Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5595

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
AMS 18/4283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een Amsterdammer die driemaal dronken achter het stuur is aangetroffen, is voorlopig zijn rijbewijs kwijt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4283

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Rezaie),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aanleiding voor het besluit

2.1

Op 25 oktober 2017 is verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig aangehouden met een te hoog ademalcoholgehalte 475 ugl (1,093 promille) dat was om 3.35 uur. Op dezelfde dag om 5.29 uur is verzoeker nogmaals als bestuurder van een motorrijtuig aangehouden met een te hoog ademalcoholgehalte 415 ugl (0,955 promille). Omdat bij verzoeker al eerder op 17 februari 2017 een te hoog ademalcoholgehalte 375 ugl (0,863 promille) was geconstateerd, heeft dit geleid tot een mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) en verweerder heeft aan verzoeker een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.

2.2

Het onderzoek naar de geschiktheid heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018 en is uitgevoerd door J.W. Gerritsen, psychiater. In het verslag van bevindingen (het rapport) heeft de psychiater geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te kunnen concluderen dat er ten tijde van de aanhouding op 25 oktober 2017 op basis van alle relevante gegevens, de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden.

Het besluit

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker niet aan de gestelde eisen van geschiktheid voldeed op het moment dat hij werd aangehouden. Het rijbewijs van verzoeker moet daarom ongeldig worden verklaard. Verweerder heeft daarbij gewezen op artikel 134 van de Wvw en paragraaf 8.8. van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Daarin staat dat personen die misbruik maken van alcohol zonder meer ongeschikt zijn en een gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.

Het verzoek

4. Verzoeker voert aan afhankelijk te zijn van zijn rijbewijs. Volgens verzoeker heeft hij bij de derde aanhouding de auto niet bestuurd, maar zat hij in zijn auto het einde van het rijverbod af te wachten. De psychiater is in zijn onderzoek (net als verweerder) er dan ook ten onrechte van uitgegaan dat hij voor een derde keer met alcohol een voertuig heeft bestuurd. Nog daargelaten dat verzoeker daarom niet aan een psychiatrisch onderzoek behoefde te worden onderworpen, er was immers geen derde keer, heeft de psychiater ten onrechte gemeend dat hij drie maal met alcohol op heeft gereden. De conclusie dat er sprake zou zijn van alcoholmisbruik is uitsluitend gebaseerd op een gesprek met de psychiater en is het laboratoriumonderzoek niet meegenomen in het rapport. Dat verzoeker is gestopt met alcohol heeft de psychiater in het geheel niet meegewogen. Het besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen, aldus verzoeker.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5.1

Verzoeker voert aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat hij een psychiatrisch onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik. Deze grond slaagt niet. Het onderzoek is hem opgedragen met het besluit van 24 november 2017. Daartegen heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt. Dit besluit staat nu in rechte vast. Wat de voorzieningenrechter nu nog mag beoordelen is of het rapport voldoet aan de in 5.2 genoemde voorwaarden.

5.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding voor het niet in stand laten van het bestreden besluit, indien het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren. Aan de rapportage komt dan ook een zeer belangrijke betekenis toe. De voorzieningenrechter wijst op een uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:297).

5.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de psychiater er terecht van uitgaan dat eiser drie maal met een te hoog alcoholgehalte een auto heeft bestuurd. De lezing van eiser over zijn derde aanhouding klopt niet met wat in het proces-verbaal van de politie staat. Daaruit blijkt voldoende duidelijk dat verzoeker de auto ook bij de derde aanhouding heeft bestuurd en wel met een te hoog alcoholgehalte. Zo staat in het proces-verbaal dat de agenten hebben gezien dat iemand in de auto van verzoeker stapte, deze auto in beweging kwam, schuin op de weg stond en bezig was om te steken. Toen zij de auto aanhielden bleek verzoeker de bestuurder te zijn. Omdat verzoeker driemaal bij het autorijden is aangehouden met verhoogd promillage en tweemaal op dezelfde dag, wijst dat volgens de psychiater op onvoldoende verantwoording ten aanzien van het gebruik van alcohol en op een beperkte verantwoordelijkheid. Verder constateert de psychiater dat verzoeker naar aanleiding van de eerste aanhouding de Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft gevolgd. Volgens de psychiater wist hij dan ook van de gevaren, maar persisteert in zijn gedrag en is opnieuw gaan rijden onder invloed van alcohol. Hiermee heeft hij de verkeersveiligheid opnieuw in gevaar gebracht en zijn rijbewijs op het spel gezet. Hierdoor is er sprake van een klinisch beeld waarvan de verschijnselen persisteren en ernstig zijn. Dit terwijl, terwijl hij wist dat hij hierdoor zijn rijbewijs kon verliezen. Dit duidt volgens de psychiater op een sociaal probleem als gevolg van het gebruik van alcohol.

5.4

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het rapport geen blijk geeft onzorgvuldig dan wel onvoldoende concludent te zijn. Daarbij dient in overweging te worden genomen dat het niet aan verweerder of de bestuursrechter is te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2134). Dat behoort immers tot de expertise van de psychiater.

5.5

De uitspraak van de voorzieningenrechter in Rotterdam van 24 september 2014 (AWB 14/5797 niet gepubliceerd) kan verzoeker niet baten. In die zaak was een contra expertise overgelegd, wat hier niet het geval is. Verder staat de omstandigheid dat verzoeker is gestopt met het gebruik van alcohol na zijn laatste aanhouding los van de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin. Dat is alleen van belang voor de recidive vrije periode.

5.6

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het rapport aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

5.7

Op de zitting is nog ter sprake gekomen dat het laboratoriumonderzoek voor verzoeker gunstig was. Echter, het is vaste jurisprudentie dat niet uit alle onderzoeken hoeft te blijken dat er sprake is van alcoholmisbruik.

5.8

Dat verzoeker zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk weegt niet op tegen het belang van de verkeersveiligheid. Dit laatste belang gaat voor.

Conclusie

6. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek, ondanks het gestelde belang, om een voorlopige voorziening af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Naves, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.