Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5507

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
13/665403-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man is veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf onder meer omdat hij op 28 juli 2017 een gewapende woningoverval pleegde in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665403-17

Datum uitspraak: 31 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats, gedetineerd in het Justitieel Complex [naam JC] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Bosman en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.O. den Otter, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. gewapende woningoverval;

2. wapenbezit.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden op basis van het volgende. Verdachte heeft erkend dat hij in de woning is geweest. Hij heeft anders dan aangevers verklaard dat hij wiet uit de woning heeft gestolen en daarbij geen wapen heeft gebruikt. Deze verklaring wordt op geen enkele manier ondersteund terwijl de verklaringen van de drie aangevers nagenoeg op elkaar aansluiten. Voor de bewezenverklaring moet dan ook worden uitgegaan van deze laatste verklaringen. Daarnaast droeg verdachte het onder 2 tenlastegelegde vuurwapen bij zich ten tijde van zijn aanhouding.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien het onder 1 tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De lezing van verdachte dat hij wiet heeft gestolen en geen wapen bij zich had is aannemelijk in tegenstelling tot het scenario die de aangevers hebben beschreven. Dit gelet op de vele tegenstrijdigheden in de door hen afgelegde verklaringen, het feit dat uit niets volgt dat [naam 1] in kleding handelde en het feit dat de hoeveelheid kleding die zou zijn gestolen niet past in de tas die verdachte uit de woning heeft meegnomen. De aangevers zijn kortom niet betrouwbaar. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Verdachte wordt ervan verdacht een tas met kleding te hebben gestolen uit de woning van [naam 1] (hierna [naam 1] ) en daarbij een vuurwapen op aangevers [naam 1] , [naam 2] (hierna [naam 2] ) en [naam 3] (hierna [naam 3] ) te hebben gericht. Voor de rechtbank staat vast dat verdachte de bewuste dag in de woning is geweest en ook iets heeft weggenomen. Dit hebben de aangevers verklaard, verdachte heeft het erkend en het wordt bevestigd door de camerabeelden die zijn gemaakt in het gebouw waar [naam 1] woont. De lezingen van aangevers en verdachte lopen uiteen over wat verdachte heeft weggenomen en of hij daarbij een wapen heeft gebruikt.

Op 28 juli 2017 om 19.20 uur kreeg de politie een melding binnen van een woningoverval. De dienstdoende verbalisanten zijn omstreeks 19.26 uur ter plaatse gekomen. Op de camerabeelden die zijn gemaakt in het gebouw waar [naam 1] woont is te zien dat verdachte om 19.08 uur het gebouw verlaat. [naam 3] heeft ter plaatse direct verklaard dat verdachte in de woning was voor een marktplaatsverkoop en dat er een wapen is getrokken. Vervolgens zijn [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] diezelfde avond op het politiebureau gehoord. Zij hebben alle drie verklaard dat er een afspraak was met verdachte om kleding van [naam 1] te kopen, dat hij in de woning op een gegeven moment een wapen heeft gepakt, dat wapen op hen heeft gericht en de kleding en een of meer horloges uit het huis heeft weggenomen. Ook waren volgens aangevers de kinderen van [naam 3] en [naam 1] in de woning aanwezig. Deze verklaringen komen in grote lijnen overeen en bepaalde onderdelen ervan sluiten nauwkeurig op elkaar aan. Zo hebben [naam 2] en [naam 1] beiden verklaard dat verdachte het wapen eerst op [naam 2] heeft gericht en vervolgens op [naam 1] , omdat [naam 1] nog niet was gaan liggen. Ook op het punt van het horloge dat verdachte van [naam 1] wilde hebben komen de verklaringen nagenoeg overeen. De rechtbank vindt de verklaringen van de aangevers om die reden dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De omstandigheid dat de aangevers op bepaalde punten niet exact hetzelfde en/of consistent hebben verklaard doet aan dit oordeel niet af. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verstreken tijd tussen de overval en het moment dat de aangevers hun eerste verklaringen hebben afgelegd zo kort is dat de rechtbank ervanuit gaat dat de aangevers de verklaringen niet op elkaar hebben kunnen afstemmen. Daarnaast bevestigt ook de verklaring van de buurvrouw van [naam 1] , getuige [getuige 1] , de lezing van aangevers, dat [naam 3] en de kinderen in de woning waren tijdens de beroving.

De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk. Verdachte heeft, na een lange periode van zwijgen, een verklaring afgelegd over wat er zich volgens hem heeft afgespeeld. Hij zou wiet hebben gestolen voor een vriend van hem en hij ontkent dat hij die dag een wapen heeft gebruikt. Volgens verdachte waren enkel [naam 2] en [naam 1] in de woning. De rechtbank heeft verdachte op de zitting meermalen de kans geboden om zijn verklaring te concretiseren. Verdachte heeft zich echter telkens op zijn zwijgrecht beroepen waar het ging om details die zijn verklaring mogelijk zouden kunnen ondersteunen of om punten waarop zijn verklaring te verifiëren zou zijn. Bijvoorbeeld wie de chauffeur van zijn vluchtauto was en waar zij de vermeende wiet naartoe hebben gebracht. Daarnaast is de verklaring van verdachte dat hij geen kinderen in de woning heeft gezien uiterst onwaarschijnlijk gelet op de verklaringen van aangevers op dit punt en de verklaring van een onafhankelijke getuige, [getuige 1] , de buurvrouw van [naam 1] . Zij is direct na de overval naar de woning van [naam 1] toegegaan en trof daar, naast [naam 1] , die volgens haar overstuur was, ook [naam 3] en de kinderen aan.

De rechtbank gaat op basis van het voorgaande in samenhang bezien bij haar beoordeling uit van de lezing van aangevers en verwerpt het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman. Wel is zij met de raadsman van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld hoeveel kledingstukken er zijn weggenomen en dat de telefoon van [naam 2] is weggenomen door verdachte. Daarnaast volgt niet uit het dossier dat verdachte de overval tezamen en in vereniging met een ander dan wel anderen heeft gepleegd. De door de officier van justitie aangedragen omstandigheid dat iemand anders de auto bestuurde waarmee verdachte weg is gegaan, is onvoldoende voor een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van deze onderdelen van de tenlastelegging en acht de rest van het onder 1 tenlastegelegde feit bewezen.

Feit 2

Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding een wapen met munitie bij zich droeg. Op de zitting heeft hij dit ook erkend. Uit nader onderzoek naar het wapen en de munitie blijkt dat het om het in de tenlastelegging omschreven pistool met bijbehorende munitie ging. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 28 juli 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kledingstukken en een of twee horloges toebehorende aan [naam 1] , welke diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij naar de woning van die [naam 1] is toegegaan en dat hij in die woning een vuurwapen heeft gepakt en heeft doorgeladen en op die [naam 1] , die [naam 2] en die [naam 3] heeft gericht en tegen die [naam 1] , die [naam 2] heeft geroepen: "Plat, plat", en/of "Ga op je buik liggen" en/of "Geef, geef of ik schiet";

ten aanzien van feit 2

op 14 november 2017 te Rotterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Bernadelli, kaliber 7,65 Browning, en munitie van categorie III, te weten 7 patronen, merk S&B, kaliber 7,65, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de rechtbank tot een veroordeling voor feit 1 komt de straf gematigd dient te worden omdat er aanwijzingen zijn dat ook aangevers zich in het criminele milieu begeven.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Bij de keuze voor een vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende meegenomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende woningoverval. Hij is de woning binnen gegaan onder het valse voorwendsel dat hij kleding zou kopen van (een van de) aangevers, waar hij vervolgens een pistool op de aanwezige personen heeft gericht en de kleding heeft weggenomen. In de woning waar hij met zijn getrokken wapen de aangevers bedreigde, waren op een paar meter afstand ook de kinderen van de bewoners aanwezig. Het spreekt voor zich dat een dergelijke overval voor de aangevers en die kinderen een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Het is één van de ergste dingen die een bewoner in zijn huis kan meemaken. Uit de vorderingen van de aangevers blijkt dat zij – nog steeds – erg aangedaan zijn door deze gebeurtenis. De aangevers ondervinden nog (dagelijks) de psychische gevolgen van de overval. Bij al deze gevolgen heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan kostbare kleding en sieraden te komen. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de impact daarvan op het aangevers. Dat rekent de rechtbank hem aan en baart haar ook zorgen voor de toekomst.

Daarnaast had verdachte op het moment van zijn aanhouding een vuurwapen en munitie in zijn bezit. Het ongecontroleerde bezit hiervan brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en kan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Het maatschappelijk belang om te voorkomen dat onbevoegden over dergelijke munitie beschikken is dan ook bijzonder groot.

Bij de bepaling van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de voor de rechtspraak geldende (straf)oriëntatiepunten en de straffen die doorgaans voor vergelijkbare feiten worden opgelegd. Uitgangspunt voor een overval in een woning is een gevangenisstraf van drie jaar en uitgangspunt voor wapenbezit is drie maanden gevangenisstraf. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat er kinderen in de woning aanwezig waren, dat er met een vuurwapen is gedreigd en dat verdachte, zo blijkt uit zijn strafblad, al eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wet Wapens en munitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar passend en geboden.

