Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5780

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
C/13/597117 / HA ZA 15-1023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht - verjaring vordering samenloop gestuit - verhouding met 6:11 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/597117 / HA ZA 15-1023

Vonnis in vrijwaring van 8 augustus 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma

DURA VERMEER-IMTECH NETTENBOUW V.O.F.,

gevestigd te Cruquius ,

eiseres,

advocaat mr. A. van Duijn-Koopman te Arnhem,

en

de rechtspersoon naar buitenlands recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

tussenkomende partij,

advocaat mr. M. Timpert-de Vries

tegen

1. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

als rechtsopvolgster van Nassau Verzekeringmaatschappij N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

AMLIN S.E.,

(voorheen Amlin Europe N.V., althans Amlin Corporate Insurance N.V.),

als rechtsopvolgster van Fortis Corporate Insurance N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

3. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Tuit te Almere.

Partijen zullen hierna Dura Vermeer , Allianz en CAR-verzekeraars genoemd worden. Waar in dit vonnis Dura Vermeer wordt genoemd worden daaronder, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, ook haar rechtsvoorgangers begrepen. Waar Dura Vermeer en Allianz samen als procespartij worden genoemd zal ook gesproken worden van Dura Vermeer /Allianz in vrouwelijk enkelvoud.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 augustus 2017 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte uitlaten bewijslevering tevens houdende overlegging producties tevens houdende een verzoek tot het terugkomen op twee beslissingen van Dura Vermeer /Allianz van 13 september 2017;

  • -

    de akte uitlaten stuitingshandelingen na 29 juli 2010 van Dura Vermeer /Allianz van 27 september 2017;

  • -

    de antwoordakte van CAR-verzekeraars op beide aktes van Dura Vermeer /Allianz.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Voorgeschiedenis

2.1.

Deze zaak handelt over de schadeafhandeling als gevolg van een explosie op 18 augustus 2003 in coffeeshop [naam coffeeshop] in [plaats] . Als gevolg van deze explosie zijn twee werknemers van Dura Vermeer en een bezoeker van de coffeeshop (ernstig) gewond geraakt. Daarnaast is de coffeeshop zwaar beschadigd. In eerder gevoerde procedures (waaronder de hoofdzaak van deze vrijwaringsprocedure) is aansprakelijkheid van Dura Vermeer voor de schade vast komen te staan. De door Dura Vermeer opgeworpen vrijwaringsprocedure tegen Nuon over deze schade, die destijds tegelijk met onderhavige vrijwaringsprocedure is gestart, is in 2004 op de parkeerrol van deze rechtbank ambtshalve doorgehaald. Dura Vermeer heeft de schade aan de coffeeshop vergoed. Dat geldt ook voor de schade aan de bezoeker van de coffeeshop. Deze schade heeft zij verhaald op Allianz op grond van haar Aansprakelijkheidsverzekering Bedrijven (AVB-verzekering). Allianz heeft op haar beurt CAR-verzekeraars voor de schade aangesproken op grond van de wettelijke samenloopregeling. In het tussenvonnis is – kort weergegeven – overwogen dat Dura Vermeer als lasthebber van Allianz de procedure jegens CAR-verzekeraars kan voortzetten. Tevens is overwogen dat de werkzaamheden van Dura Vermeer op 18 augustus 2003 die tot de explosie hebben geleid onder de CAR-verzekering vielen en dat Dura Vermeer als verzekerde onder die polis een beroep daarop kan doen, waarbij een eventuele (te) late melding haar niet kan worden tegengeworpen, en dat toepassing van de wettelijke samenloopregeling tot de conclusie leidt dat CAR-verzekeraars in de onderlinge verhouding tussen Allianz en CAR-verzekeraars de tot dekking gehouden verzekeraars zijn.

2.2.

