Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5768

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
AMS 17/3419
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Artikel 52c van de Ziektewet. Eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Eiseres (eigenrisicodrager) heeft binnen een redelijke termijn verzocht om een beslissing over de toekenning van de ZW-uitkering alsmede een beslissing over de betaling van de ZW-uitkering door eiseres. Verzoek is - in dit geval - ten onrechte door verweerder afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3419

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] te [adres] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.P.F. Oosterbos).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], hierna te noemen [belanghebbende] , te [naam plaats]

(gemachtigde: mr. D. Grégoire).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een beslissing te nemen over de toekenning van de Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) per 8 februari 2012 en een beslissing te nemen over de betaling van deze ZW-uitkering afgewezen.

Bij besluit van 26 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [belanghebbende] is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Aanleiding voor deze procedure

1. [belanghebbende] is op 17 oktober 2011 bij eiseres in dienst getreden. Zij heeft zich op

8 februari 2012 ziek gemeld. Op 27 november 2013 heeft eiseres verweerder verzocht om [belanghebbende] op basis van het advies van de bedrijfsarts hersteld te verklaren met ingang van

28 oktober 2013. Met het besluit van 13 maart 2014 heeft verweerder hieraan gevolg gegeven. [belanghebbende] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van

11 september 2014 heeft verweerder het bezwaar van [belanghebbende] gegrond verklaard. Verweerder heeft aan de beslissing op bezwaar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam] (hierna: [naam] ) van 10 september 2014 ten grondslag gelegd. In dit rapport overweegt [naam] dat de bedrijfsarts aangeeft dat op basis van de medische problematiek er feitelijk al bij aanvang van het dienstverband sprake was van ongeschiktheid voor de maatstaf. Gelet op de gestelde diagnose en de in kaart gebrachte beperkingen is dit standpunt medisch gezien volgens [naam] aannemelijk. Eiseres heeft tegen de beslissing op bezwaar van 11 september 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam . Met de uitspraak van 11 februari 2016 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.1 Eiseres is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad). De Raad heeft op 12 juli 2017 uitspraak gedaan.2

2. Eiseres heeft verweerder hangende het hoger beroep op 21 oktober 2016 verzocht om een beslissing over de toekenning van de ZW-uitkering alsmede een beslissing over de betaling van de ZW-uitkering door eiseres als eigenrisicodrager. Eiseres is van mening dat bij de vaststelling van de maximale duur van de ZW-uitkering, ten onrechte 8 februari 2012 als de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] wordt gehanteerd. Volgens eiseres ligt de eerste dag van arbeidsongeschiktheid vóór aanvang van de dienstbetrekking tussen [belanghebbende] en eiseres. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar het rapport van [naam] . Tot slot verzoekt eiseres verweerder om een nader onderzoek te doen naar de reeds bestaande arbeidsongeschiktheid. Eiseres verwijst daarbij naar de rechtspraak van de Raad over dit onderwerp.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om een beslissing te nemen over de toekenning van de ZW-uitkering per 8 februari 2012 en een beslissing te nemen over de betaling van deze ZW-uitkering door eiseres als eigenrisicodrager afgewezen. Volgens verweerder heeft eiseres de beslissingen niet binnen een redelijke termijn aangevraagd.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder is het verzoek van eiseres terecht afgewezen. Op grond van artikel 4:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 52c van de ZW kan het ziekengeld worden betaald zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen behoefte bestaat aan een beschikking. Verweerder ging hier destijds vanuit. Op grond van artikel 4:88, derde lid, van de Awb wordt de betaalverplichting zo spoedig mogelijk alsnog bij beschikking vastgesteld, indien de belanghebbende daarom binnen een redelijke termijn verzoekt. Dat heeft eiseres volgens verweerder niet gedaan. Het ziekengeld werd immers toegekend per 8 februari 2012 en eiseres heeft pas op 21 oktober 2016 om de beslissingen verzocht. De lopende hoger beroepsprocedure stond niet in de weg aan het eerder indienen van het verzoek, aldus verweerder.

Standpunt van eiseres

5.1.