8 Beslag

Onder verdachte is een Samsung telefoon in beslag genomen. Die telefoon behoort aan verdachte toe en dient aan hem te worden teruggegeven.

9 De benadeelde partijen

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de door [naam 1] gevorderde materiële schade aangevoerd dat de hoeveelheid kleding en de waarde van de weggenomen kleding niet kan worden vastgesteld op grond van de door [naam 1] ingediende stukken. De behandeling van dit gedeelte van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op en hij dient ten aanzien van dit gedeelte niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het immateriële deel van de vordering van [naam 1] en ook de door [naam 3] en [naam 2] gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden toegewezen, omdat het om rechtstreeks geleden schade gaat en zij hun vordering voldoende hebben onderbouwd.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade aangevoerd dat er grote verschillen tussen de gevorderde bedragen zitten en dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding aansluiting gezocht moet worden bij het door [naam 2] gevorderde bedrag. De aangehaalde jurisprudentie bij [naam 1] en [naam 3] is geenszins vergelijkbaar met deze zaak. Ten aanzien van de door [naam 1] gevorderde materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

9.3.1.

[naam 1]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte rechtstreekse schade heeft geleden.

heeft een bedrag van € 27.767,- aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag is gemotiveerd betwist. Ter onderbouwing van dit bedrag zijn er plaatjes van internet overgelegd met daarop kledingstukken en sieraden met bijbehorende prijzen. De vordering bevat geen aankoopbewijs of enig ander stuk ter onderbouwing. Naar het oordeel van de rechtbank levert behandeling van de vordering voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Zij verklaart [naam 1] dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering voor wat betreft de materiële schade. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[naam 1] heeft een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat het door [naam 1] gevorderde bedrag redelijk is en zij houdt daarbij rekening met vergoedingen in soortgelijke zaken. Uit de stukken ter onderbouwing van de vordering volgt dat er bij [naam 1] een posttraumatische stresstoornis is vastgesteld en dat hij dagelijks last heeft van de psychische gevolgen van het misdrijf. De vordering wordt dan ook tot een bedrag van € 5.000,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2017.

In het belang van [naam 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.3.2.

[naam 2]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte rechtstreekse schade heeft geleden.

heeft een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade gevorderd. De immateriële schade is niet betwist en wordt in zijn geheel toegewezen. De vordering wordt dan ook tot een bedrag van € 1.500,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2017.

In het belang van [naam 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.3.3.

[naam 3]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte rechtstreekse schade heeft geleden. [naam 3] heeft een bedrag van € 4.500,- aan immateriële schade gevorderd. Uit de slachtofferverklaring volgt dat [naam 3] nog altijd bang is als zij alleen thuis is en ook buitenshuis is zij op haar hoede. Zij denkt er nog vaak over na dat het anders had kunnen aflopen en dat zij haar kinderen had kunnen verliezen of dat haar kinderen zonder ouders zouden moeten opgroeien. Verder merkt [naam 3] dat sinds het misdrijf haar concentratie slechter is geworden. In de woning van [naam 3] is er een vuurwapen op haar en haar kinderen gericht. De rechtbank is van oordeel dat in een dergelijke situatie de gevoelens van angst, onveiligheid dermate groot zijn dat het aannemelijk is dat [naam 3] ernstige psychische gevolgen ondervindt van het misdrijf. Zij waardeert de immateriële schade naar redelijkheid en rekening houdend met de vergoedingen in soortgelijke zaken, in de huidige stand van zaken op € 2.500,-De vordering wordt dan ook tot een totaalbedrag van € 2.500,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2018.

Voor het overige gedeelte verklaart de rechtbank [naam 3] niet-ontvankelijk in haar vordering, zij kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [naam 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan door en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [naam 1] toe tot een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 28 juli 2017 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 1] het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] te betalen de som van € 5.000,- (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 april 2017) tot aan de dag van voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 (zestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [naam 1] in het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] toe tot een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juli 2017) tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 2] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam 2] te betalen de som van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juli 2017) tot aan de dag van voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 3] toe tot een bedrag van € 2.500,- (tweeduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 28 juli 2017 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 3] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam 3] te betalen de som van € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juli 2017) tot aan de dag van voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de [naam 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Gelast de teruggave aan verdachte van de Samsungtelefoon zoals omschreven onder nummer 1 van de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en J. Huber, rechters

in tegenwoordigheid van mr. A. Bouwman, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2018.