CAR-verzekeraars hebben zich beroepen op verjaring van deze regresvordering van Allianz op haar op grond van samenloop. De rechtbank heeft in het tussenvonnis voor de beoordeling van dit beroep op verjaring aangesloten bij het algemene verjaringsregime van artikel 3:310 BW wat onder meer meebrengt dat de verjaringstermijn gaat lopen op de dag, volgende op die waarop de benadeelde bekend werd met schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat toepassing van dit artikel op de onderhavige regresvordering ertoe leidt dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag, volgende op die waarop Allianz bekend verondersteld kan worden te zijn geweest met enerzijds een betalingsverplichting voortvloeiende uit de schademelding van Dura Vermeer onder de AVB-verzekering (bekendheid met de schade) en anderzijds haar bekendheid met de mogelijkheid die schade te verhalen op CAR-verzekeraars (bekendheid met de daarvoor aansprakelijke persoon). Toegepast op deze zaak heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat uit de eigen stellingen van Dura Vermeer en Allianz voortvloeide dat Allianz van meet af aan bekend was met CAR-verzekeraars als aansprakelijke persoon. Voor het moment waarop Allianz bekend verondersteld kon worden met een betalingsverplichting voortvloeiende uit de schademelding van Dura Vermeer onder de AVB-verzekering, heeft de rechtbank aangehaakt bij de eerste betalingen op grond van die schademelding, in januari 2005. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank geconcludeerd dat de relevante verjaringstermijn in januari 2005 moet zijn aangevangen. Dura Vermeer is opgedragen te bewijzen dat Allianz vóór januari 2010 aan CAR-verzekeraars (een) schriftelijke aanmaning(en) heeft gestuurd waarbij zij zich ondubbelzinnig haar rechten op het geldend maken van haar vordering op grond van samenloop heeft voorbehouden.

Aanvang verjaringstermijn: terugkomen op eerdere beslissingen?

2.3.

Dura Vermeer /Allianz heeft in haar akte van 13 september 2017 allereerst betoogd dat de rechtbank zou moeten terugkomen op de bindende eindbeslissing ten aanzien van het door haar aangenomen aanvangsmoment van de verjaringstermijn. Voor zover dit verzoek is gebaseerd op een gestelde onjuiste juridische grondslag, merkt de rechtbank het verzoek aan als een verkapt hoger beroep waarop in dit vonnis niet nader zal worden ingegaan. In het tussenvonnis zijn op basis van het tussen partijen tot op dat moment gevoerde debat bepaalde juridische knopen doorgehakt. Over de juistheid van die beslissingen is uiteraard verschil van mening mogelijk, maar met de aangevoerde argumenten heeft Dura Vermeer niet onderbouwd dat in het tussenvonnis sprake is geweest van een evidente onjuiste juridische grondslag van die beslissingen. Als aanvangsmoment voor de verjaring blijft de rechtbank dus uitgaan van de dag volgend op die waarop Allianz bekend is geraakt met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

2.4.

De rechtbank ziet in het door Dura Vermeer /Allianz aangevoerde wel aanleiding om terug te komen op haar feitelijke beslissing over het moment waarop Allianz bekend is geraakt met de voor de schade aansprakelijke persoon. De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat Allianz er van meet af aan van op de hoogte is geweest dat de schade ook verhaald kon worden op CAR-verzekeraars omdat zij deze volgens haar eigen stellingen steeds van alle stappen binnen de schadeafhandeling op de hoogte heeft gehouden. Dura Vermeer /Allianz heeft in haar akte van 13 september 2017 erop gewezen dat zij pas op 19 april 2006 in het bezit is geraakt van de polisbescheiden van de CAR-verzekering en toen dus pas op de hoogte raakte van de inhoud van de CAR-verzekering en de verzekeringsmaatschappijen die daarop hadden ingetekend. Zij heeft dit standpunt onderbouwd door het overleggen van de begeleidende brief bij de toezending van 18 april 2006. In haar akte betoogt Dura Vermeer /Allianz dan ook dat de verjaring in ieder geval niet is aangevangen voor 20 april 2006 (de dag volgend op de dag dat zij op deze manier met de aansprakelijke persoon bekend is geworden). CAR-verzekeraars hebben op dit punt in hun antwoordakte niet afdoende gemotiveerd gereageerd. Anders dan CAR-verzekeraars hebben aangevoerd, is het enkele feit dat Dura Vermeer /Allianz in algemene zin op de hoogte was van het bestaan van een CAR-verzekering daarvoor niet voldoende.

2.5.

Dura Vermeer /Allianz heeft met haar betoog op dit punt een nadere feitelijke invulling gegeven aan het precieze tijdstip waarop Allianz bekend is geraakt met de voor de schade aansprakelijke persoon en dus het tijdstip “van meet af aan”. Nu CAR-verzekeraars daar geen andere feiten of omstandigheden tegenover hebben gesteld, moet worden geconcludeerd dat de beslissing van de rechtbank voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn is uitgegaan van een achteraf onjuist gebleken feitelijke grondslag. Het zou in strijd komen met een goede procesorde om in het vervolg van de procedure uit te gaan van een aanvangsmoment van de verjaring, waarvan inmiddels bekend is dat dit niet klopt. Nu thans onbetwist vaststaat dat Allianz pas op 19 april 2006 wist welke CAR-verzekeraars zij op grond van samenloop kon aanspreken, voert Dura Vermeer /Allianz terecht aan dat de verjaringstermijn niet eerder dan op 20 april 2006 kan zijn gaan lopen. De rechtbank komt dan ook terug op wat zij in het tussenvonnis op dit punt heeft beslist en zal deze datum in de verdere beoordeling tot uitgangspunt nemen.