Eiseres is van mening dat zij op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsnog om een beslissing moet kunnen verzoeken, omdat zij anders geen toegang tot de rechter heeft. Eiseres voert verder aan dat niet gesteld kan worden dat zij de aanvraag niet binnen een redelijke termijn heeft ingediend. Volgens eiseres dient er rekening te worden gehouden met het feit dat er vanaf 10 april 2014 een lopende procedure is over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] . Eiseres heeft daarnaast pas naar aanleiding van het bezwaar van [belanghebbende] kennis kunnen nemen van het rapport van [naam] . Hierdoor was eiseres niet eerder op de hoogte van de aanwijzingen voor het eerder bestaan van de arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] . Eiseres heeft verweerder vanaf die tijd gevraagd om een onderzoek in te stellen naar het eerder bestaan van de arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] . Verder valt volgens eiseres niet in te zien in welk belang verweerder is geschaad doordat de aanvraag eerst op 21 oktober 2016 is ingediend.

5.2.

Op 16 maart 2018 heeft eiseres de gronden van haar beroep aangevuld. Hierin geeft eiseres aan dat de uitspraak van de Raad van 12 juli 2017 samenhangt met drie andere uitspraken van de Raad over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid in het geval de werkgever eigenrisicodrager is voor de ZW.3 Volgens eiseres is pas na deze uitspraken duidelijk geworden op welke manier een eigenrisicodrager de eerste dag van arbeidsongeschiktheid aan de orde moet stellen, indien er na de toekenning van de ZW-uitkering aanwijzingen zijn dat de arbeidsongeschiktheid al bestond vóór de eerste dag van de dienstbetrekking met de eigenrisicodrager. Volgens eiseres is het op basis van het rapport van [naam] voldoende aannemelijk dat er van een andere dag van arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan. Eiseres realiseert zich dat het op haar weg ligt om dit te onderbouwen. Eiseres heeft dit (nog) niet gedaan bij haar verzoek van 21 oktober 2016, maar op grond van artikel 4:5 van de Awb had verweerder eiseres daartoe in de gelegenheid moeten stellen. Zover is het echter niet gekomen, omdat verweerder het verzoek niet in behandeling heeft genomen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

5.3.

Eiseres heeft ter zitting haar beroepsgrond dat artikel 4:88 van de Awb niet van toepassing is, ingetrokken. Gelet op de uitspraak van de Raad van 12 juli 2017 is het voor eiseres duidelijk dat er een redelijke termijn geldt. De vraag is echter wat die redelijke termijn inhoudt.

Standpunt van verweerder

6. Volgens verweerder is de redelijke termijn geschonden, omdat er ruim twee jaar zit tussen het rapport van [naam] en het verzoek van eiseres. Bovendien had eiseres al veel eerder om een beslissing kunnen vragen. Verweerder verwijst daarbij naar de procedure bij de rechtbank Amsterdam . Bij de beoordeling van de redelijke termijn mag verder de rechtszekerheid van [belanghebbende] niet uit het oog worden verloren. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, artikel 4:88 van de Awb niet meer relevant is.

Reactie [belanghebbende]

7. [belanghebbende] verzoekt de rechtbank om het beroep van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk althans kennelijk ongegrond te verklaren. [belanghebbende] benadrukt dat deze procedure al heel lang duurt. Volgens haar is er sprake van schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Verweerder schiet tekort in zijn toezichthoudende taak. Hierdoor ondervindt [belanghebbende] veel problemen. Verder verbaast [belanghebbende] zich over het feit dat het beroep van eiseres nu door een meervoudige kamer wordt behandeld. [belanghebbende] verzoekt de rechtbank om eiseres te veroordelen in een tegemoetkoming van de kosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. [belanghebbende] behoudt zich het recht voor om haar schade (onder andere het mislopen van fiscale toeslagen) later alsnog te claimen.

Het oordeel van de rechtbank

8. De relevante wetsartikelen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

9. Zoals ter zitting is besproken kan eiseres, gelet op de uitspraken van de Raad van

12 juli 2017, binnen een redelijke termijn aan verweerder vragen om een beschikking over de betaling van ziekengeld. Daarmee is de vraag of een verzoek binnen een redelijke termijn moet worden ingediend beantwoord. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat hetgeen is bepaald in artikel 4:88 van de Awb in deze zaak niet van toepassing is. De rechtbank dient in deze zaak dus te beoordelen of eiseres binnen een redelijke termijn heeft verzocht om een beslissing over de toekenning van de ZW-uitkering alsmede een beslissing over de betaling van de ZW-uitkering door eiseres als eigenrisicodrager.

