Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5564

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
13/654045-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervalste reisdocumenten. Schutznorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/654045-17

Datum uitspraak: 27 juli 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedag] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Bosman, en van wat de (gemachtigde) raadsman van verdachte, mr. B. Koenders, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 maart 2017 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vervalste reisdocumenten of identiteitsbewijzen, te weten een Grieks rijbewijs op naam van [naam 1] , een Grieks rijbewijs en een Griekse identiteitskaart op naam van [naam 1] een Bulgaars paspoort en een Bulgaars rijbewijs op naam van [naam 2] , en een Bulgaarse identiteitskaart op naam van [naam 2] en het gebruik maken van dat Griekse rijbewijs en die Griekse identiteitskaart op naam van [naam 1] .

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot het ten laste gelegde het volgende af.

Op 14 maart 2017 hebben politieambtenaren in het kader van een onderzoek naar spookburgers een pand op het adres [adres pand] te Amsterdam bezocht. Uit de beschikbare systemen bleek dat op genoemd adres niemand stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Op 14 maart 2017 omstreeks 16:24 uur hebben verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] bij de woning aangebeld. Daarnaast hebben zij in de Nederlandse en Engelse taal geroepen dat zij van de politie waren. Verdachte deed open. Verbalisanten vroegen hem of zij binnen mochten komen en hebben daarbij vermeld dat hij niet verplicht was hen binnen te laten. Verdachte antwoordde dat hij op visite was bij een vriend en dat zij binnen mochten komen. Eenmaal binnen in de woning zagen verbalisanten een vrouw en twee kinderen en viel het oog van de verbalisanten op sealapparaten, sealzakken, huishoudfolie, latex handschoenen en rollen tape. Op de vraag wie er nog meer in de woning waren antwoordde verdachte dat alleen de vrouw en de twee kinderen in de woning aanwezig waren. Verbalisanten maakten aan verdachte bekend dat zij hadden aangebeld vanwege het feit dat er niemand op het adres stond ingeschreven. Zij vroegen hem vervolgens wat hij in de woning deed. Verdachte antwoordde – kort gezegd - dat hij op familiebezoek was en zei dat hij Grieks was. Hij overhandigde de verbalisanten een Grieks identiteitsdocument en een Grieks rijbewijs (welke later vals bleken te zijn). In de garage van de woning werd op enig moment medeverdachte [naam medeverdachte] aangetroffen. Hij gaf aan de bewoner van het pand [adres pand] te zijn. De verbalisanten hebben [naam medeverdachte] , met tussenkomst van een Albanese tolk, verteld wat de reden was voor hun aanwezigheid in de woning, dat in woningen waar geen personen staan ingeschreven vaak criminele zaken worden aangetroffen en hebben [naam medeverdachte] gevraagd of hij verdovende middelen of wapens in huis had. [naam medeverdachte] heeft hier ontkennend op geantwoord. [naam medeverdachte] gaf op de vraag van de verbalisanten of zij de woning mochten doorzoeken vervolgens mondeling en schriftelijk toestemming. Bij de verbalisanten was inmiddels het vermoeden ontstaan dat de documenten die verdachte had overgelegd, vervalst waren. Tijdens de doorzoeking zijn (onder meer) diverse andere buitenlandse reisdocumenten gevonden met daarop de foto van verdachte.

4.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft, bij schriftelijk requisitoir, geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie zijn de verbalisanten rechtmatig de woning binnengetreden en is de woning vervolgens rechtmatig doorzocht. Een deel van de vervalste documenten zijn door verdachte overhandigd voorafgaand aan de doorzoeking. Na het geven van mondeling en schriftelijk toestemming door [naam medeverdachte] , de bewoner van de woning, is de woning doorzocht, waarbij de overige reisdocumenten zijn gevonden. Uit onderzoek is gebleken dat deze reisdocumenten vervalst zijn. Gelet hierop en gezien de bekennende verklaring van verdachte kan het voorhanden hebben van de vervalste reisdocumenten wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, bij schriftelijk pleidooi, op het standpunt gesteld dat de verbalisanten de woning zijn binnengetreden zonder zich voorafgaand te legitimeren en het doel van hun binnentreden kenbaar te maken. Bovendien had aan verdachte de cautie moeten worden gegeven voorafgaand aan het vorderen van het legitimatiebewijs. Daarnaast is de doorzoeking onrechtmatig geweest omdat de toestemming van [naam medeverdachte] voor het doorzoeken van de woning niet op de juiste manier tot stand is gekomen. Het bewijsmateriaal, namelijk de verkregen reisdocumenten, is door deze vormverzuimen verkregen en dient van het bewijs te worden uitgesloten. In dat geval dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Vormverzuimen

Op grond van artikel 3 van de Politiewet heeft de politie de taak zorg te dragen voor de handhaving van de rechtsorde. De woning aan de [adres pand] te Amsterdam kwam zijdelings in een onderzoek naar voren en bij controle bleek dat er niemand op dit adres stond ingeschreven. De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten op basis van deze feiten en omstandigheden gerechtigd waren om actie te ondernemen en bij de woning aan te bellen.

Door de raadsman is onder meer aangevoerd dat verbalisanten zich niet voorafgaand aan het vragen van toestemming om het pand te betreden hebben gelegitimeerd en dat evenmin sprake is geweest van een doelmededeling, waardoor sprake is onherstelbare vormverzuimen. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke bepalingen omtrent het binnentreden en betreden van plaatsen door opsporingsambtenaren strekken ter bescherming van het huisrecht van de feitelijke gebruiker (ter bewoning of ander gebruik) van een woning, ander lokaal of erf. Deze bepalingen strekken niet ter bescherming van het eigendoms- of huurrecht als zodanig. Dit brengt mee dat eventueel onrechtmatig binnentreden slechts onrechtmatig is jegens de feitelijke gebruiker van het lokaal waarin de politie is binnengetreden. Blijkens de verklaring van de verdachte was hij slechts op visite in het pand. Nu de verdachte niet de feitelijke gebruiker van het pand was, is het binnentreden in dit pand door de politie in ieder geval niet jegens de verdachte onrechtmatig. Het is immers niet de verdachte die door de beweerde niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Reeds hierom faalt het verweer.

Voor zover het verweer van de raadsman ziet op het niet (tijdig) geven van de cautie aan verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Een aantal van de vervalste reisdocumenten is door verdachte zelf aan de verbalisanten getoond ter identificatie. Daarnaast is een ieder verplicht zich op grond van de Wet op de identificatieplicht te legitimeren indien dit wordt gevorderd. Voor deze door verdachte zelf getoonde reisdocumenten geldt reeds om die reden dat niet de cautie had hoeven te worden gegeven.

De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest, aangezien deze zonder machtiging van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, terwijl er volgens de raadsman al wel sprake was van een verdenking.

De rechtbank stelt voorop (dat zowel het betreden als) het doorzoeken van een woning, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, mag geschieden op grond van de door de bewoner verstrekte toestemming. Indien sprake is geweest van een rechtsgeldige toestemming is van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel geen sprake, zodat aan de daaraan verbonden voorwaarden niet hoeft te worden voldaan. Of op het moment van het vragen van toestemming al dan niet sprake was van een redelijk vermoeden van schuld is irrelevant. Het stond de verbalisanten aldus geheel vrij om medeverdachte [naam medeverdachte] , de bewoner van het pand, om toestemming tot doorzoeking van de woning te vragen.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, levert de omstandigheid dat voorafgaand aan het vragen om toestemming tot doorzoeking van de woning aan [naam medeverdachte] niet de cautie is gegeven, geen vormverzuim op. De in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vervatte cautieplicht beoogt een verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling en heeft slechts betrekking op een verhoorsituatie (alle vragen aan de verdachte betreffende zijn betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt; zie onder meer HR 16 april 2013, LJN BY5706). Het vragen van toestemming tot het doorzoeken van een woning, valt hier (volgens vaste jurisprudentie) niet onder. Het was dus niet nodig om voorafgaand aan het verzoek om toestemming de woning te mogen doorzoeken aan verdachte de cautie te geven.

De vraag die vervolgens rest, is of sprake is geweest van een (rechtsgeldige en toereikende) toestemming. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle concrete omstandigheden van het geval sprake is geweest van een vrije keuze om in te stemmen met een doorzoeking in de woning door de bewoner. Verbalisanten hebben bewoner [naam medeverdachte] , met behulp van een tolk Albanees (via de tolkentelefoon), uitgelegd wat de reden was voor hun aanwezigheid in de woning. [naam medeverdachte] heeft desgevraagd bevestigd dat hij dit begreep. Voorts hebben verbalisanten aan [naam medeverdachte] uitgelegd dat in woningen waar geen personen staan ingeschreven vaak criminele zaken worden aangetroffen en zij hebben hem gevraagd of hij wapens en/of verdovende middelen in huis had. Hierop heeft [naam medeverdachte] ontkennend geantwoord. Vervolgens is aan [naam medeverdachte] gevraagd of hij de verbalisanten vrijwillig toestemming verleende de woning te doorzoeken. Hierop heeft [naam medeverdachte] bevestigend geantwoord, waarna hij tevens een in de Albanese taal opgesteld toestemmingsformulier overhandigd heeft gekregen welke hij heeft ondertekend. De rechtbank is van oordeel dat [naam medeverdachte] – gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden – volledig geïnformeerd was over hetgeen er stond te gebeuren en aldus vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven tot doorzoeking van de woning. Derhalve is de doorzoeking niet onrechtmatig te noemen.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat jegens verdachte geen sprake is geweest van enig vormverzuim en dat zowel de door verdachte zelf overhandigde, als de later tijdens de doorzoeking aangetroffen vervalste reisdocumenten, rechtmatig zijn verkregen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 14 maart 2017 te Amsterdam, in het bezit was van en voorhanden heeft gehad een vals en/of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Grieks rijbewijs op naam van [naam 1] , en een Grieks rijbewijs op naam van [naam 1] , en een Griekse identiteitskaart op naam van [naam 1] , en een Bulgaars paspoort op naam van [naam 2] , en een Bulgaarse identiteitskaart op naam van [naam 2] en een Bulgaars rijbewijs op naam van [naam 2] , waarvan verdachte wist dat het vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

betreffende het Griekse rijbewijs op naam van [naam 1] , t.o.v. een origineel document:

- de basisbedrukking van het rijbewijs niet is gedrukt maar geprint en

- de microtekst op de voorzijde en de achterzijde onleesbaar zijn en

- de absorptie van het rijbewijs afwijkt bij infrarood licht en

- de variabele gegevens (persoons- en afgiftegegevens en foto van de houder) zijn aangebracht middels en afwijkende printtechniek en

- het rijbewijs niet is voorzien van een optisch variabele inkt en

- het rijbewijs is voorzien van een vals laminaat;

en betreffende het Griekse rijbewijs op naam van [naam 1] , t.o.v. een origineel document:

- de thans zichtbare vaste- en variabele gegevens op de originele bovenlaag, van de bovenste helft van bladzijde 2, die fungeert als personaliabladzijde van het rijbewijs, zijn verwijderd door wassen of schuren en

- de vaste gegevens, op voornoemde bovenste helft van de bladzijde, niet zijn gedrukt maar geprint en

- de variabele gegevens, op de bovenste helft van de bladzijde, in afwijkende printtechniek zijn aangebracht en

- de persoonsgegevens aangebracht op het rijbewijs zijn gewijzigd;

en betreffende de Grieks identiteitskaart op naam van [naam 1] , t.o.v. een origineel document:

- op de achterzijde van de identiteitskaart persoons- en afgiftegegevens staan vermeld en

- juist ter hoogte van het jaartal van de geboortedatum beschadigingen zichtbaar zijn aan het substraat en de basisbedrukking die daarop was aangebracht en

- de laatste twee cijfers - 75- van het geboortejaar 1978 zijn gewijzigd;

en betreffende het Bulgaarse paspoort op naam van [naam 2] (met foto van hem, verdachte), t.o.v. een origineel document:

- de originele bovenlaag van bladzijde -2-, die fungeert als personaliabladzijde, uit het paspoort is verwijderd door splitsen en/of schuren en

- de pasfoto van de originele houder en de origineel vermelde persoons- en afgifte gegevens zijn verwijderd en

- het watermerk nagenoeg geheel uit de personaliabladzijde is verwijderd en

- ernstige beschadiging(en) zichtbaar zijn op bladzijde -1-, de achterzijde van de personaliabladzijde, die kennelijk zijn ontstaan door het verwijderen van de bovenlaag van de personaliabladzijde en

- over de resten de thans zichtbare valse bladzijde is aangebracht met daarop de thans zichtbare variabelen en

- de opdruk van de thans zichtbare personaliabladzijde detaillering mist en fouten bevat en

- over de nieuwe zichtbare personaliabladzijde een vals laminaat is aangebracht;

en betreffende de Bulgaarse identiteitskaart op naam van [naam 2] (met foto van hem, verdachte), t.o.v. een origineel document:

- de basisbedrukking niet is gedrukt, maar geprint en

- de kaart is voorzien van vals optisch variabele beelden en

- de fluorescentie van de kaart bij ultraviolet licht af wijkt;

en betreffende het Bulgaarse rijbewijs op naam van [naam 2] (met foto van hem, verdachte), t.o.v. een origineel document:

- de basisbedrukking niet is gedrukt, maar geprint,

- de kaart is voorzien van vals optisch variabele beelden en

- de fluorescentie van de kaart bij ultraviolet licht af wijkt;

en

op 14 maart 2017 te Amsterdam, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Griekse identiteitskaart op naam van [naam 1] en een Grieks rijbewijs op naam van [naam 1] , welk gebruik hierin bestond dat hij voornoemde documenten heeft getoond om zich te identificeren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde nu er sprake is van onherstelbare vormverzuimen waardoor het bewijs dient te worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de straf te beperken tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft meerdere vervalste identiteitsbewijzen en een vervalst paspoort voorhanden gehad. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen ondermijnd dat in de juistheid van dergelijke, van overheidswege verstrekte documenten moet kunnen worden gesteld. Vervalste identiteitsbewijzen maken een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk en kunnen daardoor het plegen van andere strafbare feiten vergemakkelijken.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor het bezit van een vals paspoort (2 maanden gevangenisstraf).

Nu verdachte meerdere vervalste identiteitsbewijzen op verschillende namen en van verschillende nationaliteiten in zijn bezit heeft gehad, ziet de rechtbank aanleiding om deze straf te verhogen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 55, eerste lid, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vervalst is, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  • -

    Zaktelefoon: Samsung S7;

  • -

    Zaktelefoon: Samsung S5;

  • -

    Zaktelefoon: Blackberry 230.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. A.P. Sno en A.E.M. van Loon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2018.

[..]