2.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van Allianz aan CAR-verzekeraars van 29 juli 2010 waarbij zij aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van door haar uitgekeerde bedragen en de door haar gemaakte kosten, aan te merken is als een rechtsgeldige stuitingshandeling. Thans moet dan ook worden geconcludeerd dat met deze brief de op dat moment lopende verjaring tijdig, namelijk binnen vijf jaar na 20 april 2006, is gestuit.

Stuitingshandelingen na 29 juli 2010

2.7.

In het tussenvonnis is vastgesteld dat CAR-verzekeraars (pas) tijdens het pleidooi hebben aangevoerd dat na de stuitingsbrief van 29 juli 2010 een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen en dat die verjaring niet eerder is gestuit dan op 27 juli 2016 met het indienen van een conclusie van eis door Allianz in de onderhavige procedure. Omdat het debat van partijen zich daartoe nog niet had uitgestrekt, zijn partijen bij het tussenvonnis ook in de gelegenheid gesteld om zich hierover nader uit te laten.

2.8.

Dura Vermeer /Allianz stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 3:317 BW en de daarop betrekking hebben de jurisprudentie, alle contacten die hebben plaatsgevonden tussen de (toenmalige) raadslieden van Dura Vermeer /Allianz en CAR-verzekeraars moeten worden aangemerkt als stuitingshandelingen. Op 29 juli 2010 is aan CAR-verzekeraars een brief geschreven waarin Allianz onbetwist ondubbelzinnig aanspraak heeft gemaakt op haar rechten op grond van samenloop. De advocaat van Dura Vermeer en Allianz heeft de advocaat van CAR-verzekeraars ook steeds op de hoogte gehouden van de procedure in de hoofdzaak. Eveneens op 29 juli 2010 heeft de advocaat van Dura Vermeer /Allianz CAR-verzekeraars op de hoogte gebracht van wat tijdens het pleidooi in de hoofdzaak was besproken en van een regelingsvoorstel van [naam] . Verder is op 20 juni 2011 de cassatiedagvaarding toegezonden en op 25 april 2012 de conclusie van de advocaat-generaal. Nadat de Hoge Raad op 13 juli 2012 in de hoofdzaak arrest had gewezen, heeft de advocaat van Dura Vermeer /Allianz de advocaat van CAR-verzekeraars op 3 september 2012 een e-mail gestuurd met als onderwerp “Allianz: Dura Vermeer /Nuon” waarin is aangegeven dat het arrest aanleiding was om te bezien wat met de vrijwaringsprocedures moest worden gedaan. Vervolgens heeft de advocaat van Dura Vermeer /Allianz op 8 juni 2015 in confraternele correspondentie de advocaat van CAR-verzekeraars laten weten dat de vrijwaringsprocedure zou worden hervat en medegedeeld dat er bereidheid was tot schikken. Ook op 8 juni 2015 is (een concept van) de conclusie van repliek in vrijwaring aan de advocaat van CAR-verzekeraars toegezonden. Dit betrof het processtuk waarin de wijziging van de grondslag van eis is neergelegd en waarin dus Dura Vermeer als lasthebber van Allianz de vordering op grond van meervoudige verzekering geldend is gaan maken.

2.9.

CAR-verzekeraars hebben aangevoerd dat het enkele feit dat zij steeds op de hoogte zijn geweest van een mogelijke aanspraak van Allianz niet maakt dat de verjaring niet hoefde te worden gestuit. De contacten tussen de wederzijdse advocaten die na 29 juli 2010 hebben plaatsgevonden zijn niet aan te merken als het voldoende waarborgen van de gepretendeerde vorderingen op basis van samenloop. Er is niet meer gebeurd dan dat het arrest van de Hoge Raad in de hoofdzaak per mail van 3 september 2012 aan de advocaat van CAR-verzekeraars is toegezonden. Vervolgens is bijna 3,5 jaar gewacht met het opnieuw activeren van de vrijwaringsprocedure. De kennelijke stelling van Dura Vermeer /Allianz dat CAR-verzekeraars op grond van enkele contacten tussen advocaten in het kader van de vrijwaringsprocedure maar rekening hadden moeten houden met een mogelijke vordering van Allianz op basis van samenloop, is de omgekeerde wereld. Allianz is de schuldeiser en het is aan haar om haar pretense rechten te waarborgen, aldus CAR-verzekeraars.

