Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:561

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
13/654085-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mislukte ripdeal. Strafverhogend is dat verdachte en zijn mededader in een woonwijk hebben geprobeerd verdovende middelen te stelen van andere criminelen. Verdachte kon verwachten dat zij op zeer gewelddadige wijze op deze beroving zouden reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654085-17 (Promis)

Datum uitspraak: 2 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1982,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [P.I.] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 oktober 2017, 12 december 2017 en 19 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. L. Stroink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.V. Ramdihal, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de terechtzitting van 19 januari 2018 – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer tot op heden onbekend gebleven goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende een tot op heden onbekend gebleven persoon (NN2) en/of [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [persoon 1] en/of NN2, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s):

- eenmaal of meermalen pepperspray/traangas, in elk geval een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, in het/de o(o)g(en), in elk geval in de richting van voornoemde [persoon 1] en/of NN2 heeft/hebben gespoten en/of

- eenmaal of meermalen een elektrische stroomstoot aan voornoemde [persoon 1] heeft/hebben toegebracht;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 4 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer tot op heden onbekend gebleven goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een tot op heden onbekend gebleven persoon (NN2) en/of [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [persoon 1] en/of NN2, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken n/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde perso(o)n(en) is toegegaan, waarna hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s):

- eenmaal of meermalen pepperspray/traangas, in elk geval een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof in het/de o(o)g(en), in elk geval in de richting van voornoemde [persoon 1] en/of NN2 heeft/hebben gespoten en/of

- eenmaal of meermalen een elektrische stroomstoot aan voornoemde [persoon 1] heeft/hebben toegebracht en/of

- zijn/hun hand(en) in de (fiets)tas van voornoemde NN2 heeft/hebben gestopt en/of (in) voornoemde (tas) heeft/hebben gezocht en/of gekeken;

en/of

hij op of omstreeks 4 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tot op heden onbekend gebleven persoon (NN2) en [persoon 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het:

- eenmaal of meermalen spuiten van pepperspray/traangas, in elk geval een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof in het/de o(o)g(en), in elk geval in de richting van voornoemde [persoon 1] en/of NN2 en/of

- eenmaal of meermalen toebrengen van een elektrische stroomstoot aan voornoemde [persoon 1] ;

2.

hij op of omstreeks 4 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een anderen, althans alleen,

- een busje pepperspray/traangas, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) en/of

- een taser, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stoomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt op pijn kan worden toegebracht, in elk geval een of meer wapen(s) in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie II onder 5 en/of 6, voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Op basis van hetgeen op de camerabeelden is te zien, kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn mededader hebben geprobeerd om de inhoud van de fietstassen op de fiets van een andere man te stelen. Daarbij heeft verdachte de man met de fiets met pepperspray bespoten en heeft de mededader de man die in gezelschap was van de man met de fiets, getaserd met een stroomstootwapen. Het kan niet worden vastgesteld dat daadwerkelijk goederen uit de fietstassen zijn weggenomen. Omdat aldus sprake is van een poging tot diefstal met geweld in vereniging, dient vrijspraak voor het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezenverklaring voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde te volgen.

Uit onderzoek is gebleken dat het om een zogenaamde ripdeal ging en dat de persoon die door de mededader een stroomstoot kreeg toegediend, [persoon 1] heet.

Door het taseren van [persoon 1] door de mededader, heeft verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling, zoals onder 1 cumulatief/alternatief is ten laste gelegd. Daarbij is sprake van ééndaadse samenloop met de poging tot diefstal met geweld in vereniging.

Verdachte heeft met pepperspray in de richting van de man met de fiets gespoten. Het kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld dat deze man daarbij daadwerkelijk is geraakt en dat hij pijn of letsel heeft opgelopen. Ten aanzien van hem kan daarom mishandeling niet bewezen worden verklaard.

Verdachte heeft samen met zijn mededader gebruik gemaakt van pepperspray en een stroomstootwapen, waarmee zij te samen en in vereniging de Wet wapens en munitie hebben overtreden. Ook feit 2 kan daarom bewezen worden verklaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij geen herinnering aan het gebeuren heeft.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Er is geen bewijs dat daadwerkelijk iets is weggenomen, zodat reeds daarom voor feit 1 primair geen bewezenverklaring kan volgen. Ook voor de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld is het bewijs ontoereikend.

Het is niet duidelijk wie de man met de taser is, wat zijn rol was en of verdachte wel wist dat de man met taser ook daar zou zijn. De man met de taser zou geprobeerd hebben iets uit de fietstas te pakken maar uit de camerabeelden blijkt niet dat verdachte dit heeft gezien. Uit het dossier blijkt voorts niet dat verdachte wetenschap had van wat er in deze fietstas zat. Een mislukte ripdeal kan niet worden aangenomen. De mogelijke drugshandel tussen [persoon 2] en [persoon 3] heeft geen relatie met verdachte. Opzet op het wegnemen van goederen als ook medeplegen kunnen niet bewezen worden.

Ook van de ten laste gelegde mishandelingen moet verdachte worden vrijgesproken. Er is geen bewijs dat de pepperspray daadwerkelijk in de ogen van de man met de fiets is terechtgekomen. Het taseren van [persoon 1] door de andere man kan verdachte niet worden aangerekend. Onvoldoende blijkt dat verdachte wetenschap had dat de andere man met een taser op de proppen zou komen.

Om deze reden dient ook vrijspraak te volgen van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van het bezit van deze taser.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring ter zake van het bezit van de pepperspray gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Op 4 juli 2017 werd verdachte liggend op zijn rug op straat aangetroffen met kogelverwondingen in zijn buik. Later bleek dat hij in totaal door vijf kogels was geraakt. In de nabijheid van verdachte lag een bus met pepperspray. Op twee meter afstand van verdachte lag een stroomstootwapen, waaruit een koperkleurige draad kwam. Op enkele meters afstand van verdachte lagen vier patroonhulzen en een kogelpunt.

Op camerabeelden van een naburig perceel is vastgelegd wat zich kort daarvoor had afgespeeld. Op deze beelden is te zien dat twee mannen, NN1 en NN2, over de straat Geerdinkhof te Amsterdam lopen. NN2 heeft een fiets aan de hand. Verdachte komt in beeld en rent op de NN2 af. Hij heeft een voorwerp, kennelijk de aangetroffen bus pepperspray, in zijn rechterhand. Hij richt deze bus pepperspray naar het gezicht van NN2, waarna NN2 wegduikt. NN2 laat de fiets vallen en rent weg. De fiets valt voor de voeten van NN1. Verdachte rent achter NN2 aan.

Vrijwel gelijktijdig komt een vierde man, NN4, in beeld die een voorwerp, kennelijk de aangetroffen taser, in zijn rechterhand houdt. Hij richt deze taser op NN1, waarna NN1 naast de fiets op de grond valt. NN4 rent naar de fiets en pakt met beide handen de fietstassen vast. Vervolgens gaat hij met zijn handen in de fietstassen.

Verdachte komt weer in beeld en er is een knal te horen. NN4 rent van de fiets weg, het beeld uit. Verdachte loopt verder richting de fiets met de bus pepperspray nog in zijn hand. Verdachte spuit in de richting waarvan hij kwam aanlopen. Er zijn nog meer knallen te horen, waarna verdachte al spuitend met de pepperspray in elkaar zakt.

NN2 komt weer in beeld, pakt de fiets en loopt weg. NN1 staat op van de grond en loopt eveneens weg.

De rechtbank is van oordeel dat de gebeurtenissen, zoals vastgelegd op de camerabeelden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan als een door verdachte en NN1 tezamen en in vereniging gepleegde diefstal met geweld, dan wel een poging daartoe.

De rechtbank ziet ook geen contra-indicaties dat het verdachte en NN1 te doen was iets te stelen. Vooropgesteld: verdachte heeft niet kunnen of willen verklaren wat zijn bedoeling was. De rechtbank acht de suggestie van de verdediging dat de man met de taser mogelijk onafhankelijk en zonder medeweten van verdachte zou hebben geopereerd, volstrekt onlogisch en ongefundeerd. Bovendien blijft daarmee onbeantwoord waarom verdachte de man met de fiets met pepperspray te lijf is gegaan.

Verdachte en zijn mededader hadden het kennelijk gemunt op de inhoud van de fietstassen op de fiets die NN2 bij zich had. Deze aanname vindt bevestiging in een WhatsApp-gesprek tussen [persoon 2] en ‘ [persoon 4] ’, waarin door hen over het voorval wordt gesproken. [persoon 2] zegt in dit gesprek onder meer dat een zekere [persoon 1] uit haar huis was gekomen, waarna [persoon 1] ‘the stuff’ aan de Dominicaanse jongen heeft gegeven die deze vervolgens weer in zijn fietstas heeft gestopt. [persoon 2] zegt dat [persoon 1] en de Dominicaanse jongen werden aangevallen, waarna de Dominicaanse jongen op de aanvallers heeft geschoten.

Na onderzoek is gebleken dat ‘ [persoon 1] ’, waarover [persoon 2] in het WhatsApp-gesprek heeft gesproken, [persoon 1] is. [persoon 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij inderdaad slachtoffer is geweest van een aanval met een taser.

Op de beelden is niet waar te nemen dat NN4 daadwerkelijk iets uit de tassen heeft weggenomen. Ook overigens blijkt dit niet uit het dossier. Op het moment dat NN4 met zijn handen in de fietstassen zat, werd verdachte door NN2 beschoten, waarna NN4 de benen nam. Daarmee is de straatroof niet verder gekomen dan een poging. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Zij acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen.

Verdachte heeft met pepperspray in de richting van NN2 gespoten maar het is niet gebleken dat deze stof daadwerkelijk in het gezicht van NN2 terecht is gekomen. NN2 is door de politie niet geïdentificeerd en dus ook niet gehoord. Aldus kan niet worden vastgesteld dat NN2 door de pepperspray pijn of letsel heeft opgelopen. Verdachte zal daarom van het in feit 1 cumulatief/alternatief ten laste gelegde medeplegen van mishandeling van NN2 worden vrijgesproken.

Dit ligt anders ten aanzien van [persoon 1] . Hij is door het door NN4 gebruikte stroomstootwapen geraakt, waarna hij korte tijd uitgeschakeld was. Er kan van worden uitgegaan dat dit voor [persoon 1] een bijzonder pijnlijke en nare gewaarwording is geweest. Omdat het gebruik van het stroomstootwapen door NN4 deel uitmaakte van de tezamen en in vereniging met verdachte uitgevoerde poging tot straatroof, kan dit op [persoon 1] uitgeoefende geweld ook aan verdachte worden toegerekend. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de mishandeling van [persoon 1] . Daarbij is sprake van ééndaadse samenloop met de eveneens bewezen geachte poging tot diefstal met geweld in vereniging.

Ook feit 2 kan bewezen worden verklaard, voor zover dit feit ziet op de bus pepperspray die verdachte in zijn bezit heeft gehad.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:

op 4 juli 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goed(eren), toebehorende aan een tot op heden onbekend gebleven persoon (NN2) en/of [persoon 1] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld tegen voornoemde [persoon 1] en NN2, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, met zijn mededader naar voornoemde personen is toegegaan, waarna hij, verdachte, en zijn mededader:

- meermalen pepperspray in de richting van voornoemde NN2 hebben gespoten en

- een elektrische stroomstoot aan voornoemde [persoon 1] hebben toegebracht en

- een hand in de fietstas van voornoemde NN2 hebben gestopt;

en

op 4 juli 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [persoon 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het:

- toebrengen van een elektrische stroomstoot aan voornoemde [persoon 1] ;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

op 4 juli 2017 te Amsterdam een busje pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De detentie is voor verdachte extra zwaar omdat hij in een vreemd land verblijft waarvan hij de taal niet spreekt. Door het gebeuren is verdachte zelf zwaar gewond geraakt en maar net aan de dood ontsnapt. Zijn herstel verloopt moeizaam en in het huis van bewaring krijgt hij niet de juiste medische behandeling.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewelddadige straatroof. Uiteindelijk is het hen niet gelukt om goederen weg te nemen, waardoor het bij een poging is gebleven. Verdachte en zijn mededader hadden het gemunt op de inhoud van de fietstassen op de fiets van een van de slachtoffers.

Uit onderzoek is gebleken dat [persoon 2] zich bezighoudt met de handel in harddrugs. Gezien de inhoud van het WhatsApp-gesprek tussen [persoon 2] en [persoon 4] is aannemelijk dat [persoon 1] en NN2 op 4 juli 2017 met verdovende middelen haar woning hebben verlaten. ‘ [persoon 4] ’, met wie [persoon 2] in het verleden veelvuldig contact had, blijkt [persoon 3] te zijn. Verdachte heeft in de dagen voorafgaande aan het gebeuren samen met hem in het [naam hotel] hotel in Breukelen verbleven, waarbij zij ook contact met elkaar hebben gehad, terwijl [persoon 3] de kamers van het hotel heeft betaald.

Aldus kan het er voor worden gehouden dat verdachte en zijn mededader er van op de hoogte waren dat er verdovende middelen in de fietstassen van NN2 zaten, dat zij het daarop gemunt hadden en dat dus gesproken kan worden van een – mislukte – ripdeal.

De LOVS oriëntatiepunten nemen voor een straatroof een gevangenisstraf van 6 maanden als uitgangspunt, terwijl deze straf hoger zal uitvallen wanneer het feit, zoals het onderhavige geval, in vereniging is gepleegd, met gebruik van wapens.

Eveneens acht de rechtbank strafverhogend dat verdachte en zijn mededader in een woonwijk hebben geprobeerd verdovende middelen te stelen van andere criminelen. Verdachte wist dat deze personen zich met zware criminaliteit bezig hielden en kon daarom verwachten dat zij op zeer gewelddadige wijze op deze beroving zouden reageren. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij een situatie in het leven heeft groepen waarbij op klaarlichte dag, midden in een woonwijk, door één van de slachtoffers van de ripdeal diverse malen met een vuurwapen kogels zijn afgevuurd. De kans dat onschuldige omstanders daarbij getroffen zouden worden was groot. Bovendien versterken dit soort incidenten de onveiligheidgevoelens in de betreffende buurt. Het belang om krachtig op te treden tegen dit soort praktijken is daarom bijzonder groot.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts mee dat blijkens informatie uit het European Criminal Records Information System verdachte in Polen diverse malen voor ernstige strafbare feiten tot langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld. In strafverlagende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat het bij een poging is gebleven.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf neemt de rechtbank verder in het voordeel van verdachte mee dat verdachte door het gebeuren ernstig gewond is geraakt en dat op dit moment nog niet duidelijk is of hij volledig zal herstellen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 1 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair en cumulatief/alternatief bewezen verklaarde:

eendaadse samenloop van:

poging tot diefstal, voorafgegaan door geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van mishandeling;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2018.

Bijlage.

Bewijsmiddelen.

[bewijsmiddelen 2]