Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5565

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
13/654044-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vals paspoort, airsoftgeweren en hasjiesj. Vormverzuimen bij binnentreden woning, strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/654044-17

Datum uitspraak: 27 juli 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] [geboorteland] op [geboortedag 1] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Bosman, en van wat de (gemachtigde) raadsvrouw van verdachte, mr. K.K. Hansen Löve, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 maart 2017 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. het in bezit hebben van een vals/vervalst paspoort op naam van [naam ] ;

2. het voorhanden hebben van een Airsoft pistool en Airsoft geweer;

3. het aanwezig hebben van 94,39 gram hasjiesj.

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot de ten laste gelegde feiten het volgende af.

Op 14 maart 2017 hebben politieambtenaren in het kader van een onderzoek naar spookburgers een pand op het adres [adres 2] te Amsterdam bezocht. Uit de beschikbare systemen bleek dat op genoemd adres niemand stond ingeschreven in de Basisadministratie Persoonsgegevens. Op 14 maart 2017 omstreeks 16.24 uur hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij de woning aangebeld. Daarnaast hebben zij in de Nederlandse en Engelse taal geroepen dat zij van de politie waren. Een manspersoon (die later medeverdachte [medeverdachte] bleek te zijn) deed open. Verbalisanten vroegen hem of zij binnen mochten komen en hebben daarbij vermeld dat hij niet verplicht was hen binnen te laten. [medeverdachte] antwoordde dat hij op visite was bij een vriend en dat zij binnen mochten komen. Eenmaal binnen in de woning zagen verbalisanten een vrouw en twee kinderen en viel het oog van de verbalisanten op sealapparaten, sealzakken, huishoudfolie, latex handschoenen en rollen tape. Op de vraag wie er nog meer in de woning waren antwoordde [medeverdachte] dat alleen de vrouw en de twee kinderen in de woning aanwezig waren. Verbalisanten maakten aan [medeverdachte] bekend dat zij hadden aangebeld vanwege het feit dat er niemand op het adres stond ingeschreven. Zij vroegen hem vervolgens wat hij in de woning deed. [medeverdachte] antwoordde – kort gezegd- dat hij op familiebezoek was en zei dat hij Grieks was. Hij overhandigde de verbalisanten een Grieks identiteitsdocument en een Grieks rijbewijs (welke later vals bleken te zijn). In de garage van de woning werd op enig moment verdachte aangetroffen. Hij gaf aan de bewoner van het pand te zijn. De verbalisanten hebben verdachte, met tussenkomst van een Albanese tolk, verteld wat de reden was voor hun aanwezigheid in de woning, dat in woningen waar geen personen staan ingeschreven vaak criminele zaken worden aangetroffen, en zij hebben verdachte vervolgens gevraagd of hij verdovende middelen of wapens in huis had. Verdachte heeft hier ontkennend op geantwoord. Verdachte gaf op de vraag van de verbalisanten of zij de woning mochten doorzoeken vervolgens mondeling en schriftelijk toestemming. Tijdens de doorzoeking zijn (onder meer) een vals paspoort, twee balletjespistolen en een plak hasj aangetroffen.

4.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft, bij schriftelijk requisitoir, geconcludeerd tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Volgens de officier van justitie zijn de verbalisanten rechtmatig de woning van verdachte binnengetreden en is de woning vervolgens rechtmatig doorzocht. Na het geven van mondelinge en schriftelijke toestemming is de woning doorzocht, waarbij de in de tenlastelegging genoemde goederen zijn gevonden. Gelet hierop en gezien de bekennende verklaring van verdachte, kan het aanwezig hebben van een vals paspoort, twee balletjespistolen en een plak hasj wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, bij schriftelijk pleidooi, primair op het standpunt gesteld dat de verbalisanten een machtiging nodig hadden voor het binnentreden in de woning. Bovendien had aan verdachte tijdig de cautie moeten worden gegeven. Ook heeft verdachte geen vrijwillige toestemming gegeven voor de doorzoeking. Het voorgaande maakt de doorzoeking van de woning onrechtmatig. Als gevolg daarvan dienen alle goederen die tijdens de doorzoeking zijn aangetroffen in de woning uitgesloten te worden van het bewijs, zodat vrijspraak dient te volgen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat voornoemde vormfouten tot strafvermindering zouden moeten leiden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Vormverzuimen

Op grond van artikel 3 van de Politiewet heeft de politie de taak zorg te dragen voor de handhaving van de rechtsorde. De woning aan de [adres 2] te Amsterdam kwam zijdelings in een onderzoek naar voren en bij controle bleek dat er niemand op dit adres stond ingeschreven. De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten op basis van deze feiten en omstandigheden gerechtigd waren om actie te ondernemen en bij de woning aan te bellen. De persoon die de deur opende was, naar zijn zeggen, niet de bewoner van het pand maar was slechts op bezoek. Deze persoon gaf de politie toestemming de woning te betreden.

Vooropgesteld moet worden dat een opsporingsambtenaar die in een woning wil binnentreden, ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden verplicht is zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op de situatie waarin men met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden (vgl. HR 22 november 2011, NJ 2011/561).

De rechtbank stelt vast dat, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2017, de verbalisanten zich, voorafgaand aan het vragen van toestemming om binnen te treden, niet persoonlijk, door middel van een politiepas, hebben gelegitimeerd, noch mededeling van hun doel hebben gedaan aan de persoon die hen uiteindelijk toestemming tot het betreden van de woning heeft gegeven. In zoverre is er sprake van twee vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv en is het binnentreden onrechtmatig geweest.

Voor zover het verweer van de raadsvrouw ziet op het niet (tijdig) geven van de cautie en het daardoor niet vrijwillig geven van toestemming tot doorzoeking van de woning overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, levert de omstandigheid dat niet voorafgaand aan het vragen om toestemming tot doorzoeking van de woning de cautie is gegeven, geen vormverzuim op. De in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vervatte cautieplicht beoogt een verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling en heeft slechts betrekking op een verhoorsituatie (alle vragen aan de verdachte betreffende zijn betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt; zie onder meer HR 16 april 2013, LJN BY5706). Het vragen van toestemming tot het doorzoeken van een woning, valt hier (volgens vaste jurisprudentie) niet onder. Het was dus niet nodig om voorafgaand aan het verzoek om toestemming de woning te mogen doorzoeken aan verdachte de cautie te geven. Gelet op hun waarnemingen in de woonkamer mochten de verbalisanten bovendien aan verdachte toestemming vragen een doorzoeking te doen. De rechtbank is van oordeel dat het de verbalisanten, ook indien die waarnemingen zouden hebben ontbroken, vrij stond deze toestemming te vragen. Volgens het proces-verbaal is aan verdachte, nadat hij mondeling toestemming had gegeven tot doorzoeking van de woning, een in de Albanese taal opgesteld toestemmingsformulier overhandigd. Dit toestemmingsformulier heeft verdachte ondertekend en verdachte heeft hiermee ondubbelzinnig toestemming gegeven voor de doorzoeking. Derhalve is de doorzoeking niet onrechtmatig te noemen.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er bij het binnentreden sprake is geweest van twee onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Nu de rechtsgevolgen van deze onherstelbare vormverzuimen niet uit de wet blijken, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aan deze vormverzuimen enig rechtsgevolg dient te worden verbonden. Doordat het binnentreden onrechtmatig is geschied is er sprake van schending van het huisrecht en van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Schending van dit voorschrift wordt door de rechtbank gezien als een zodanig ernstig vormverzuim, dat niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat onherstelbare vormverzuimen zijn begaan. De rechtbank acht het passend dat in dit geval de op te leggen straf wordt verminderd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 14 maart 2017 te Amsterdam in het bezit was van een paspoort, waarvan verdachte wist dat dit vervalst was, te weten een Bulgaars paspoort op naam van [naam ] , bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

- de originele bovenlaag van bladzijde 2 van voornoemd paspoort, die fungeert als personaliabladzijde, uit voornoemd paspoort is verwijderd door splitsen of scheuren en

- de pasfoto van de originele houder en de origineel vermelde persoons- en afgifte gegevens zijn verwijderd en

- het watermerk nagenoeg geheel uit de personaliabladzijde is verwijderd en

- over de resten de thans zichtbare bladzijde is aangebracht, met daarop de thans zichtbare variabelen (de naam [naam ] , geboren [geboortedag 2] [geboortejaar] te [geboorteplaats 2] en

- over de nieuwe zichtbare personaliabladzijde een vals laminaat is aangebracht;

ten aanzien van feit 2

op 14 maart 2017 te Amsterdam, wapens van categorie I onder 7, te weten:

- een Airsoft (balletjes) pistool (Px4 Storm/16C00923) en

- een Airsoft (balletjes) geweer (E07150101259),

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 3

op 14 maart 2017 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 94,39 gram hasjiesj.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest, en daarnaast een geldboete van € 1.000,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde feiten nu er sprake is van onherstelbare vormverzuimen waardoor het bewijs dient te worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dat strafvermindering dient te volgen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een vervalst paspoort voorhanden gehad. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen ondermijnd dat in de juistheid van dergelijke, van overheidswege verstrekte documenten, moet kunnen worden gesteld. Vervalste reisdocumenten maken een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk en kunnen daardoor het plegen van andere strafbare feiten vergemakkelijken.

Daarnaast heeft verdachte twee airsoftpistolen voorhanden gehad. Met het voorhanden hebben van dergelijke pistolen heeft verdachte het risico genomen dat nietsvermoedende derden in de veronderstelling zijn dat het echte wapens betreft en zich geïntimideerd voelen door de aanblik daarvan. Verdachte heeft ook een relatief grote hoeveelheid hasjiesj aanwezig gehad. Hasjiesj zijn schadelijk voor de volksgezondheid en hiermee heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de handel in en verspreiding van een voor de samenleving schadelijke softdrug en de daarbij behorende (andere) vormen van criminaliteit.

Blijkens het strafblad van verdachte van 19 juni 2018 is hij eerder veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vervalst reisdocument. De rechtbank zal dit in het nadeel van verdachte laten meewegen. Hij is niet eerder veroordeeld voor het overtreden van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor bezit van een vals paspoort (2 maanden gevangenisstraf), het voorhanden hebben van een airsoftpistool (geldboete van € 550,00 euro) en het aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs tussen de 31 en 100 gram (geldboete van € 550,00 euro).

Aan de geconstateerde onherstelbare vormverzuimen heeft de rechtbank het gevolg strafvermindering verbonden. De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf met 2 weken verminderen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 10 weken, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht, en een geldboete van
€ 1.000,00 euro, passend en geboden zijn.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals of vervalst is;

ten aanzien van feit 2

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 (twintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. A.P. Sno en A.E.M. van Loon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2018.

[...]