2.10.

De rechtbank oordeelt als volgt. Aan stuiting van de verjaring door Allianz mogen geen hogere eisen worden gesteld dan (de jurisprudentie op grond van) artikel 3:317 BW stelt. Dura Vermeer /Allianz voert terecht aan dat een schriftelijke mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing moet zijn aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Voorwaarde is steeds dat de wederpartij had behoren te begrijpen dat de eiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt.

2.11.

Tegen de hiervoor onder 2.8 door Dura Vermeer /Allianz gegeven en door CAR-verzekeraars inhoudelijk niet betwiste feitelijke achtergrond, is de rechtbank van oordeel dat het CAR-verzekeraars voldoende duidelijk moet zijn geweest dat zij rekening hadden te houden met de vordering van Allianz op grond van samenloop en dat dit met voldoende schriftelijke mededelingen in herinnering is gebracht. In deze vrijwaringsprocedure heeft Dura Vermeer immers in rechte haar schade op CAR-verzekeraars willen verhalen. CAR-verzekeraars hebben gedurende deze hele procedure verweer gevoerd, terwijl zij ervan op de hoogte waren dat aan de zijde van Dura Vermeer inmiddels Allianz als AVB-verzekeraar een rol was gaan spelen. In ieder geval vanaf 2010 was CAR-verzekeraars daarbij duidelijk dat Allianz een vordering op grond van samenloop geldend wilde maken. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de hiervoor aangehaalde e-mail van 8 juni 2015 en de daarbij aan de advocaat van CAR-verzekeraars toegezonden concept conclusie van repliek (waarin is toegelicht dat Dura Vermeer optrad als lasthebber van Allianz) in ieder geval als rechtsgeldige stuitingshandelingen moeten worden aangemerkt. De betreffende e-mail en concept conclusie van repliek laten er immers geen misverstand over bestaan dat Allianz jegens CAR-verzekeraars aanspraak blijft maken op nakoming van haar vordering uit hoofde van samenloop en moeten als een mededeling in die zin worden aangemerkt. De verjaring van de vordering van Allianz op CAR-verzekeraars is dan ook tijdig gestuit.

2.12.

Deze uitkomst van de verjaringsdiscussie sluit naar het oordeel van de rechtbank ook aan bij de bedoelingen van de wetgever. Dit wordt als volgt toegelicht. In het tussenvonnis is de vordering van Allianz op grond van samenloop gekwalificeerd als een regresvordering. Artikel 6:11 lid 3 BW bepaalt dat een tot bijdrage aangesprokene medeschuldenaar (CAR-verzekeraars) een beroep op verjaring slechts toekomt, indien op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen zowel hijzelf als degene die de bijdrage verlangt (Allianz), jegens de schuldeiser ( Dura Vermeer ) de voltooiing van de verjaring had kunnen inroepen. Hieruit leidt de rechtbank dan ook af dat ook de wetgever voor ogen staat dat bij de beoordeling van verjaring van een regresvordering als de onderhavige belang toekomt aan de omstandigheid dat deze naar haar aard beoordeeld moet worden in het licht van de hoofdvordering.

2.13.

Conclusie is dan ook dat de vordering van Allianz op grond van samenloop niet is verjaard. De gevorderde verklaring voor recht dat Dura Vermeer als lasthebber van Allianz een regresrecht heeft op CAR-verzekeraars ligt daarmee in beginsel voor toewijzing gereed. Met betrekking tot de overige vorderingen overweegt de rechtbank als volgt. Bij conclusie van repliek heeft Dura Vermeer reeds inzicht gegeven in de betalingen die Allianz op diverse momenten heeft gedaan. CAR-verzekeraars hebben daarop in de conclusie van dupliek slechts op hoofdlijnen gereageerd. Beide partijen hebben de rechtbank in overweging gegeven eerst een beslissing te geven op de vraag of Allianz (tijdig) een beroep op samenloop heeft gedaan. Het debat tussen partijen is daarna alleen op dat punt voortgezet en ook de rechtbank heeft in het tussenvonnis daarop de nadruk gelegd. Wel is in rechtsoverwegingen 4.26 en 4.27 van het tussenvonnis al beslist dat het beroep van CAR-verzekeraars op uitsluiting voor bedrijfsschade wordt verworpen en dat tussen partijen niet in geschil is dat uitgekeerde bedragen aan werknemers van Dura Vermeer wel vallen onder de uitsluiting voor werkgeversaansprakelijkheid. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de betalingen die Allianz heeft gedaan aan [naam] die strekten tot vergoeding van door haar geleden (bedrijfs)schade en het bedrag dat Allianz heeft betaald aan de bezoeker van [naam coffeeshop] door CAR-verzekeraars in ieder geval aan Allianz vergoed moeten worden. Uit de procedure tot nu toe en dus ook het tussen partijen op deze punten gevoerde debat vloeit immers rechtstreeks voort dat deze schade onder de dekking van de CAR-verzekering valt. Het debat tussen partijen op de volgende punten is echter nog niet voltooid, zodat partijen zal worden verzocht zich hierover bij akte nader uit te laten.