10. Ter zitting is vast komen te staan dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de redelijke termijn loopt vanaf het moment dat eiseres bekend was met het rapport van [naam] van 10 september 2014. Eiseres heeft op 21 oktober 2016 het verzoek ingediend. In deze zaak gaat het dus om een periode van ruim twee jaar.

11. De rechtbank overweegt als volgt. De vraag of er sprake is van een redelijke termijn dient te worden beoordeeld op basis van de omstandigheden van het geval. In deze zaak dient rekening te worden gehouden met het feit dat in artikel 52c, eerste lid, van de ZW geen expliciete wettelijke grondslag is opgenomen voor het indienen van een verzoek van een werkgever (zijnde eigenrisicodrager) om een besluit over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van een (ex-) werknemer. Pas vanaf de uitspraken van de Raad van 12 juli 2017 is het voor een werkgever (zijnde eigenrisicodrager) echt duidelijk op welke wijze hij een verzoek kan indienen. In deze uitspraken heeft de Raad – onder verwijzing naar artikel 52c, eerste en tweede lid, van de ZW – overwogen dat de ZW – voorziet in een systeem, waaruit kan worden afgeleid dat, wanneer een werkgever achteraf aan de juistheid van een aan het Uwv opgegeven eerste arbeidsongeschiktheidsdag twijfelt en bijvoorbeeld behoefte heeft aan een beschikking waarbij de einddatum van betaling van ziekengeld wordt vastgelegd op een datum die ligt voor afloop van een termijn van 104 weken na de ziekmelding van een werknemer, hij het Uwv daarom binnen een redelijke termijn kan vragen. Daar komt bij dat eiseres al in de procedure over de beslissing op bezwaar van

11 september 2014 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van [belanghebbende] aan de orde wilde stellen, omdat zij van mening is dat deze eerder dan op 8 februari 2012 is gelegen. Deze omstandigheden bij elkaar hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om het verzoek van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals ter zitting is besproken, vaststaat dat de rechtszekerheid van [belanghebbende] hierbij niet in het geding is. Ook het belang van verweerder is niet geschaad bij een wat langere termijn omdat uit de uitspraken van de Raad volgt dat het aan eiseres is om het bewijs van een eerdere datum van intreden van arbeidsongeschiktheid aan te dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet binnen een redelijke termijn om de beslissingen heeft verzocht.

12. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en wijst de zaak terug naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken. Deze termijn gaat pas lopen nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Daarbij bepaalt de rechtbank dat verweerder eiseres in de gelegenheid moet stellen haar verzoek te onderbouwen.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

15. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 8:26 van de Awb in samenhang met 8:69 van de Awb volgt, dat [belanghebbende] als derde-belanghebbende beperkt is in het aanvoeren van eigen gronden voor vernietiging van het bestreden besluit. Hierom en omdat het bestreden besluit reeds om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een oordeel te geven over de verzoeken van [belanghebbende] .

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen twaalf weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzitter, mr. J.H.M. van de Ven en mr. H.J. Schaberg, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

In artikel 8:26 van de Awb is bepaald dat:

1. De bestuursrechter kan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

2. Indien de bestuursrechter vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, kan hij in de Staatscourant doen aankondigen dat een zaak bij hem aanhangig is. Naast de aankondiging in de Staatscourant kan ook een ander middel voor de aankondiging worden gebruikt.

In artikel 8:69 van de Awb is bepaald dat:

1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.

3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.

In artikel 52c van de ZW is bepaald dat:

1. Het ziekengeld wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.

2. Het ziekengeld wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien sprake is van een spontane werkhervatting. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt, dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.

3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt het ziekengeld, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na indiening van de aanvraag.

1 Uitspraak van de rechtbank [adres] van 11 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2705 (gepubliceerd op rechtspraak.nl).

2 Uitspraak van de Raad van 12 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2465.

3 Uitspraken van de Raad van 12 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2466, ECLI:NL:CRVB:2017:2504 en ECLI:NL:CRVB:2017:2507.