Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5305

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
13-751372-18 18-2997
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Letland, garantie als bedoeld in artikel 12 sub d OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751372-18

RK nummer: 18/2997, EAB IV

Datum uitspraak: 17 juli 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 april 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 18 april 2018 door the Prosecutor’s General Office of the Republic of Latvia (Letland) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 26 juni 2018
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Heemskerk en door een tolk in de Poolse taal, een taal die de opgeëiste persoon voldoende beheerst

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.


Tussenuitspraak 10 juli 2018
Op 10 juli 2018 is een tussenuitspraak gewezen waarbij de rechtbank het onderzoek heeft heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen:

  • -

    of de verzetgarantie in het EAB onder d) zich naast het vonnis van 5 april 2018 van the Kurzeme District Court eveneens uitstrekt over de beslissingen van 24 oktober 2016 en 14 juni 2017 van the Ogre District Court;

  • -

    en zo nee, of the Ogre District Court bij het nemen van de beslissing van 24 oktober 2016 en 14 juni 2017 beoordelingsbevoegdheid had;

  • -

    en zo ja, of de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de procedures die hebben geleid tot de beslissingen van 24 oktober 2016 en 14 juni 2017 onderdeel d) van het EAB wil invullen.

Zitting 17 juli 2018
Het onderzoek is, met toestemming van partijen, door de rechtbank in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 17 juli 2018 in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op 10 juli 2018 bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk en dit keer door een tolk in de Russische taal. De rechtbank stelt vast dat Russisch niet de moedertaal van de opgeëiste persoon is, maar dat hij ook het Russisch voldoende beheerst om – bij gebrek aan een tolk in het Lets – de behandeling van de vordering in het Russisch te volgen en vragen te beantwoorden. De tolk heeft dit desgevraagd eveneens bevestigd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting bevestigd dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van het volgende:

  • -

    een vonnis van 3 maart 2015 van the Valmiera District Court, waarbij een taakstraf van 280 uren is opgelegd;

  • -

    een vonnis van 30 maart 2015 van the Ogre District Court, waarbij een taakstraf is opgelegd van 90 uren en een gevangenisstraf van 3 maanden;

  • -

    een vonnis van 26 januari 2015 van the Talsi District Court the Talsi District Court, waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 1 jaar en 10 maanden.

Verder vermeldt het EAB dat:

- bij beslissing van the Ogre District Court van 24 oktober 2016 de straffen van de vonnissen van 3 maart 2015 en 30 maart 2015 zijn samengevoegd tot één straf, te weten: een taakstraf van 370 uren en een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bij beslissing van the Ogre District Court van 14 juni 2017 368 uren taakstraf (het nog niet verrichte gedeelte van de cumulatieve taakstraf van 3 maart en 30 maart 2015) zijn omgezet in 3 maanden gevangenisstraf.

Uit het EAB volgt verder dat:

- bij beslissing van the Kurzeme Regional Court Criminal Matters Court Panel van 9 juli 2015 het vonnis van 26 januari 2015 van the Talsi District Court (partieel) is vernietigd en terugverwezen naar the Kurzeme District Court;

- bij vonnis van 5 april 2018 van the Kurzeme District Court de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 10 maanden en dat the Kurzeme District Court die opgelegde straf heeft samengevoegd tot één straf met de straffen van de vonnissen van 3 maart 2015 en 30 maart 2015, leidende tot een totaalstraf van: 2 jaar en 4 maanden.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de door the Kurzeme District Court op 5 april 2018 opgelegde (samengevoegde) vrijheidsstraf van 2 jaar en 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon bij de behandelingen ter terechtzitting aanwezig is geweest die tot de vonnissen van 3 maart 2015, 30 maart 2015 en 26 januari 2015 hebben geleid. De rechtbank stelt verder vast dat het vonnis van 5 april 2018 van the Kurzeme District Court is gewezen zonder dat de opgeëiste persoon bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig is geweest en zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank gelet op het voornoemde de overlevering voor het vonnis van 5 april 2018 alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) het volgende verklaard:

The person was not personally served with the judgment, but

- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and

- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and

- the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 30 days.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. Het betoog van de raadsman van 26 juni 2018, inhoudende dat de verzetgarantie ongenoegzaam is omdat er mogelijk sprake is van een voorwaardelijke verzetgarantie, wordt verworpen. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen die ertoe leiden dat dient te worden getwijfeld aan de onvoorwaardelijkheid van de verzetgarantie.

De rechtbank heeft op 10 juli 2018 desondanks aanleiding gezien om, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de onder procesgang vermelde vragen voor te leggen.

Per e-mail van 16 juli 2018 heeft de ‘acting prosecutor’, verbonden aan the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia het volgende geantwoord:

Please be informed that the right to a retrial or appeal given in the EAW section S does not apply to the Ogre District Court decisions of 24 October 2016 and that of 14 June 2017. These decisions have been made only on issues related to the enforcement of a judgment. Therefore the Ogre District Court decisions of 24 October 2016 and that of 14 June 2017 are not decisions pursuant to the Article 4a (1) of the Framework Decision on the European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States.

In een andere email van 16 juli 2018 heeft de ‘acting prosecutor’ verwezen naar Section 40 van de Criminal Law of Latvia.

Oordeel rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon zich niet met succes kan beroepen op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.

Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen is de opgeëiste persoon aanwezig geweest bij de behandelingen ter terechtzitting die hebben geleid tot de vonnissen van 26 januari 2015, 3 maart 2015 en 30 maart 2015. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de behandeling ter terechtzitting die heeft geleid tot het vonnis van 15 april 2018. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak al geoordeeld dat in het EAB een verklaring is afgegeven die voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en dat deze verzetgarantie genoegzaam is.

Niet duidelijk is of de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedures die hebben geleid tot de beslissingen van 24 oktober 2016 en 14 juni 2017. Deze beslissingen zijn echter geen beslissingen als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584.

Onder verwijzing naar het arrest van 22 december 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ardic (C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026) overweegt de rechtbank dat een procedure zoals de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 24 oktober 2016 waarbij de hoogte van de aanvankelijk opgelegde straf onherroepelijk is gewijzigd, ook een procedure kan zijn als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584 voor zover de autoriteit die de beslissing van 26 oktober 2016 heeft vastgesteld, in dit verband over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. De rechtbank maakt uit het antwoord van de ‘acting prosecutor’, zoals hiervoor weergegeven, op dat dat niet het geval was. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het totaal van de straf zoals opgelegd bij de beslissing van 24 oktober 2016 gelijk is aan de som van de straffen die in de vonnissen van 3 maart 2015 en 30 maart 2015 aan de opgeëiste persoon zijn opgelegd.

De beslissing van 14 juni 2017 waarin is bepaald dat het restant van de eerder opgelegde taakstraf wordt omgezet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf valt naar het oordeel van de rechtbank evenmin onder het begrip “beslissing” als bedoeld in artikel 4, bis, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584. Uit het antwoord van de ‘acting prosecutor’ zoals hiervoor weergegeven en uit Section 40 van de Criminal Law of Latvia, waarnaar deze heeft verwezen kan immers worden afgeleid dat de beslissende autoriteit ook bij het vaststellen van deze beslissing niet over beoordelingsbevoegdheid beschikte.

5 Strafbaarheid

5.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit van het vonnis van the Valmiera District Court van 3 maart 2015 en de feiten 26 en 27 van het vonnis van the Talsi District Court van 26 januari 2015 waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten: fraude.

5.2.

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten van het vonnis van the Ogre District Court van 30 maart 2015, de overige feiten van het vonnis van the Talsi District Court van 26 januari 2015 en het feit van het vonnis van the Kurzeme District Court van 5 april 2018 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, nu de feiten naar Nederlands recht opleveren:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort
vernielen;

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;


diefstal;

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

oplichting;

poging tot oplichting;

valsheid in geschrift.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 225, 310, 311, 326 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Prosecutor’s General Office of the Republic of Latvia ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en direct uitgesproken ter openbare zitting van 17 juli 2018.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.