2.14.

Over de schaderegeling heeft Dura Vermeer /Allianz bij conclusie van repliek gesteld dat een bedrag van € 208.116,50 is betaald aan kosten voor medisch adviseurs, experts, advocaten, etc. Daarbij heeft zij een overzicht gegeven van de diverse betalingen en de data waarop deze zijn gedaan. Zij heeft gesteld dat ze daarbij heeft gehandeld als redelijk handelend verzekeraar zodat CAR-verzekeraars haar beslissing als eerst aangesproken verzekeraar omtrent hoogte en modaliteiten van de uitkeringen dient te volgen. CAR-verzekeraars hebben in de conclusie van dupliek erkend dat in het kader van de schaderegeling kosten moeten worden vergoed voor zover deze in redelijkheid zijn gemaakt. Ze hebben tot hun verweer aangevoerd dat elk inzicht in de gemaakte kosten en in de door Allianz gemaakte keuzen ontbreekt. Allianz heeft CAR-verzekeraars niet bij de keuzen en haar afwegingen betrokken en nooit tussentijds geraadpleegd. Ook gelet op de hoogte van de gevorderde kosten in relatie tot de gevorderde hoofdsom, menen CAR-verzekeraars dat deze niet als redelijk kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen hun standpunten op dit punt nader toe te lichten en, waar nodig, te onderbouwen. Omdat Dura Vermeer /Allianz betaling van de kosten vordert en op haar dus de stelplicht en bewijslast rusten, zal zij daartoe als eerste in de gelegenheid worden gesteld. De rechtbank verzoekt haar vooral ook om binnen de posten in ieder geval een onderscheid te maken naar kosten van externe deskundigen en buitengerechtelijke- dan wel proceskosten. Voor zover zij betaalde proceskosten vordert, ziet de rechtbank graag toegelicht in hoeverre deze onder de schaderegeling vallen dan wel onder de wettelijke proceskostenregeling.

2.15.

Dura Vermeer /Allianz heeft bij akte uitlaten stuitingshandelingen na 29 juli 2010 aangevoerd dat zij voorziet dat partijen geen overeenstemming buiten rechte zullen bereiken over de ingangsdatum/-data van de wettelijke rente over alle schadeposten en schaderegelingsposten, gelet op het verweer dat CAR-verzekeraars niet in verzuim zijn komen te verkeren. Zij stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum van de wettelijke rente 6 december 2006 moet zijn. Dat is de datum waarop CAR-verzekeraars bij conclusie van antwoord in vrijwaring weigerden dekking te verlenen en bij te dragen in de kosten. CAR-verzekeraars hebben in hun antwoordakte op dit punt slechts aangevoerd dat dit buiten het kader valt van de akte zoals door de rechtbank was verlangd. Dura Vermeer /Allianz draagt ook op dit punt de stelplicht en bewijslast, zodat zij ook hier als eerste in de gelegenheid zal worden gesteld haar standpunt toe te lichten. De rechtbank ziet daarbij graag een onderbouwing van haar standpunt van de ingangsdatum per afzonderlijk gevorderde post. Haar standpunt dat de ingangsdatum 6 december 2006 zou moeten zijn, kan immers geen onderbouwing vormen voor betalingen die door haar pas na die datum zijn verricht.

2.16.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 september 2018 voor het nemen van een akte door Dura Vermeer /Allianz over hetgeen is vermeld onder 2.14 en 2.15, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts, mr. B. Brokkaar en mr. M.L.S. Kalff en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.1

1 type: CHR coll: