Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5377

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
C/13/646516 / FA RK 18-2472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De kinderen maken deel uit van een groot gezin dat bestaat uit 11 kinderen van 7 verschillende vaders. Gezagsbeëindiging ten aanzien van vier kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

zaakgegevens : C/13/646516 / FA RK 18-2472 & C/13/646474 / FA RK 18/2451

datum uitspraak: 18 juli 2018

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag


in de zaak van:

Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam,

betreffende:

[kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [kind 1] ,

[kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [kind 2] ,

[kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2014, hierna te noemen [kind 3] en

[kind 4] , geboren op [geboortedatum] 2015, hierna te noemen [kind 4] ,

hierna samen ook te noemen de minderjarigen.

[de vrouw] , wonende te [woonplaats] , is de moeder,

advocaat mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,

[de man] , wonende op een geheim adres, is de vader van [kind 3] en [kind 4] ,

advocaat mr. C.J. Gebuijs te Amsterdam.

Als belanghebbenden merkt de rechtbank aan: de moeder, de vader van [kind 3] en [kind 4] , de minderjarige [kind 1] , de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSS), [gezinshuisouder 1] en [gezinhuisouder 2] , de gezinshuisouders.

1 Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoek met bijlagen van de Raad ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] van 6 april 2018, ingekomen ter griffie op 09 april 2018;

  • -

    het verzoek met bijlagen van de Raad ten aanzien van [kind 3] en [kind 4] van 6 april 2018, ingekomen ter griffie op 9 april 2018;

  • -

    de bereidverklaring van de WSS om de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden.

Op 5 juni 2018 is de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Aalmoes,

- namens [de man] mr. Gebuijs,

- [gezinhuisouder 2] , de gezinshuisouder,

- [naam 1] , namens de Raad,

- [naam 2] en [naam 3] namens de WSS,

- [naam 4] , woonbegeleider van de moeder vanuit het Leger des Heils.

[kind 1] is op 4 juni 2018 apart gehoord.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met het verzoek van de WSS om verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen (zaaknummer C/13/636688 / JE RK 17-1039). In die zaak is mondeling uitspraak gedaan op 5 juni 2018. De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verlengd met ingang van 12 juni 2018 tot 12 december 2018.

2
2. De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder. De vaders van [kind 1] en [kind 2] zijn niet bekend bij de hulpverlening.

2.2.

De moeder en [de man] zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 3] en [kind 4] .

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter Amsterdam van 25 oktober 2010 zijn [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling heeft gelopen tot 25 mei 2012. Bij beschikking van 12 december 2012 zijn [kind 1] en [kind 2] opnieuw onder toezicht gesteld. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de minderjarigen krachtens een op 4 april 2016 verleende machtiging uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 12 december 2018.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter Amsterdam van 12 mei 2014 is [kind 3] voorlopig onder toezicht gesteld en bij beschikking van de kinderrechter Amsterdam van 23 september 2014 is [kind 4] onder toezicht gesteld. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de minderjarigen krachtens een op 4 april 2016 verleende machtiging uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 12 december 2018.

2.5.

De minderjarigen wonen sinds augustus 2016 in een gezinshuis in [woonplaats] .

3 Het verzoek

3.1.

De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder over de minderjarigen en het gezag van de vader over [kind 3] en [kind 4] te beëindigen en de WSS tot voogd over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] te benoemen.

3.2.

De Raad heeft haar verzoek gebaseerd op twee onderzoeksrapporten van 6 april 2018. De raad acht de moeder onvoldoende in staat om de opvoeding van de minderjarigen te dragen. De minderjarigen zijn onderdeel van een groot gezinssysteem met in totaal elf kinderen van dezelfde moeder en van zeven verschillende vaders. Het gezin van de moeder heeft de OMPG-status. De moeder kampt met een licht verstandelijke beperking. Zij is laatstelijk in november 2017 bevallen van een tweeling. Met uitzondering van de tweeling zijn alle andere kinderen van de moeder uit huis geplaatst vanwege structurele zorgen over de opvoedomgeving en ontwikkeling van de kinderen. Bij bijna alle kinderen is sprake van ontwikkelings- dan wel (ernstige) gedragsproblemen. Er is al jaren veel (intensieve) hulpverlening ingezet maar de moeder is onvoldoende leerbaar en begeleidbaar gebleken. [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] wonen sinds augustus 2016 in een gezinshuis waar zij zich goed ontwikkelen. Het is voor de minderjarigen van belang dat zij duidelijkheid gaan ervaren over hun opvoedings- en ontwikkelingsperspectief. Dit perspectief ligt niet bij de moeder maar bij het gezinshuis waar zij wonen. De vader van [kind 3] en [kind 4] is een onstabiele factor in hun leven en geeft onvoldoende invulling aan zijn rol als vader. De vader heeft na een periode van begeleide omgang het contact met de kinderen plotseling beëindigd en is niet meer bereikbaar voor de hulpverlening. Er is sprake van een zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen dat gezagsbeëindiging noodzakelijk is. Als de voogdij wordt uitgevoerd door een andere partij kunnnen de beslissingen over de kinderen adequaat en snel genomen worden en lopen beslissingen geen vertraging op.

4 De standpunten

4.1.

Ter zitting is namens de Raad gepersisteerd bij het verzoek en is verwezen naar de onderliggende verzoekschriften met bijlagen. De moeder is niet in staat gebleken voor de kinderen te zorgen. Zij heeft een verstandelijke beperking en kan niet aansluiten bij de behoeften van de kinderen. De aanvaardbare termijn is verstreken. Er moet duidelijkheid komen voor iedereen.

4.2.

[kind 1] heeft in het gesprek met de rechter aangegeven dat het slecht met haar gaat op school. Zij wordt snel en vaak boos en vindt die boosheid wel fijn. Misschien komt dat wel door de uithuisplaatsing. Zij snapt niet waarom die is uitgesproken. Bij het gezinshuis gaat het wel goed. [kind 1] heeft goed contact met een pleegzusje. [kind 1] heeft aangegeven dat zij een einde aan haar leven wil maken als zij niet meer bij haar moeder mag wonen. Dat gevoel heeft zij nog steeds, maar dat zal minder worden als zij haar moeder vaker mag zien.

4.3.

De WSS heeft aangevoerd dat er sinds de zitting van 8 december 2017 weinig positieve veranderingen zijn geweest. In november 2017 is de moeder opnieuw bevallen, dit keer van een tweeling. Haar zwangerschap en bevalling was niet bekend bij de hulpverlening. Het gezin bestaat nu uit elf kinderen afkomstig van zeven vaders. De geboorte van de tweeling heeft grote impact gehad op de andere kinderen. Het perspectief van de minderjarigen ligt niet meer bij de moeder. Ook voor de tweeling, die nog bij de moeder woont, wordt door de Raad terecht een gezagsbeëindiging verzocht. Als het gezag van de moeder wordt beëindigd, zal dit geen gevolgen hebben voor haar contact met de minderjarigen. De moeder zal uitgebreid worden geïnformeerd over de kinderen door de WSS.

De werkrelatie tussen de moeder en de jeugdzorgwerker is goed. De opvoedcapaciteiten en de leerbaarheid van de moeder schieten echter tekort om de zorg voor de minderjarigen te kunnen dragen. Daarnaast is haar éénkamer woning van het Leger des Heils niet geschikt om de minderjarigen te laten inwonen. De vader van [kind 3] en [kind 4] heeft na de vorige zitting, buiten voor de rechtbank, in het bijzijn van [kind 1] en [kind 2] , bedreigende woorden geuit naar de gezinshuismoeder. Sindsdien is er geen contact geweest tussen de vader en de kinderen. Meerdere pogingen om een herstelgesprek tussen de vader en de gezinshuismoeder te plannen zijn vanwege afzeggingen door de vader mislukt. Kort geleden was met hem een afspraak gemaakt op zijn initiatief voor een huisbezoek. Hij was echter niet aanwezig en heeft daarover ook geen contact opgenomen. Het contact van de jeugdzorgwerker loopt geheel via de oma van vaderszijde.

4.4.

De moeder heeft verklaard dat zij ter zitting allemaal nieuwe dingen hoort over [kind 1] waarvan zij niet op de hoogte was. Zij voelt zich heel erg betrokken bij haar kinderen en bemoeit zich best wel veel met haar kinderen. Zij vreest dat zij minder betrokken wordt als haar het gezag wordt ontnomen. Van haar zoon ( [kind 5] ) die in [land] verblijft, hoort zij bijvoorbeeld ook niets meer. De moeder wil het gezag behouden. Het liefst zou zij alle vier de kinderen bij haar laten inwonen. De woning is daarvoor geschikt, alleen als de tweeling ouder wordt is de woning te klein. Zij is doende om een grotere woning te verkrijgen.

4.5.

Namens de moeder is door de raadsvrouw aangevoerd dat zij het gezin al jaren kent en dat de Raad een beeld schetst van het gezin dat niet juist is. De gebeurtenissen met [kind 6] hebben een negatieve invloed gehad op het hele gezin, hij zorgde voor veel onrust in het gezin. Ten aanzien van [kind 5] geldt dat zijn traject veel te langzaam op gang is gekomen, waardoor het mis is gegaan. Hij heeft veel te lang in de Koppeling gezeten en verblijft nu in [land] . De Raad heeft bij het opstellen van de verzoeken gekeken naar de gebeurtenissen met de oudere kinderen in het verleden en past deze nu ten onrechte ook toe bij de onderhavige minderjarigen. Het probleem voor moeder was vooral de hoeveelheid kinderen. Toen zij de zorg had voor nog maar vier kinderen ging het goed. Het gezag van de moeder moet niet worden beëindigd.

4.6.

Namens de vader is aangevoerd dat het contact van hem met de gezinsmanagers moeizaam verloopt. Er zijn altijd conflicten. Hij voelt zich keer op keer gestraft. Hij is betrokken en heeft een goede band met de kinderen. Als het contact echter is verbroken door de uithuisplaatsing is het moeilijk om dat weer terug te draaien. De ouders worden niet ondersteund in het contact met de kinderen. De vader wil het ouderlijk gezag behouden, omdat hij vreest dan hij anders nog minder contact met de kinderen zal hebben. Hij kan zelf geen zorg bieden voor de kinderen, maar vindt dat er moet worden toegewerkt naar terugplaatsing bij de moeder. Dat hij het gesprek niet aangaat en ook heden niet ter zitting is verschenen, is een belemmering vanuit zijn persoonlijkheid.

4.7.

De gezinshuisouder heeft verklaard dat de minderjarigen goed contact hebben met de moeder, [kind 1] in het bijzonder, ook buiten de reguliere contactmomenten om. De gezinshuismoeder vindt het lastig om wat te zeggen over de verzoeken.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. (…).

5.2.

De rechtbank is op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij maken deel uit van een groot gezinssysteem waarvan – behoudens de in november 2017 geboren tweeling – alle kinderen uit huis zijn geplaatst wegens aanhoudende zorgen over de veiliheid en stabiliteit. [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] hebben veel onveiligheid en onvoorspelbaarheid meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder. [kind 3] en [kind 4] zijn op (zeer) jonge leeftijd uit huis geplaatst. Van alle kinderen (met uitzondering van de tweeling) van de moeder laten zij de minste zorgsignalen zien. Er zijn ten aanzien van [kind 1] zorgen over haar gedrag. Zij kan opstandig zijn, wervend gedrag vertonen naar jongens en manipulatief zijn tussen verschillende volwassenen om haar heen. Zij heeft moeite met het accepteren van de plaatsing en lijkt in een groot loyaliteitsconflict tussen de moeder en de gezinshuisouders te verkeren. Ook ten aanzien van [kind 2] zijn er zorgen over zijn gedrag. Ook hij lijkt in een loyaliteitsconflict tussen de moeder en de gezinshuisouders te verkeren. Deze frustratie uit zich in steeds moeilijker te hanteren gedrag op school. Er zijn sterke vermoedens van ADHD. De WSS, school en de gezinshuisouders zijn van mening dat [kind 2] baat zal kunnen hebben bij medicatie daarvoor, maar de moeder stemt daar niet mee in. [kind 2] heeft veel sturing nodig. Hij plast nog bijna dagelijks in bed en smeert met zijn poep.

5.3.

De moeder heeft thans een relatie met de vader van haar jongste tweeling. De moeder heeft financiële problemen en staat onder bewind. Zij heeft twee keer moeten verhuizen vanwege het veroorzaken van overlast en een opgelopen huurachterstand. Zij woont thans in een woning van het Leger des Heils met één slaapkamer, die niet geschikt is om meerdere kinderen te huisvesten. Er is geen zicht op het spoedig betrekken van een grotere woning.

De moeder beschikt over onvoldoende opvoedingsvaardigheden om de opgroeiende minderjarigen te bieden wat zij nodig hebben en zij is hierin onvoldoende leerbaar en begeleidbaar gebleken. Nog los van de vraag of de verschilende vaders wel over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikten, zijn zij tot nog toe na enige tijd uit beeld verdwenen, waardoor de moeder telkens alleen kwam te staan voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Het is niet de verwachting dat hierin binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn verandering zal komen. Er is door de jaren heen veel intensieve hulpverlening ingezet, maar deze heeft niet tot een verbetering van de opvoedsituatie bij de moeder kunnen leiden. De moeder heeft haar laatste zwangerschap van de tweeling niet gemeld aan de WSS en aan de minderjarigen. Zij was voornemens om de tweeling aan de minderjarigen voor te stellen door de tweeling mee te nemen naar één van de bezoeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder ook hiermee laten zien geen inzicht te hebben in wat de kinderen nodig hebben. De vader van [kind 3] en [kind 4] heeft plots eenzijdig het contact met de kinderen verbroken en is onbereikbaar voor de hulpverlening. Hij geeft al enige tijd geen invullling aan zijn gezag, omdat hij volgens zijn advocaat het gesprek niet aan kan gaan vanwege een belemmering vanuit zijn persoonlijkheid.

5.4.

De minderjarigen wonen sinds augustus 2016 in het huidige gezinshuis, waar zij zich in het geheel beschouwd positief ontwikkelen. [kind 3] en [kind 4] zijn veilig gehecht aan de gezinshuisouders. [kind 1] laat steeds minder tekenen van parentificatie zien en heeft goed contct met haar pleegzusje. [kind 2] voelt zich vertrouwd bij de gezinshuisouders. Het is van belang voor de minderjarigen dat zij duidelijkheid krijgen over hun ontwikkelingsperspectief tot hun volwassenheid. De rechtbank is van oordeel dat er thans geen perspectief meer is op terugkeer naar het gezin van de moeder, terwijl het jaarlijks verlengen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gelet op de daarmee gepaard gaande onrust niet wenselijk is.

5.5.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a, van het BW is voldaan. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder en [de man] toewijzen.

5.6.

De rechtbank wil benadrukken dat de gezagsbeëindiging niet wegneemt dat de moeder moeder van de minderjarigen blijft en dat zij betrokken moet blijven bij het leven van de minderjarigen, zodat zij op positieve wijze invulling kan geven aan haar rol van ouder op afstand. De WSS moet goed bekijken op welke wijze het contact tussen de minderjarigen en de moeder moet plaatsvinden. Met name [kind 1] heeft een sterke band met de moeder.

5.7.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over hen te benoemen. De WSS heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen en acht dat ook in het belang van de minderjarigen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de WSS moet worden belast met de voogdij.

6 De beslissing

De rechtbank, in beide zaken:

- beëindigt het ouderlijk gezag van [de vrouw], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, over:

[kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

[kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

[kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] en

[kind 4] , geboren op [geboortedatum] 2015;

- beëindigt het ouderlijk gezag van [de man], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] over:

[kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] en

[kind 4] , geboren op [geboortedatum] 2015;

- benoemt tot voogd over de hiervoor genoemde minderjarigen de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Beunk, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. A.J. Wesdorp en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam