Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5339

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
13/752158-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek schadevergoeding na weigering van de overlevering. Weigering van de overlevering leidt tot de vaststelling dat verzoeker ten onrechte gedetineerd is geweest. Schadevergoeding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/752158-17

RK nummer: 18/1658 en 18-1659

BESCHIKKING

Op de verzoeken tot schadevergoeding ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,

woonplaats kiezende te [adres] ,

hierna te noemen: verzoeker.

1 Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 8 maart 2018, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van

27 februari 2017 tot weigering van de overlevering van verzoeker.

De rechtbank heeft op 12 juni 2018 mr. K.K. Hansen-Löve, advocaat van verzoeker, en de

officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, in openbare raadkamer gehoord.

De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk.

2 Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

- Bij vonnis van 26 juni 2014 van the Krakow-Krowodrza Regional Court in Krakow Second Criminal Division (Polen) is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden;

- Op 15 september 2017 is door the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker naar Polen, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straf;

- Op 11 december 2017 is verzoeker aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;

- Op 29 december 2017 is de overleveringsdetentie van verzoeker, onder voorwaarden, geschorst door de raadkamer van deze rechtbank;

- Op vordering van de officier van justitie van 13 december 2017 is het overleveringsverzoek behandeld op de zittingen van 1 februari 2018 en 27 februari 2018; op deze laatste datum is uitspraak gedaan waarbij de overlevering is geweigerd op basis van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

3 Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van

- € 1.490, - € 1.490, - voor onrechtmatige vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:

2 dagen politiebureau: 2 x € 105,- = € 210, -

16 dagen HvB: 16 x € 80,- = € 1.280,-

- € 280, - € 280, - voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt.

De raadsvrouw heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Zij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt, omdat zijn overlevering is geweigerd. Verzoeker heeft van begin af aan verklaard dat hij niet bij de Poolse strafzaak aanwezig is geweest; dat heeft uiteindelijk ook tot de weigering van de overlevering geleid. De raadsvrouw heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de eerste twee dagen op het politiebureau; de overige dagen dienen in ieder geval te leiden tot het vergoeden van schade.

4 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 29 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:3659) waarin de rechtbank, zakelijk weergegeven, heeft geoordeeld dat geen gronden van billijkheid voor de toewijzing van schadevergoeding aanwezig zijn, nu de Nederlandse Staat geen verwijt kan worden gemaakt wat betreft de overleveringsdetentie van verzoeker en de duur daarvan. De officier van justitie sluit zich aan bij deze overweging en heeft daarbij verwezen naar:

  • -

    een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:610);

  • -

    een arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566);

  • -

    de Memorie van Toelichting bij wet van 26 juni 1975, waarbij in art. 89 en 591a Sv de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding; de officier van justitie heeft verwezen naar de volgende passage: “De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen.”

  • -

    artikel 89, tweede lid, Sv, waarin is bepaald dat schadevergoeding ook kan worden toegekend voor de schade die de gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering; de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker op dezelfde wijze de Poolse autoriteiten dient aan te spreken voor gestelde schade veroorzaakt door de overleveringsdetentie.

Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat de verzoeken voor toewijzing in aanmerking komen, heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd de verzochte schadevergoeding te matigen.

5 Toetsingskader

Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 van de Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, van de OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 89 derde, vierde en zesde lid Sv en de artikelen 90, 91 en 93 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

In de gevallen als bedoeld in het eerste lid van artikel 67 van de OLW zijn de artikelen 591 en 591a Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt het tweede lid van artikel 67 van de OLW.

Op grond van artikel 90, eerste lid Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6 Oordeel van de rechtbank

Anders dan de door de officier van justitie aangehaalde uitspraak van 29 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:3659) overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op voormeld toetsingskader is toekenning van schadevergoeding, zoals verzocht door verzoeker, in beginsel mogelijk, nu de verzochte overlevering is geweigerd. Zoals uit het toetsingskader volgt, correspondeert artikel 67 OLW met artikel 59 UW. De Memorie van Antwoord bij die wet (Kamerstukken 1965/1966, 8054, 10, p. 6) vermeldt over dit artikel onder andere het volgende:

Artikel 59. (…) Vrijheidsbeneming in verband met uitlevering is een daad, waarvoor de Nederlandse justitie verantwoordelijk is. Indien de vrijheidsbeneming blijkt ten onrechte te hebben plaatsgevonden omdat de uitlevering niet toelaatbaar is, zal de schadevergoeding ten laste moeten komen van de Nederlandse schatkist.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 59 UW blijkt voorts dat de wetgever de mogelijkheid van schadevergoeding heeft willen beperken tot de gevallen van ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering, omdat in zijn visie alleen in die gevallen, achteraf bezien, sprake is van onterechte detentie.

In lijn met voornoemde passage uit de Memorie van Antwoord is de rechtbank van oordeel dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat verzoeker ten onrechte gedetineerd is geweest. Deze vaststelling – waarmee geen negatief oordeel over het handelen van de Nederlandse Staat is gegeven, maakt vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW in beginsel toewijsbaar. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen. De rechtbank ziet daarom gronden van billijkheid voor het toekennen van de verzochte schadevergoeding. Niet is gebleken van overige feiten en omstandigheden die tot het oordeel leiden dat het niet redelijk is om schade te vergoeden; dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de verzoeker de detentie aan zijn eigen houding te wijten heeft gehad.

De omstandigheid dat de Nederlandse overheid geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het verloop en de duur van de overleveringsprocedure, doet aldus niet af aan het ten onrechte gedetineerd zijn geweest, als gevolg van de weigering van het overleveringsverzoek.

Ook het feit dat in artikel 89, tweede lid, Sv een mogelijkheid tot het vergoeden van schade is vastgelegd in geval van in het buitenland ondergane vrijheidsbeneming naar aanleiding van een Nederlands uitleveringsverzoek, leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank ziet geen aanleiding de hoogte van de gevorderde schade te matigen en zal deze integraal toewijzen. De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding van € 550,-- toekennen.

7 Beslissing

De rechtbank WIJST TOE de verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van:

- € 1.490, - € 1.490, - vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en

- € 550, - € 550, - voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt.

Deze beslissing is gegeven op 26 juli 2018 en in het openbaar uitgesproken door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.