Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5742

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
6893739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst of vrijwilligerswerk/opdracht? Vrijwilligersvergoeding. Geen ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6893739 EA VERZ 18-393

beschikking van: 8 augustus 2018

func.: 25

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoeker

nader te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. P.C. van den Berg

t e g e n

1. [verweerder sub 1]
hierna te noemen [verweerders]

2. [verweerder sub 2]
3. [verweerder sub 3]
4. [verweerder sub 4]
5. [verweerder sub 5]
hierna te noemen de bestuursleden

alle gevestigd/wonende te [plaats]

verweerders

nader ook gezamenlijk te noemen: [verweerders]

gemachtigde: mr. J.D. Edens

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan, primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen en subsidiair tot toekenning van een billijke vergoeding met nevenvorderingen. [verweerders] heeft een verweerschrift ingediend.

Op 18 juli 2018 is de zaak mondeling behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, [verzoeker] mede aan de hand van pleitaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog stukken ingediend.

Beschikking is bepaald op heden.

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

[verweerders] is een amateurvoetbalvereniging.

1.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1988, was vanaf 2015 bij [verweerders] actief als trainer voor de jeugd (D, E en F pupillen stage B). Aanvankelijk werd hij voor ongeveer 9 uur per week ingezet, waarvoor hij een vergoeding ontving van € 1.240,00.

1.3.

In februari 2017 heeft [verzoeker] de functie van Technisch Coördinator (TC) Onderbouw geaccepteerd. In de e-mail van de technisch manager van [verweerders] , [naam technisch manager] , van 27 februari 2017 staat:
Bedankt voor je enthousiaste reactie en geweldig te horen dat je de TC functie JO.8 t/m JO.11 wilt accepteren. Ik ben overtuigd dat je een versterking bent voor [verweerders] en we samen met de anderen [verweerders] weer naar grote hoogte kunnen brengen. In principe staan de algemene TC taken en werkzaamheden beschreven in het Technisch Jeugdplan. Ik denk dat het goed is dat we ons gesprek aanstaande donderdag gebruiken om specifiek te overleggen wat de functie behelst. (…)

1.4.

Vanaf april 2017 werd [verzoeker] Technisch Coördinator (TC) Onderbouw voor ongeveer 14 uur per week tegen een vergoeding van in totaal € 550,00 per maand. [verzoeker] ontving deze vergoeding op verzoek van [verweerders] op vier verschillende bankrekeningen.

1.5.

[verzoeker] heeft in dit verband zelf een (concept) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opgesteld en toegestuurd aan [verweerders] , gedateerd 1 mei 2017. Het is een overeenkomst voor 12 maanden, ingaande 1 mei 2017. De overeenkomst noemt als einddatum 30 juni 2018. [verweerders] heeft deze overeenkomst niet ondertekend.

1.6.

Bij e-mail van 2 mei 2017 heeft bestuurslid [verweerder sub 2] daarop laten weten:
waar gaat dit over? Wij maken als bestuur een trainers/vrijwilligers regeling? Dit gaat de tc/trainer toch niet zelf doen. arbeidsovereenkomsten zullen wij nooit opmaken!!! (…) heb verder maar niet meer gelezen maar dit ga ik in ieder geval nooit tekenen

1.7.

Bij e-mail van 2 mei 2017 heeft [verweerders] een opzet voor een Vrijwilligersregeling Trainer aan [verzoeker] ter inzage gestuurd, voor het seizoen 1-9-2017 tot en met 31-5-2018.

1.8.

Bij brief van het bestuur van 6 maart 2018 heeft het bestuur aan [verzoeker] laten weten:
Met deze brief bevestigt de vereniging Rksv [verweerders] dat uw functie als Technisch Coördinator onderbouw met onmiddellijke ingang wordt stopgezet. U dient zich ingaande vandaag te onthouden van alle vrijwilligerswerkzaamheden bij onze vereniging (…).
Ondanks diverse gesprekken met de leiding van de vereniging hebben wij moeten constateren dat er een onwerkbare situatie is ontstaan waardoor wij deze beslissing hebben moeten nemen. (…)

1.9.

Op 30 april 2018 heeft de gemachtigde namens [verweerders] een voorlopige aanvraag ontslagvergunning en verzoek uitstel bij het UWV ingediend

1.10.

[verzoeker] is betrokken bij de [naam vereniging] .

Verzoek

2. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat het ontslag vernietigd dient te worden;
II. te bepalen dat het dienstverband hersteld dient te worden;
III. te bepalen dat het achterstallige loon vanaf februari alsnog moet worden betaald inclusief de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
IV. subsidiair te bepalen dat – indien het dienstverband niet hersteld kan worden – de overeenkomst wordt ontbonden en aan [verzoeker] een billijke vergoeding en een transitievergoeding wordt toegekend;
V. te bepalen dat de bestuurders van [verweerders] persoonlijk aansprakelijk worden gehouden ten aanzien van het achterstallig loon, subsidiair de transitievergoeding en billijke vergoeding en de (buitengerechtelijke) kosten.

3. [verzoeker] stelt – kort samengevat – dat tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat hij ten onrechte door [verweerders] per 1 mei 2018 op staande voet is ontslagen. [verzoeker] vermoedt dat het feit dat hij als TC aandacht vroeg voor het naleven van de (fiscale) regels, met name met betrekking tot de betaling van het hem toekomende loon, reden voor de opzegging was. Voorts houdt [verzoeker] de bestuursleden persoonlijk aansprakelijk, omdat zij wisten dat de vrijwilligersregeling geen enkele ruimte bood voor de onderhavige constructie en niets hebben gedaan om de ernstige gevolgen voor [verzoeker] te voorkomen.

Verweer

4. [verweerders] voert gemotiveerd verweer, waarbij zij zich met name op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Voor het overige zal het verweer van [verweerders] , voor zover relevant, hierna aan de orde komen.

Beoordeling

5. In deze zaak is in de eerste plaats aan de orde of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen en zo ja, of deze rechtsgeldig door [verweerders] is opgezegd.

6. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is, anders dan [verweerders] aanvoert, niet doorslaggevend wat partijen beoogd hebben. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien.

7. Het staat vast dat [verweerders] de door [verzoeker] opgestelde arbeidsovereenkomst niet heeft ondertekend. Of [verweerders] aan [verzoeker] , voordat hij als TC begon, heeft toegezegd dat hij in dienst zou komen is vooralsnog niet gebleken. [verzoeker] verrichtte echter gedurende meer dan drie opeenvolgende maanden wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid, zodat het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW van kracht is. Uitgangspunt is dus dat [verzoeker] vermoed wordt de werkzaamheden te hebben verricht krachtens een arbeidsovereenkomst.

8. Ook overigens zijn er echter voldoende aanwijzingen om te concluderen dat [verzoeker] bij [verweerders] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden verrichtte, en niet als vrijwilliger, zoals [verweerders] beweert:
- de door [verweerders] betaalde vergoeding van € 550,00 per maand overschreed de gebruikelijke, fiscaal toegestane vrijwilligersvergoeding van € 150,00 per maand ruimschoots;
- [verzoeker] had vaste werktijden, namelijk op de dagen dat de onderbouw traint (maandag, woensdag en zaterdag);
- het feit dat [verweerders] de samenwerking formeel heeft beëindigd bij brief van 6 maart 2018, omdat er een “onwerkbare situatie” was ontstaan.

9. [verweerders] heeft daartegen ingebracht dat [verzoeker] niet was gehouden de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en dat er ook geen gezagsverhouding bestond. [verzoeker] weerspreekt dit. Het was volgens hem niet zo dat hij zich mocht laten vervangen. Het ging juist om hem als persoon. Er was bovendien wel degelijk een gezagsverhouding: er was een omschreven takenpakket en hij werd aangestuurd door de technisch manager [naam technisch manager] , aldus [verzoeker] .

10. De kantonrechter acht voldoende aangetoond dat [verzoeker] de werkzaamheden persoonlijk moest vervullen. In de door [verweerders] voor [verzoeker] opgestelde Vrijwilligersregeling is niets opgenomen over de mogelijkheid om de werkzaamheden door een ander te laten vervullen. Dit lijkt ook niet de bedoeling, gezien de wijze waarop [verzoeker] aan de ouders en de club als nieuwe TC onderbouw is gepresenteerd. Uiteraard zal er vervanging moeten worden geregeld als [verzoeker] afwezig is door ziekte, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat hij de werkzaamheden niet persoonlijk hoefde te verrichten. Ook staat voldoende vast dat er een gezagsverhouding was: in de door [verzoeker] overgelegde mailwisseling met technisch manager [naam technisch manager] van februari 2017 wordt verwezen naar de algemene TC taken en werkzaamheden beschreven in het Technisch Jeugdplan. Voorts kan uit de door [verweerders] voor [verzoeker] opgestelde Vrijwilligersregeling worden opgemaakt dat zijn taken en verantwoordelijkheden specifiek staan beschreven en dat er twee keer per seizoen een beoordeling van de trainer plaatsvindt.

11. [verweerders] heeft onvoldoende te bewijzen feiten en omstandigheden genoemd die, indien bewezen, leiden tot de conclusie dat er geen gezagsverhouding was en dat [verzoeker] zich bij zijn werkzaamheden kon laten vervangen. De enkele stelling van [verweerders] dat er geen gezagsverhouding was en dat [verzoeker] zich mocht laten vervangen is niet voldoende.

12. [verweerders] heeft – subsidiair - nog aangevoerd dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht. Dit bevrijdend verweer, waarvoor de bewijslast bij [verweerders] ligt, heeft zij echter verder niet onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat [verzoeker] ook werkzaamheden verricht voor de [naam vereniging] en als taxichauffeur is onvoldoende om de relatie met [verweerders] als een overeenkomst van opdracht te beschouwen.

13. Uit de door [verzoeker] opgestelde concept-overeenkomst wordt afgeleid dat partijen beoogden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan, ingaande 1 mei 2017 voor een periode van 12 maanden. De aanstelling was voor de duur van het voetbalseizoen. Ook het concept voor de Vrijwilligersregeling die door [verweerders] is opgesteld, gaat daar vanuit en noemt ook een bepaalde tijd, te weten tot en met 31 mei 2018. Hoewel de einddatum in beide concept-overeenkomsten niet eensluidend is, is de intentie van partijen dat wel. Er zal van worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 1 juni 2018.

14. Nu geoordeeld is dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, is aan de orde of de opzegging door [verweerders] van 6 maart 2018 moet worden vernietigd en of [verweerders] moet worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon.

15. Naar het oordeel van de kantonrechter is de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig, omdat niet is gebleken dat er sprake was van een voor een ontslag op staande voet vereiste dringende reden welke onverwijld aan [verzoeker] is meegedeeld. Duidelijk is dat [verweerders] in de veronderstelling verkeerde dat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond en dat zij daarom niet gebonden was aan de ontslagregels. Dat neemt niet weg dat nu is geoordeeld dat er wel een arbeidsovereenkomst was, zij zich als werkgever moet houden aan het ontslagrecht. Uit de brief van 6 maart 2018 blijkt niet anders dan dat [verweerders] zich op het standpunt stelt dat er een onwerkbare situatie is ontstaan. Dit is onvoldoende om het ontslag te rechtvaardigen.

16. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoeker] om vernietiging van die opzegging worden toegewezen.

17. Omdat de opzegging wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort tot 1 juni 2018, de datum waarop deze van rechtswege is geëindigd, en heeft [verzoeker] recht op loon. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling over de resterende periode van het contract zal daarom eveneens worden toegewezen als hierna te melden. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verweerders] te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 25%.

18. Nu het primair verzochte wordt toegewezen behoeven de subsidiaire verzoeken geen bespreking meer.

19. [verzoeker] heeft betoogd dat de bestuursleden van [verweerders] , tegen wie het verzoek eveneens is gericht, persoonlijk aansprakelijk zijn voor de betaling van het achterstallige loon, omdat hen een verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van de vennootschap en zij dat handelen in verband met de kenbare belangen van [verzoeker] hadden behoren te voorkomen. [verzoeker] doelt hiermee op de door [verweerders] gehanteerde fiscale constructie waarbij zij om te voldoen aan de fiscale vrijwilligersregeling van [verzoeker] eiste dat hij het hem toekomende bedrag op vier verschillende rekeningen liet overmaken. Hoewel deze handelwijze op het eerste gezicht niet lijkt te voldoen aan de fiscale eisen, is dit gegeven onvoldoende om de door [verzoeker] beoogde persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders aan te nemen. In dat geval moet immers zijn voldaan aan de eisen van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). [verzoeker] heeft daartoe onvoldoende gesteld. Zo is niet per bestuurder gesteld van welke gedraging hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en welk verwijt dat dan precies is. [verzoeker] heeft zijn stellingen op dit [verweerder sub 3] onvoldoende onderbouwd.
Anders dan [verweerders] betoogt, is het verzoek van [verzoeker] jegens de bestuursleden wel ontvankelijk, want dit valt binnen de reikwijdte van artikel 7:686a lid 3 BW, maar het verzoek zal worden afgewezen.

20. Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst;

veroordeelt [verweerders] tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallige loon vanaf 6 maart 2018 tot 1 juni 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25 %, en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten;

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.H.J. Konings, kantonrechter en op 8 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter