en (ii) zijn naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Met de vordering tot inzage in de “volledige uitdraai uit haar systemen” is namelijk niet voldaan aan het vereiste van “bepaalde bescheiden”. Dit is te weinig specifiek. De wetgever heeft met artikel 843a Rv namelijk geen algemene exhibitieplicht in het leven willen roepen en artikel 843a Rv biedt bovendien niet de mogelijkheid documenten op te vragen, waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. In dat geval ontbreekt ook een rechtmatig belang bij eiser. De Minister van Justitie heeft tijdens de algemene beraadslaging in de Eerste Kamer (Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, blz. 417) benadrukt dat de exhibitieplicht van artikel 843a Rv ‘slaat op de situatie, dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft’. Daarvan is in dit geval geen sprake. [eiser] weet niet wat zich aan informatie over de factuurfraude onder ABN AMRO bevindt. Hij vermoedt slechts dat daarvan gegevens deel uitmaken die erop wijzen of aantonen, dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden (door na de melding van factuurfraude alsnog [naam 2] een zakelijke rekening te laten openen) of die vertellen waar zijn geld naar toe is gesluisd, hetgeen de reden is dat hij de naam van de andere bank wil weten, maar dat maakt deze vordering tot een ‘fishing expedition’, waartoe het bepaalde in artikel 843a Rv zich uitdrukkelijk niet leent.

Vorderingen onder 3.1.(iii) en (iv)

4.5.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen onder 3.1. (iii) en (iv) ten grondslag gelegd dat hij daarbij een rechtmatig belang heeft, omdat hij zo vervolgstappen kan nemen richting hetzij de dader, dan wel andere financiële instellingen die een faciliterende rol hebben gespeeld, waarbij zij ook mogelijk de zorgplicht tegenover [eiser] als derde hebben geschonden. Verder stelt [eiser] een rechtmatig belang te hebben, omdat een compleet inzicht in mutaties noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of ABN AMRO aan haar zorgplicht heeft voldaan, van belang is namelijk het moment waarop de gelden van [eiser] op de rekening werden bijgeschreven en weer werden afgeschreven en wanneer de systemen van ABN AMRO een alert genereerden.

4.6.

De rechtbank overweegt dat [eiser] geen rechtmatig belang heeft, nu ook deze vorderingen het karakter van een ‘fishing expedition’ hebben. Artikel 843a Rv is niet bedoeld om afgifte van bescheiden te vorderen en om aan de hand daarvan te onderzoeken of deze welllicht kunnen bijdragen aan de onderbouwing van de (vermeende) aansprakelijkheid van de wederpartij of eventuele anderen.

4.7.

ABN AMRO heeft reeds geprobeerd gelden afkomstig van [eiser] terug te halen. Op die manier is € 99.950,00 van zijn geld teruggehaald van een bank in [land] en aan [eiser] ter beschikking gesteld. ABN AMRO heeft toegelicht dat meer of andere gelden niet meer te achterhalen waren. In dat licht heeft [eiser] ook om die reden al geen rechtmatig belang bij zijn vorderingen.

4.8.

[eiser] baseert zijn vorderingen niet alleen op artikel 843a Rv, maar ook op artikel 22 Rv. De in artikel 22 Rv gegeven bevoegdheid aan de rechter om op de zaak betrekking hebbende bescheiden op te vragen betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter, leent zich meer voor toepassing in de hoofdzaak dan in een incident en biedt geen grondslag voor een incidentele vordering tot het overleggen van stukken.

4.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de incidentele vorderingen worden afgewezen.

4.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 543,00. [eiser] zal tevens worden veroordeeld in de nakosten op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 543,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 augustus 2018 voor beraad comparitie,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, rechter, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2018.