Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5355

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
13/751364-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Detentieomstandigheden Letland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751364-18

RK nummer: 18/2894

Datum uitspraak: 10 juli 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 september 2017 door the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Plas, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Letse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the Riga City Latgale Suburb Court van 24 januari 2017.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, sub 2, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 Detentie-omstandigheden Letland

5.1.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Letse penitentiaire instelling wacht. De opgeëiste persoon heeft suïcidale neigingen. Of hij in Letse penitentiaire instellingen de correcte behandeling kan krijgen, is afhankelijk van de medische zorg die aldaar kan worden gegeven. Uit de rapporten Prison Conditions in Latvia van september 2013 en Latvia Human Rights Report van 2016 blijkt dat de zorg voor dergelijke gedetineerden in Letse gevangenissen tekortschiet. Er bestaat een algemeen gevaar voor deze categorie personen. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon het risico loopt blijvend gehandicapt te worden, omdat hij in zijn hand een vergroeide spier heeft. In Nederland kan hij mogelijk worden geopereerd, maar in Letland wegens het ontbreken van een zorgverzekering niet.


Gelet op het voornoemde wacht de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Letse penitentiaire instelling en moet de overlevering worden geweigerd dan wel de beslissing op het overleveringsverzoek worden aangehouden teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen de garantie te geven dat voor de opgeëiste persoon de juiste medische zorg beschikbaar is.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie dat overgeleverde personen in Letse gevangenissen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen niet kan worden getrokken. Zij heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 24 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:4025). Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon in het kader van artikel 35 OLW bij de feitelijke overlevering aan bod kan komen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.

Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld.

Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).

In het geval dat er een algemeen risico wordt aangenomen, moet de rechtbank beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon vanwege de omstandigheden van zijn detentie in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.

Het Latvia Human Rights Report van 2016 dat de raadsvrouw ter onderbouwing van haar verweer heeft overgelegd, geeft aan dat er – met name door een gebrek aan medisch personeel – zorgen bestaan over de medische voorzieningen in de Letse penitentiaire instellingen. Die zorgen worden gedeeld door het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) in haar rapport van 29 juni 2017, maar uit beide rapporten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat er ten aanzien van de groep gedetineerden met suïcidale neigingen een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling.

Het door de raadsvrouw overgelegde rapport Prison Conditions in Latvia van september 2013 is onvoldoende actueel en kan om die reden niet tot een ander oordeel leiden.

De rechtbank verwerpt het verweer en ziet derhalve geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen.

Een en ander laat onverlet dat de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon een rol zou kunnen spelen bij de beslissing over een eventueel uitstel van de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. E.G. Fels en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

B