Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5546

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
AMS 17/3110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Uwv moet een bepaalde werkneemster naast volledig ook duurzaam arbeidsongeschikt achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3110

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2018 in de zaak tussen

Stichting Spirit, te Amsterdam, eiseres, hierna: Stichting Spirit

(gemachtigde: mr. A. Jurg),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, hierna: het Uwv

(gemachtigde: [naam 1] ).

Verder heeft aan deze zaak deelgenomen: [naam belanghebbende], te [woonplaats] , ex-werkneemster, hierna: belanghebbende.

Procesverloop

Met het besluit van 24 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van belanghebbende ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Hiertegen heeft Stichting Spirit bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 11 april 2017 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van Stichting Spirit ongegrond verklaard.

Stichting Spirit heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 2 november 2017. Stichting Spirit heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Namens belanghebbende was haar echtgenoot, [naam echtgenoot] , ter zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te laten doen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op 7 juni 2018. Stichting Spirit heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam verzuimspecialist] , verzuimspecialist bij Stichting Spirit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

[naam 1] . Namens belanghebbende was haar echtgenoot ter zitting aanwezig.

Inleidende overwegingen

Algemene overwegingen

1.1

Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met haar ex-werkgever, Stichting Spirit. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat alleen de gemachtigde van Stichting Spirit die arts of advocaat is van de medische stukken kennis mag nemen. Omdat belanghebbende geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met Stichting Spirit, zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven.

1.2

Ter zitting heeft de echtgenoot van belanghebbende verklaard dat van de zijde van belanghebbende geen bezwaren bestaan om de medische klachten in algemene zin te benoemen.

Wat voorafging aan de procedure bij de rechtbank

2.1

Belanghebbende was in dienst van Stichting Spirit als beveiligingsfunctionaris. Op 9 maart 2009 heeft zij zich ziek gemeld vanwege verschillende fysieke en psychische klachten. Per einde wachttijd (19 maart 2011) is aan belanghebbende een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% toegekend.

2.2

Na een eerdere herbeoordeling door het Uwv in 2013 (waarbij de arbeidsbeperkingen van belanghebbende niet duurzaam zijn bevonden) heeft Stichting Spirit – als eigenrisicodrager voor de Wet WIA – bij brief van 10 maart 2016 het Uwv verzocht om de arbeidsgeschiktheid van belanghebbende opnieuw te beoordelen.

2.3

In het kader van de nieuwe herbeoordeling is belanghebbende onderzocht door de verzekeringsarts.1 De verzekeringsarts concludeert dat bij belanghebbende sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hierdoor is belanghebbende aangewezen op werkzaamheden zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 juli 2016. De verzekeringsarts verwacht dat de medische situatie van belanghebbende op lange termijn wezenlijk zal verbeteren en dat haar functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen toenemen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige onderzocht welke arbeidsfuncties belanghebbende in theorie nog zou kunnen verrichten op basis van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft echter geen voorbeeldfuncties kunnen vinden die voldoen aan de vastgestelde beperkingen van belanghebbende.2

2.4

Op grond van het onderzoek door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij het primaire besluit de WIA-uitkering van belanghebbende ongewijzigd vastgesteld naar een mate van (niet duurzame) arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

2.5

Stichting Spirit heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Stichting Spirit heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is en dat daarom een IVA-uitkering3 moet worden toegekend aan belanghebbende. Stichting Spirit heeft verwezen naar het rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur en verzekeringsarts [naam arts] ( [naam arts] ).4 [naam arts] overweegt dat belanghebbende geen behandeling volgt die gericht is op verbetering van de belastbaarheid. Belanghebbende bevindt zich al jaren in een stabiele situatie waarin zij beperkt belastbaar is. Bovendien is in de loop der jaren enkel sprake van een toename van klachten waarvoor geen genezing mogelijk is. Volgens [naam arts] is daarom sprake van een situatie van duurzame beperkingen. Er is slechts een zeer geringe kans op verbetering van de belastbaarheid.

2.6

Naar aanleiding van het bezwaar heeft het Uwv opnieuw medisch en arbeidskundig onderzoek laten uitvoeren.5 Op grond van dat onderzoek heeft het Uwv het bestreden besluit genomen. Hierin heeft het Uwv het bezwaar van Stichting Spirit ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Standpunt van Stichting Spirit

3. Stichting Spirit heeft beroep ingesteld omdat zij het niet eens is met het bestreden besluit. Stichting Spirit stelt dat de arbeidsbeperkingen van belanghebbende, naast volledig, ook duurzaam zijn. Volgens Stichting Spirit heeft het Uwv het beoordelingskader bij de beoordeling van de duurzaamheid niet goed toegepast. Stichting Spirit voert in dit verband aan dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet goed hebben gemotiveerd op grond waarvan zij van oordeel zijn dat bij belanghebbende nog een verbetering van de beperkingen valt te verwachten. Voor zover zij verwachten dat de beperkingen zullen verbeteren door een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Deze onderbouwing heeft het Uwv niet dan wel onvoldoende gegeven, aldus Stichting Spirit.

Beoordeling door de rechtbank

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden

4. In deze procedure gaat het om de vraag of het Uwv op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de arbeidsbeperkingen van belanghebbende niet duurzaam zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende volledig (80-100%) arbeidsongeschikt moet worden geacht. Om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering moeten de beperkingen van een verzekerde echter niet alleen volledig zijn, maar ook duurzaam.

Ten aanzien van het medisch onderzoek

5. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn standpunt in beginsel mag baseren op rapporten die door een deskundige – zoals een verzekeringsarts – zijn opgesteld. Dit is echter anders als de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd.

De medische onderbouwing van het bestreden besluit en de betwisting daarvan

6.1

Het bestreden besluit is ten aanzien van de medische aspecten gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 april 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en belanghebbende onderzocht op het spreekuur van 16 maart 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder kennisgenomen van het rapport van [naam arts] van 28 november 2016 en informatie uit de behandelend sector, te weten een brief van 6 april 2017 van de Praktijkondersteuner huisarts Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ).

6.2

De verzekeringsarts bezwaar en beroep is het inhoudelijk eens met het eerdere oordeel van de verzekeringsarts dat de arbeidsbeperkingen van belanghebbende niet duurzaam zijn, omdat belanghebbende nog niet is uitbehandeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst in dit kader naar een rapport van de verzekeringsarts van het Uwv in 2013 waar de behandelmogelijkheden zijn opgesomd. Tussen 2013 en heden heeft er geen nadere adequate behandeling plaatsgevonden. Er zijn alleen laagfrequente gesprekken bij een POH-GGZ geweest. Belanghebbende is destijds wegens privéomstandigheden met haar dagbehandeling gestopt. Ook nu bestaan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter nog behandelmogelijkheden, in de vorm van groepsbehandeling of een individueel traject. Ook kan het gebruik van medicatie nog eens nader worden overwogen. Door adequate behandeling is de kans op verbetering van de psychische belastbaarheid redelijk tot goed te noemen. Dat belanghebbende ervoor kiest om zich verder niet te laten behandelen doet hieraan niet af, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

6.3

Stichting Spirit heeft bij monde van hun medisch adviseur de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch inhoudelijk betwist.6 [naam arts] wijst erop dat belanghebbende meerdere aandoeningen heeft. De fysieke klachten zijn blijvend van aard. De psychische klachten kennen verschillende diagnoses. [naam arts] wijst erop dat belanghebbende al lange tijd met de psychische klachten bekend is. Belanghebbende heeft nu wel behandeling van haar klachten in de vorm van gesprekken met een POH-GGZ. De POH-GGZ heeft geen verwijzing gegeven voor een andere behandeling. Daarnaast is het de vraag of de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorgestelde behandelingen voor belanghebbende beschikbaar zijn, of ze zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid. Belanghebbende heeft eerder intensieve behandeling in combinatie met medicatie gehad, maar dat heeft toen niet tot verbetering van de belastbaarheid geleid. Het Uwv had contact moeten opnemen met de behandelaren over de vraag of de behandeling adequaat is. De zorgvuldigheid van het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichte onderzoek wordt daarmee betwist.

6.4

Na het instellen van beroep hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en [naam arts] nog verschillende keren op elkaars rapportages gereageerd. De rechtbank heeft van deze rapportages kennis genomen.

De beslissing tot schorsing van het onderzoek van 2 november 2017

7.1

De rechtbank heeft deze zaak eerder behandeld op de zitting van 2 november 2017. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. De rechtbank heeft daarbij – samengevat weergegeven – het volgende overwogen. Bij het bepalen van de duurzaamheid van de beperkingen moet een inschatting worden gemaakt van toekomstige ontwikkelingen. In een geval als dit, waarin de inschatting van de kans op herstel berust op een (al dan niet reeds ingezette) medische behandeling, is een concrete onderbouwing vereist van de mogelijke behandelopties en het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een indicatie uit 2013 slechts gesteld dat er nog behandelopties zijn voor de psychische beperkingen van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te algemeen geformuleerd en niet toegespitst op de actuele situatie van belanghebbende.

7.2

De rechtbank heeft het Uwv vervolgens in de gelegenheid gesteld om de mogelijke behandelopties en het mogelijke resultaat daarvan voor belanghebbende nader concreet te onderbouwen.

Ontwikkelingen na de schorsing van het onderzoek

8.1

Het Uwv heeft bij brief van 28 november 2017 een nadere rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 november 2017 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst naar de eerdere rapportage van 16 juni 2017. Nu de medische situatie sinds het afbreken van de dagbehandeling niet wezenlijk is veranderd en de adequaat geachte behandelopties niet zijn opgestart, kan nog immer van dezelfde prognose bij behandeling uitgegaan worden.

8.2

Medisch adviseur [naam arts] heeft op 19 december 2017 namens Stichting Spirit de nader rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd betwist.

8.3

De rechtbank stelt vast dat de nadere rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep feitelijk een herhaling vormt van het aanvankelijke standpunt van het Uwv. De motivering rust in de kern op een verwijzing naar de mogelijkheid van behandeling voor de psychische klachten van belanghebbende, zoals voorzien in algemene verzekeringsgeneeskundige protocollen. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende nu daarmee niet concreet is ingegaan op de situatie van belanghebbende, in het bijzonder van de prognostisch ongunstige factoren die zich voordoen. In dat kader wijst de rechtbank op de leeftijd van belanghebbende, de reeds lange tijd aanwezige psychische klachten, haar belaste jeugd, en de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis. Verder ontbreekt een geïndividualiseerde motivering ten aanzien van de comorbiditeit tussen de verschillende psychische klachten en de duurzame fysieke klachten als gevolg van de ernstige ziektes die zij heeft doorgemaakt. Ook deze factoren beïnvloeden de prognose op herstel negatief. Belanghebbende is eerder voor haar psychische problemen opgenomen geweest en heeft ook een dagbehandeling ondergaan. De echtgenoot van belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat zij reeds verschillende medicatie heeft geprobeerd, zonder blijvend resultaat. Ook is bekend dat belanghebbende heftige (fysieke) reacties heeft getoond op verschillende medicatie. Belanghebbende heeft dus reeds zonder positief resultaat geprobeerd om adequate behandeling te krijgen voor haar klachten. Dat belanghebbende destijds (om haar moverende redenen) is gestopt met een dagbehandeling maakt niet dat deze en/of andere behandelingen nu wel een adequate behandelmogelijkheid vormt. Tot slot wijst de rechtbank op de verwachting van de POH-GGZ van belanghebbende dat de psychische problemen een chronisch karakter hebben en een groepsbehandeling niet geschikt lijkt.

8.4

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond bezien, had het op de weg van het Uwv gelegen om informatie bij de behandelaar(s) van belanghebbende op te vragen dan wel anderszins nader onderzoek te verrichten. Volgens het door het Uwv gehanteerde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ ligt de bewijslast voor het opstellen van de verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden bij de verzekeringsarts. De rechtbank heeft eerder het onderzoek ter zitting geschorst vanwege de twijfel aan de volledigheid van de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Deze twijfel is gelet op hetgeen in de voorgaande paragraaf is overwogen met de aanvullende medische rapportage niet weggenomen. Een gedegen onderzoek naar de behandelingsopties ontbreekt. Dit betekent dat het medische rapport niet voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

8.5

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de beroepsgronden gericht tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit slagen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.

Ten aanzien van het arbeidskundig onderzoek

9. Nu de medische onderbouwing van het bestreden besluit geen stand houdt, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit.

Conclusie

10.1

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Ook na schorsing van het onderzoek ter zitting, is het Uwv niet erin geslaagd om de weigering belanghebbende een IVA-uitkering toe te kennen alsnog van een draagkrachtige motivering te voorzien. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om ter finale beslechting van het geschil en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat belanghebbende met ingang van 10 maart 2016 (datum aanvraag herbeoordeling) recht heeft op een IVA-uitkering. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat eerst met ingang van 27 juli 2016 (datum FML) de beperkingen van belanghebbende duurzaam waren.

10.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10.3

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 0,5 punt voor de nadere reactie, 0,5 punt voor de nadere zitting na schorsing, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

10.4

Met betrekking tot de kosten van de door eiseres ingeschakelde medisch adviseur overweegt de rechtbank dat op grond van het Bpb de vergoeding van een verslag van een deskundige wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Hieruit volgt dat een forfaitaire vergoeding geldt op basis van het aantal bestede uren, waarbij het uurtarief is vastgesteld op € 121,95. Uit de overgelegde urenspecificaties van [naam arts] valt af te leiden dat de tijdsbesteding 11 uur was. Op grond hiervan komt eiseres in aanmerking voor toekenning van een bedrag van € 1.341,45 inclusief 21% btw (€ 281,70) = € 1.623,15.

10.5

Gelet op overweging 10.3 en 10.4 bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in totaal € 3.627,15 (€ 2.004,- + € 1.623,15).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat belanghebbende met ingang van 10 maart 2016 recht heeft op een IVA-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.627,15,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Rapport van de verzekeringsarts van 2 augustus 2016 (dossierstuk m42.1 e.v.).

2 Rapport van de arbeidsdeskundige van 23 augustus 2016 (dossierstuk 45.1 e.v.).

3 Een uitkering op grond van de in de Wet WIA opgenomen regeling ‘Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten’ (IVA).

4 Rapport van medisch adviseur/verzekeringsarts [naam arts] , van 28 november 2016 (dossierstuk m59.6 e.v.).

5 Rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 april 2017 (dossierstuk m69.1. e.v.). Rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 april 2017 (dossierstuk m72.1 e.v.).

6 Rapport van medisch adviseur/verzekeringsarts [naam arts] van 16 mei 2017 (dossierstuk A1.1).